Nieuwe kleding maken van gerecyclede oude kleding gebeurt nog nauwelijks. Maar het kan wel, bewijst Brightfiber. Wijst deze Amsterdamse recyclefabriek de weg naar een duurzame kledingindustrie?
is economieredacteur van de Volkskrant. In een serie verhalen neemt hij de rol van synthetische stoffen in de kledingindustrie onder de loep.
Als Ellen Mensink haar fabriekshal betreedt, loopt ze eerst even naar een grote baal marineblauw katoen. De oprichter van kledingrecycler Brightfiber laat haar vingers door de vezels gaan, die opeengeperst zijn tot een solide ogend, maar zijdezacht aanvoelend blok. Kijk, wijst ze, nergens stipjes van andere kleuren, nergens ongewenste pluisjes. ‘Dit is toch prachtig?’
Een uurtje geleden zaten deze katoenvezels nog in shirts en broeken, die in kledingbakken zijn gegooid en vervolgens uitgesorteerd op materiaaltype en kleur. Dat laatste is kennelijk goed gedaan, anders was het eindresultaat niet zo egaal.
In een serie verhalen onderzoekt de Volkskrant hoe de verduurzaming van de kledingindustrie dreigt te stranden door het gebruik van goedkope, synthetische stoffen, en wat de mogelijke oplossingen zijn.
Nu zijn de vezels klaar om naar een van de spinnerijen te gaan waarmee Brightfiber samenwerkt. Daar maken ze er nieuwe garen van, die weer in nieuwe kleding worden verwerkt. De eerste truien worden sinds afgelopen november verkocht door het Amsterdamse merk Martan.
De vorig jaar geopende fabriek van Brightfiber in Amsterdam toont de toekomst van de kledingindustrie. Tenminste, als er iets terechtkomt van de ambitieuze circulaire doelstellingen die Nederland zichzelf heeft gesteld. Om de milieubelasting te verlagen moet in 2050 alle textiel fossielvrij en duurzaam geproduceerd zijn, of anders gerecycled.
Relevant, gezien de zeker 92 miljoen ton afval per jaar die de kledingindustrie de wereld oplevert, volgens een overzichtsstudie in vakblad Nature Reviews Earth & Environment. Daar komt een waterverbruik van tientallen biljoenen liters per jaar bij. Schattingen van de CO2-uitstoot van de kledingindustrie lopen uiteen, maar komen neer op zeker een paar procent van het wereldwijde totaal.
Als weggegooide kleding al wordt gerecycled, dan komt het meestal terecht in laagwaardigere toepassingen, zoals stoelvulling of poetsdoekjes. De hoeveelheid nieuwe kledingstukken waar daadwerkelijk gerecyclede kleding in zit, is nihil. Als er al sprake is van gerecycled materiaal, komt het meestal uit andere afvalstromen dan afgedankte kleding – meestal gerecyclede petflesjes. De meeste shirts of broeken eindigen nog altijd op storthopen of in verbrandingsovens. Of erger, in het milieu.
Dat schiet nog niet op. Wat valt er te leren van pionierende kledingrecyclers als Brightfiber?
Daar gaat een marineblauw shirt met lange mouwen de lopende band op. Richting de malende kaken van de versnipperaar, die hem uiteenscheurt in dunne stroken. Daarna wacht de ‘vervezelaar’: die trekt met een reeks ronddraaiende pinnen de stof verder uiteen tot immer fijnere draadjes. Het tafereel oogt als een kolkende blauwe suikerspin. Op de machine ligt een dun laagje ragfijn blauw stof, dat is ontsnapt aan de loeiende afzuiging.
2,5 miljoen kilogram kleding per jaar kan het bedrijf verwerken in deze fabriek op een bedrijventerrein in het noordwesten van Amsterdam. De hoge hal is nog half leeg, genoeg ruimte om op te schalen dus.
Bijzonder is dat Brightfiber een probleem aanpakt dat kledingrecycling vaak in de weg staat: het vele gebruik van gemengde materialen. Trek je een volledig wollen trui uit elkaar, dan houd je simpelweg een bol wolvezels over waarvan je weer wat nieuws kunt maken.
Maar in de praktijk zijn kledingbedrijven dol op mengsels, vaak met kunststoffen, om kleding bijvoorbeeld elastischer of steviger te maken. Zulke mengsels uit elkaar trekken is bijna geen doen. Brightfiber laat zien dat dit ook niet nodig is, zegt Mensink. Als je een gemengde stof aan haar machinerie voert, spuwt die na het vervezelen een vergelijkbaar mengsel uit dat weer tot kleding valt te verwerken.
Dan is het wel zaak om heel precies te weten welke samenstelling de kledingstukken hebben voordat ze samen door de shredder gaan. Goed sorteren is dus cruciaal. Dat gebeurt op een kwartiertje rijden, in Wormerveer, bij een bedrijf dat Mensink in 2024 heeft overgenomen. Hier staat een zelfontwikkelde machine die volautomatisch kleding kan sorteren op kleur en materiaalsoort en stoorzenders als knopen en ritsen wegsnijdt dankzij een slim systeem met camera’s en een metaaldetector.
Ook Brightfiber kan overigens niet met alle kleding werken. Neem spijkerbroeken. ‘Die zijn vaak corespun, wat betekent dat er garen rondom een draad van een ander type materiaal heen gesponnen zitten’, zegt Mensink. ‘Dat kun je van buiten niet identificeren en daarom niet altijd verwerken.’
Ze schat dat ongeveer de helft van de kleding die niet tweedehands opnieuw gedragen kan worden, geschikt is voor recycling voor nieuwe kleding. Liefst heeft ze ook nog eens kleding met één kleur. Ga je kleuren mengen, dan wordt alles bruin.
Dit soort mechanische recycling heeft nog wel een ander nadeel: onherroepelijk verliezen de vezels een deel van hun lengte en daarmee stevigheid. En dus ontkomt het bedrijf er niet aan om nieuw materiaal bij te mengen. Ook de truien van Brightfiber bestaan niet volledig uit gerecyclede kleding, maar voor minimaal 40 procent. De rest is bijgemengd uit andere bronnen, zoals vezels uit houtpulp of gerecycled nylon.
Mensink, econoom van opleiding en ondernemend van geest, weet als geen ander dat de kledingwereld hard is. In 2007 was ze betrokken bij de oprichting van Creative City Lab, dat duurzame innovatie wilde aanjagen en onder meer een gerecyclede wollen trui ontwikkelde.
Een kleine tien jaar later richtte ze haar eigen duurzame kledingmerk, Loop.a life, op. Het instorten van de kledingfabriek Rana Plaza in Bangladesh in 2013, waarbij meer dan duizend doden vielen en misstanden in de kledingindustrie even op ieders netvlies stonden, was voor haar een belangrijke reden om zich er zelf tegenaan te bemoeien.
Het bedrijf redde het alleen niet: Loop.a.life ging in 2024 failliet. Een belangrijke reden is volgens Mensink dat consumenten moeilijk onderscheid kunnen maken tussen werkelijk circulaire kleding en de niet-circulaire kleding die door grote bedrijven als gerecycled wordt aangeprezen, omdat er gerecyclede petflesjes in zitten.
Technische problemen met een nieuwe webshop, waardoor het bezoekersverkeer kelderde, vormden de druppel. Sindsdien heeft Mensink geconcludeerd dat het leveren van gerecycled materiaal aan bestaande kledingmerken, zoals ze met Brightfiber doet, een beter recept voor succes is dan het bestieren van een eigen merk.
Brightfiber vormt een groen lichtpuntje in een branche waar de verduurzaming moeizaam van de grond komt. Met de opkomst van goedkope en kwalitatief laagwaardige ultrafast fashion is een duurzame kledingindustrie alleen maar verder uit zicht geraakt, concludeerde de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in 2024 na onderzoek onder Nederlandse recyclebedrijven.
De inspectie is kritisch over de huidige Nederlandse wetgeving. De kledingindustrie moet inzamelaars, sorteerders en recyclers van textielafval betalen voor de verwerking van hun afval – onderdeel van de zogeheten Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Wie gerecycled materiaal gebruikt, hoeft minder mee te betalen. Mooi, maar gerecycled textiel is nog altijd zodanig veel duurder dan nieuwe, dat deze financiële prikkel volgens ILT weinig verandert.
Die kritiek deelt Mensink. Toch houdt ze hoop. Ze wijst op Europese regels die in de pijpleiding zitten. Die moeten er bijvoorbeeld voor zorgen dat kledingontwerpers meer rekening houden met de recyclebaarheid van hun producten. En vanaf 2028 geldt in ieder EU-land een Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor kledingbedrijven.
Bovendien zit ze namens de recyclebedrijven aan de ‘textieltafel’, waar Nederlandse vertegenwoordigers uit de textielindustrie nadenken over verduurzaming, en daar proeft ze ambitie. In mei stuurt de tafel een visiestuk hierover naar de Tweede Kamer, zegt ze. ‘Wij lopen hier in Nederland wereldwijd op kop op dit gebied. Deze trein is niet meer te stoppen.’
‘Kledingrecycling ligt nog vooral bij kleine initiatieven die de weg plaveien’, zegt Lis Suarez Visbal, die de overgang naar een rechtvaardige circulaire economie onderzoekt aan de Universiteit Utrecht. ‘Maar uiteindelijk moeten we verder kijken dan Nederland.’ De grootschalige kledingindustrie opereert internationaal. Wil je genoeg kledingafval uitsorteren en recyclen om de wereldwijde kledingindustrie te verduurzamen, dan moet ook de rest van de wereld meedoen, zegt ze.
Volgens Suarez Visbal betekent het dat je de textielfabrikanten in bijvoorbeeld India en Pakistan mee moet krijgen in de verduurzamingsslag. Daar komt immers veel in Europa verkochte kleding vandaan, en daar zit ook veel technische kennis over het maakproces. Bovendien is het recyclen van kleding in de Europese Unie relatief duur, gezien de loon- en energiekosten. ‘Wil je het allemaal hier doen, dan blijft gerecyclede kleding een nicheproduct’, vreest ze.
De Europese Unie heeft best wat hefbomen om ook buiten het continent invloed uit te oefenen, zegt ze. Brussel zou overproductie en slecht recyclebare kleding duurder kunnen maken met een milieutaks en zo ook bedrijven in andere landen aanzetten tot verduurzaming.
Nederlands kledingafval kun je niettemin het best dicht bij huis recyclen, menen ze bij Brightfiber. Dat scheelt een hoop heen en weer gesleep over de wereld en behoudt grondstoffen voor Europa. De kleding die in Amsterdam door de shredder gaat, komt dan ook uit de EU. Bedrijven met wie Brightfiber samenwerkt voor de verdere verwerking, zoals spinnerijen, staan in Europa en Turkije.
‘Als ik in Bangladesh ga innoveren, terwijl ik hier zit, wordt het heel ingewikkeld en minder duurzaam’, zegt Mensink ook. ‘Het is moeilijk controleren of de garen die ik weer terugkrijg ook echt gemaakt zijn van de afvalstromen die ik die kant op stuur. En tussendoor kan ik ook geen kwaliteitschecks doen. Daarom innoveer ik hier, maar dat maakt mijn product wel wat duurder.’
Vanuit de fabriekshal is het een paar deuren door naar de showroom bij de ingang, waar rekken vol met kleurrijke truien hangen. De eerste truien, van het merk Martan, kostten bij de start van de verkoop meer dan 300 euro.
Dat is dan ook een duur designermerk, qua prijs niet representatief, zegt ze. Nu is het zaak echte klappers te maken, in het lagere en middensegment, met bedrijven in de categorie The Sting en America Today.
Ze zegt met meer dan twintig merken in gesprek te zijn en verwacht binnenkort orders bekend te kunnen maken. ‘Grote kledingbedrijven steken vaak eerst een teen in het water voor ze grote volumes bestellen.’ Ze moeten nog leren welke ontwerpkeuzen er horen bij het werken met circulair materiaal, legt ze uit, en uitzoeken wat het scheelt op hun financiële bijdrage voor de Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. ‘Een ingewikkeld proces dat wij als recyclers begeleiden.’
De prijs van haar garen kan nog een stuk omlaag als ze haar fabriek opschaalt en de apparatuur nog fijnmaziger afstelt, zegt ze. Bovendien heeft ze hoge verwachtingen van verdere automatisering met fabrieksrobots, om de arbeidskosten te drukken.
Ze laat haar hand langs de rekken met truien gaan. ‘Ik merk dat er steeds meer mogelijk is met gerecyclede garen doordat er in de hele keten − spinners, breiers, naaiateliers − ontwikkelslagen worden gemaakt.’ Zo bestonden circulaire truien eerst nog uit grove stoffen, omdat fijne garens moeilijker te maken zijn van gerecyclede vezels met hun variabele lengten. Inmiddels zijn kledingmakers hier een stuk handiger in. Mensink pakt een van haar truien erbij, ragfijn geweven. ‘Hieraan kun je toch op geen enkele manier zien dat het gerecycled is?’
Source: Volkskrant