Schrijven over rouw blijkt zo makkelijk nog niet, ook niet voor professionele schrijvers. Veel van hen projecteren hun gevoel in eerste instantie op dieren, ondervond ook Mirjam van Hengel.
schrijft voor de Volkskrant over literatuur.
De smartelijkste scene in de film H Is for Hawk is die waarin Helen, gespeeld door Claire Foy, zich in haar huis, omringd door boeken, vuil serviesgoed en resten van dode eendenkuikentjes, opkrult in een grote kartonnen doos en in slaap valt.
In de andere hoek van de kamer, naast gesloten gordijnen, zit haar havik, Mabel. Voeten om de boog, het leren huifje over de ogen.
De havik is rustig, de vrouw uitgeput. Haar werk heeft ze verwaarloosd, haar appartement moet ze uit, haar huid is grauw en wanneer vrienden aanbellen laat ze hen niet binnen.
Het verhaal: Helen, academicus, vogelkenner en voormalig valkenier, verliest plotseling haar vader. Ze is volkomen uit het veld geslagen, tot het moment dat ze besluit een havik te kopen, ‘the wildest, the maddest of raptors’, om zelf af te richten, treinen in jargon.
Mirjam van Hengel is schrijver. Haar recentste boek Ganzentijd gaat over (de rouw om) haar overleden vader.
Het levert indrukwekkende beelden op van een uit de kluiten gewassen havik en een steeds obsessievere vrouw die in een plompe waxcoat en op modderschoenen met haar vogel door de weilanden rent, weg van haar sociale en academische leven en vooral: weg van het verdriet om haar vader. Steeds koortsachtiger wordt de blik in haar ogen, steeds onvoorspelbaarder zijn de flitsen van herinneringen aan haar dode vader.
Het is een film die gemakkelijk tranen oproept, althans bij mij. Ik schreef net zelf een boek over het verlies van mijn vader en over vogels, en de film is gebaseerd op een boek dat daarbij veel voor me betekende.
Helen Macdonalds autobiografische H is for Hawk verscheen in 2014, van de recente mode van boeken over één dier was nog geen sprake. Dat die er nu wel is (Charlotte Van den Broeck over de Tasmaanse tijger, Nikki Dekker over graafdieren, Tijl Nuyts over de naakte molrat, Bernardo Zannoni over de steenmarter en, als voorlopig hoogtepunt, Chloe Dalton over de haas in haar huis) heeft mogelijk bijgedragen aan het succes van de film dit voorjaar.
Maar gaan boek en film wel over een havik? In het eerste hoofdstuk van het boek vertelt Macdonald hoe ze naar een bos rijdt om haviken te zien. ‘Ik wist dat het lastig zou worden. Haviken zíjn lastig.’
Na een tijdje spot ze er twee en dan komt er een herinnering boven aan de eerste keer dat ze de imponerende vogels zag: 9 jaar oud, kijkertje om de nek, haar vader naast zich.
Drie weken later krijgt ze het bericht van haar vaders dood. In haar ontreddering, die gepaard gaat met zowel paniek als woede, verlangt ze naar iets ‘dat alle menselijke mildheid weg kan rukken en je doet belanden in een wereld van gierende, weggestopte wanhoop’. Ze wil de afgrond in, maar het liefst niet die van haar eigen emoties.
De havik, een vogel die uit een wrede, ruwe wereld lijkt te komen, lost het verlangen in. Door de vogel te temmen heeft ze een doel en ze kan erbij aan haar vader denken, aan ‘de manier waarop hij met moeilijke situaties was omgegaan’.
Rouw en havik zijn even onvoorspelbaar, bij vlagen angstaanjagend en vooral: even nieuw. Helen Macdonald was weliswaar jarenlang valkenier, maar een havik heeft een andere natuur dan een valk, ze heeft er geen ervaring mee. Ze doet haar best de vogel te begrijpen, is fanatiek, geduldig, ongeduldig, schrikt, probeert streng te zijn, liever te zijn – het is één groot uitproberen. Ze is een beginneling. Zoals ze ook een beginneling is in de rouw om haar vader.
Toen ik het boek over mijn gestorven vader schreef, Ganzentijd, las ik mijn vaders exemplaar van Petersons vogelgids. Ik merkte op, over dat beginner-zijn:
‘Voor de beginner is het de allereerste zaak om te leren een bepaalde vogel te classificeren in de typegroep’, waarna ik, zoekend naar houvast in mijn geschrokken rouw, op zeker moment het woord ‘vogel’ verving door ‘gevoel’.
Dit klassieke boek van Peterson kent Helen Macdonald natuurlijk ook. In haar essaybundel Schemervluchten (2020) noemt ze het ‘de eerste moderne veldgids’ en vertelt ze hoe vereenvoudigde kenmerken van vogels erin werden ondergebracht in schema’s waar ook de onervaren vogelaar mee uit de voeten kon.
Schema’s als op het kaartje dat ik vond in de portemonnee van mijn overleden vader: een rudimentair overzichtje met kenmerken van acht soorten ganzen. Na zijn dood begon ik het bij me te dragen. Een hulpstuk om iets te herkennen, maar minstens evenzeer om de liefde voor de vader die verdween op over te hevelen.
De Peterson-gids komt ook voorbij in een ander recent boek over afscheid en verlies, Gerbrand Bakkers Boedel (2025). Bakker schreef eerder over het overlijden van zijn vader, en nadat ook zijn moeder is gestorven, gaat hij met zijn broers het ouderlijk huis leegruimen – een van de broers neemt de oude beduimelde Peterson mee.
Bij Bakker geen havik of ganzenkaartje dat de rouw kanaliseert, maar een ander, bekend, procedé: alle spullen door je handen laten gaan en de tijd nemen voor de herinneringen die dat met zich meebrengt.
Deze methode werkt altijd, maar het is oppassen voor te veel nostalgie: voor je het weet snik je om een stofdoek of broodtrommeltje dat voor de lezer weinig betekent. In die valkuil trapt Bakker niet. Hij heeft van zichzelf al een nuchtere stijl en bovendien een welgemoed gevoel voor humor, waardoor zijn beschrijving van de luciferdoosjes die zijn moeder bekleedde met borduursel niet alleen liefdevol maar ook komisch is.
Ook bij hem gaat het om transportatie van gevoelens: de spullen als sleutel om te schrijven over iets wat verdriet doet, zonder in een moeras van emoties weg te zinken. Een manier om een verhaal van gemis te vertellen, zonder dat het afbuigt naar opzichtig sentiment of particulariteit.
Vanzelfsprekend is dat een spel met vorm, van cruciaal belang voor wie over een zo algemeen en tegelijk zo persoonlijk onderwerp schrijft. Het vereist specifieke taal, specifieke observaties en specifieke (verrassende, onverwachte, ongewone, schurende) beelden.
De Bulgaarse Georgi Gospodinov – die met zijn prachtige boek Schuilplaats voor andere tijden, waarin melancholie en geschiedenis in een rijke, onderzoekende vorm gestalte krijgen, de International Booker Prize won – verloor onlangs ook zijn vader.
Hij schreef er De dood en de tuinman over, vorige maand in het Nederlands verschenen en een voorbeeld van wat er kan gebeuren als je voor zoiets persoonlijks die sleutel níét vindt. Of beter gezegd: als je kiest voor metaforen zonder daar het verhaal op over te hevelen. Gospodinovs rouwverhaal bestaat uit intieme anekdoten, herinneringen en mijmeringen, mooi van taal en sfeer en met rake beelden over de vader en diens geschiedenis, over ‘oude reddende verhalen’, en met een teder verslag van het sterfbed.
De tekst schiet bovendien alle kanten op, wat een sterke manifestatie van rouw is, zo veelvormig en wanordelijk als dat proces is. Maar de metafoor van de tuin, vooraan gezet in het eerste hoofdstuk, waarin het gaat over de essentiële betekenis die hij voor zijn vader had, komt er bekaaid af.
De vader werkte er dagelijks, het was zijn trots en toevluchtsoord, maar de zoon maakt er in concrete zin geen ruimte voor. Slechts een handvol gangbare bloemen en groenten wordt genoemd (rozen, paprika) en ontroerend is het hulpeloze ‘ik weet niet wat ik met al mijn onwetendheid over wat ik in de tuin moet doen’ aan het einde van het boek, maar terwijl de schrijver houvast zoekt in citaten van Montaigne, Petrarca en Ovidius, denk je eigenlijk steeds: hoe bond die vader zijn tomaten op? Welke rozen groeiden er? Hoe noemde hij het als hij ’s avonds nog even een rondje langs de gewassen liep?
In valkeniersjargon heet de lijn waarmee de vogel aan de handschoen wordt gehouden een langveter. Is de vogel genoeg geoefend dan kan die worden losgelaten, afgeworpen. Is dat stadium nog niet bereikt dan is er een periode waarin de aan de handschoen vastgemaakte vogel steeds afvliegt, een soort schrik- of protestreactie.
In de chaos van Macdonalds eerste, ongerichte emoties vliegt de vogel steeds wild af; wordt zij kalmer dan komt ook de havik tot rust. Dat ze naar elkaar toe groeien terwijl zij naar haar bedroefdheid toe groeit, is het virtuoze van zowel boek als film: je denkt naar de ontwikkeling van havik en havikier te kijken, maar kijkt naar een verhaal over verdriet.
In het boek reflecteert Macdonald gaandeweg steeds vaker op zichzelf. Ze realiseert zich hoe ze de havik heeft willen worden, hoe ze vlucht in vergaande identificatie. Ze breekt de nek van konijnen voor haar gevederde roofdier, ze kruipt door struikgewas – alles om maar niet te voelen wat ze zelf voelt.
De echte pijn zit daarom in het midden van het boek: als ze de havik moet loslaten. ‘De afstand tussen mij en de havik voelt aan als een wond.’
In de film keert Helen steeds meer in zichzelf, tot de kluizenaarsstaat waarin ze naast de havik in de doos slaapt. Vandaaruit komt de catharsis: ze dwingt zichzelf een praatje te houden bij een herdenkingsdienst over haar vader. Dat daar de tranen vloeien en ze ruimte weet te maken voor wie haar vader was, in haar leven én dat voor haar, is merkwaardig genoeg geen sentimenteel einde, want je weet dat dit maar één laag is. Er is ook nog de havik.
Wie rouwt, hecht soms aan het verdriet omdat het degene die weg is dichtbij houdt – identificatie met dat gevoel kan stevige vormen aannemen. Identificatie met een havik is een bijna te symbolisch, maar als je het goed doet vrij geniaal alternatief: op zeker moment moet die havik de lucht in.
Er zijn weinig rouwverhalen zonder happy end. Het vormgeven heeft scherpe randjes afgevijld, er is een substituut, begrip, plek, herinnering, voorwerp of context gevonden waarin het gemis kan landen en in getransformeerde vorm mee mag, verder het leven in.
Gospodinov ziet een lichte lenteregen vallen en memoreert zijn vaders mantra: ‘Er is niks aan de hand.’
Bakker loopt met zijn geliefde een laatste rondje door het huis en vindt achter de gordijnen een gepottenbakt plantenpotje, uitgerekend iets wat van hemzelf was: ‘Het allerlaatste ding.’
Ik sta bij zonsopgang aan de waddenkust te midden van overweldigende ganzenvluchten en weet mijn vader met zijn kijkertje naast me.
Helen Macdonald schrijft: ‘De havik is gevlogen.’
H Is for Hawk draait nu in de bioscoop. De H is voor havik is in 2015 verschenen bij De Bezige Bij, in vertaling van Nico Groen en Joris Vermeulen.
Gerbrand Bakker: Boedel. Cossee. 160 pagina’s; € 21,99.
Georgi Gospodinov: De dood en de tuinman. Uit het Bulgaars vertaald door Hellen Kooijman. Ambo Anthos; 224 pagina’s; € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant