Cicero De Romeinse politicus, filosoof en literator Cicero wordt wel gezien als groot voorbeeld voor politici en als belichaming van de rechtsstaat. Maar uit zijn brieven, nu voor het eerst integraal in het Nederlands vertaald, ontstaat een heel ander beeld.
De Russische componist Dmitri Sjostakovitsj citeert in zijn memoires als Russisch gezegde ‘Hij liegt als een ooggetuige’. Als dat op het eerste gezicht ergens niet van toepassing lijkt, is het wel bij de overgeleverde correspondentie van de Romeinse politicus, advocaat, filosoof en literator Cicero (106-43 voor Christus), nauw betrokken ooggetuige van de overgang van Republiek naar keizerrijk in het antieke Rome, een cruciaal breekpunt in de geschiedenis van het Westen. Cicero’s overgeleverde brieven zijn enige tijd geleden met een aantal antwoorden van zijn correspondenten voor het eerst integraal in het Nederlands vertaald.
Cicero: Ik en Rome. Alle brieven. Red. Piet Gerbrandy en Daan den Hengst. Vert. Jan Bloemendal, Daan den Hengst, Vincent Hunink, Jip Lemmens, John Nagelkerken, Ramon Selles en Rogier van der Wal. Van Oorschot, 1212 blz. € 125
De ruim 1.200 pagina’s bieden een uniek gevarieerd en levendig beeld van het reilen en zeilen van de politieke elite in de eerste eeuw voor Christus, dat de geïnteresseerde lezer wekenlang aan zijn leesfauteuil gekluisterd zal houden (met Cicero in bed is ook vanwege het gewicht van de kloeke band minder aantrekkelijk). Omdat de overlevering ook antwoorden van wereldberoemdheden als Caesar en diens moordenaars Brutus en Cassius bevat, krijg je het gevoel slechts een handdruk verwijderd te zijn van karakters en gebeurtenissen die scholieren al 2000 jaar moeten memoriseren. En natuurlijk is daar Cicero zelf, op wiens gezag niet alleen vrijwel de gehele westerse traditie van welsprekendheid, recht en staatkunde rust, maar ook onze kennis van met name de latere fases van de Griekse filosofie.
Maar bij wie gaat lezen, begint al gauw ook iets te knagen. Want de auteur die je nu van dichtbij leert kennen, lijkt moeilijk te rijmen met het unieke gezag dat zijn werk sinds de oudheid terecht heeft uitgeoefend, en met het onversneden heldendom waar Cicero zelf zijn leven lang van droomde. Hoe verder de lezer vordert, hoe meer vragen er rijzen: was Cicero werkelijk zo ijdel en zelfingenomen als het lijkt wanneer hij zijn eigen lof zingt als redder van het vaderland en meest gezaghebbend staatsman? Als hij zich in de kaart laat kijken door te debiteren dat ‘geen dichter of redenaar ooit iemand beter dan zichzelf vond’? Of als hij een collega-scribent omstandig verzoekt een monografie aan hem te wijden waarin de waarheid geweld aangedaan wordt en Cicero’s heroïek schromelijk overdreven? Was hij werkelijk zo wankelmoedig als hij lijkt wanneer hij in brief na brief als een jojo heen en weer stuitert tussen twee om Rome vechtende magnaten? De zee op gaat bereid om zo nodig heroïsch voor het vaderland te sterven, maar dan zeeziek wordt en terugkeert? Of zijn politieke adhesie in de burgeroorlog in vier maanden vijftien keer herziet? Gaf hij zich werkelijk zo makkelijk aan zelfmedelijden over, jammerend over onuitsprekelijk diepe misère waaraan alleen de dood uitkomst kan bieden – een stemming die een etmaal later alweer omslaat in triomfantelijk gekraai? Was hij werkelijk zo’n hypocriet dat hij Marcus Antonius per brief zijn diepste en meest welgemeende affectie betuigt en één van diens gezworen vijanden kort daarop verwijt dat hij naast Caesar niet ook nog het excrement Marcus Antonius heeft vermoord? Of zo dom dat hij ervan was overtuigd dat hij de sluwste politicus die ooit is geboren, de jongeman die later keizer Augustus zou worden, om zijn ervaren en gewichtige vinger kon winden, hij, de grote Cicero?
Cicero afgebeeld tijdens zijn terugkeer naar Rome in 77 v.Chr., na een studiereis in Griekenland. Illustratie afkomstig uit ‘Le Rollin de la jeunesse ou Morceaux choisis des Histoires Ancienne et Romaine’, een bloemlezing uit het werk van de Franse historicus Charles Rollin, speciaal voor jongeren. (1816)
Goed: het beeld dat uit de brieven naar voren komt, wordt enigszins vertekend doordat juist van de belangrijkste momenten van Cicero’s carrière vrijwel geen brieven overgeleverd zijn. Van zijn eerste triomf als advocaat, bijvoorbeeld, de verdediging van een cliënt die het slachtoffer van de dictatoriale senator Sulla was; daarmee viel hij impliciet Sulla’s radicaal senatoriaal-elitaire schrikbewind aan. De achterliggende overwegingen van dat spectaculaire debuut als ‘sociale’ advocaat zouden met name zo interessant zijn geweest omdat Cicero’s politieke keuzes later zo uitgesproken ‘senatoriaal’ zouden worden.
Cicero’s eerste triomfen legden de basis voor een politieke carrière die hem uiteindelijk tot het hoogste ambt, het consulaat, zou brengen: Cicero’s finest hour, omdat hij als consul een samenzwering onder leiding van een ambitieuze, ongeduldige en populistische aristocraat, Catilina, wist te ontmantelen en zo naar eigen zeggen ‘de republiek redde’.
Maar ook Cicero’s politieke ondergang: juist de on-constitutionele, want zonder procesgang voltrokken executie van de samenzweerders op gezag van consul Cicero gaf zijn tegenstanders na verloop van zijn ambtstermijn het wapen in handen om Cicero politiek uit te schakelen. Ook van deze door Cicero zelf ‘niet zonder reden maar zonder einde geprezen’ episode (zoals een tijdgenoot het formuleerde) bevat de collectie helaas geen brieven. We kennen alleen de ‘publieke’ versie uit Cicero’s wel overgeleverde Catilinarische redevoeringen nog.
Als iets, betoont Cicero zich een vat vol tegenstrijdigheden: zelfingenomen maar kwetsbaar, ontroerend maar ongenaakbaar, onuitstaanbaar maar verdwaasd. Petrarca zag in de veertiende eeuw al dat Cicero zichzelf en de wereld niet scherp kon zien, omdat hij niet kon zien dat die wereld niet om hem draaide. Misschien was het allemaal overcompensatie voor provinciale onzekerheid van iemand wiens talenten even torenhoog als zijn ambities waren, geboren in de ruige bergen rond Arpinum, 100 kilometer bezuiden Rome. Misschien ook zou dr. Freud raad hebben geweten: nooit durft Cicero op zijn emotionele verleden te reflecteren. Hoe dan ook, hij was onophoudelijk met zichzelf bezig — reden waarom, zo neem ik aan, de redactie de bundel de titel Ik en Rome heeft gegeven. De man die in een lofdicht op zichzelf kon uitroepen, „O Rome, gezegend want wedergeboren dankzij mijn consulaat!” had het zelf kunnen bedenken.
Bij al die gezichten van Cicero stoort het daarbij minder dat het brievenboek hier door verschillende classici is vertaald, wier handen duidelijk verschillen in stijl en toon, soms overigens in flagrante tegenspraak met ‘mijn’ Cicero (‘de limit’ zie ik hem bijvoorbeeld niet uit zijn pen krijgen), of onnodig ‘gewoon’ (‘Alles goed met jou en het leger?’), maar vaker soepel en soeverein, lucide ingeleid en altijd voorzien van summiere maar efficiënte annotatie.
Maar het interessantste aspect aan Cicero’s correspondentie is toch Sjostakovitsj’ spreekwoord, dat wijst naar het gevaar van de ooggetuige. Sinds de late oudheid werd Cicero’s oeuvre als redenaar en moraalfilosoof in vele opzichten de belangrijkste en in sommige opzichten de enige bron voor de loop der gebeurtenissen die van de Republiek naar de keizertijd leidden. Toen Petrarca in 1345 in Verona een manuscript van Cicero’s verloren gewaande brieven aan Atticus (Cicero’s hartsvriend en belangrijkste correspondent) las, vond hij ze juist zo spannend omdat ze uit het leven gegrepen waren en als het ware ‘live’ verslag doen van iemand die in twijfel gevangen is, zoals Petrarca zelf zich ook voelde. Geschoeid op de leest van Cicero begon hij ook zijn eigen leven in brieven vorm te geven. Zo startte hij een traditie waarin autobiografie een essentiële rol speelt in het creëren van een publieke identiteit door politici en schrijvers. Samen met Cicero’s reputatie op grond van zijn filosofische dialogen over wetten, staat, redenaar en ‘sociale plichten’, zorgde dit ervoor dat Cicero hét boegbeeld werd van de humanisten.
Daarna werd hij lichtend voorbeeld voor de reflecterende politicus: nachtkast-gezel van leiders, van Frederik de Grote tot Churchill. Een steunpilaar van het recht en hoeksteen van de rechtsstaat, die je dankzij zijn brieven haast een hand kon geven, maar uit wiens onzekerheden en miskleunen je ook troost kon putten, of bevestiging kon krijgen dat het narcisme dat zo veel politici eigen is heel goed samenging met vaderlandsliefde.
Maar juist daar speelt het feit ons parten dat we de Romeinse geschiedenis al zo lang vrijwel uitsluitend door Cicero’s ogen zien en daarom zijn visie vanzelfsprekend vinden. Want eigenlijk blijkt uit de brieven dat Cicero zelf minder gaf om de rechtsstaat waarvan hij als de ultieme kampioen wordt gezien dan je zou hopen. In toenemende mate zie je hem zich identificeren met de boni (in deze editie consequent wat stroef vertaald met ‘loyale burgers’), de contemporaine aanduiding voor de ‘gegoede’, steenrijke en conservatieve grootgrondbezitters in de senaat, die niets moesten hebben van populaire politici als Caesar, die als ‘populist’ op minder bedeelde Romeinen steunde, maar daarom ook rekening met ze hield. En wanneer populaire politici het te bont maakten, bediende die oude, zelfzuchtige aristocratie zich van het middel van politieke moord, zonder politiek mandaat, zonder constitutionele basis, alleen omdat men vond dat zulke politici naar ‘tirannie’ streefden. Zo waren ook de Gracchen, volkstribunen die voor landverdeling hadden gepleit, ooit doodgeknuppeld.
In feite bepleit Cicero in zijn beroemde rede tegen Catilina ditzelfde lot voor zijn tegenstander. In dit kader moet ook de moord van zulke senatoren op Caesar gezien worden. Cicero was hun vriend, en hoe, zo lees je in zijn brieven. Hoe ironisch dat de klassieke traditie iemand als de belichaming van de rechtsstaat beschouwde die zich openlijk voorstander van politieke moord verklaarde! Of dat een auteur, wiens brieven laten zien waarom hij zo ongeschikt voor politiek was, eeuwenlang als lichtend voorbeeld aan toekomstige heersers werd voorgehouden.
Buste van Cicero in het Capitolini-museum in Rome.
Of het moest natuurlijk als negatief exempel zijn: iemand die enerzijds het killer-instinct en de koude machtshonger miste, onontbeerlijk voor politiek succes, maar anderzijds liet zien dat de ijdelheid die zoveel politici eigen is alleen kan werken als die gepaard gaat met scherp psychologisch inzicht. Juist de brieven tonen hoe pijnlijk weinig Cicero dat inzicht bezat.
Ondanks zijn dappere en ‘linkse’ debuut neigde Cicero steeds meer naar het oude geld van de harde en conservatieve optimaten. En uiteindelijk, onhandig als hij was en zonder politiek overlevingsinstinct, werd hij er het slachtoffer van. Pas toen het einde onafwendbaar was, vatte Cicero eindelijk moed. Onbewogen stak hij zijn hoofd uit de draagstoel zodat hij onthoofd kon worden door de soldaten van Marcus Antonius; de laatste eiste zijn leven als prijs voor het vitriool dat Cicero hem vanaf het spreekgestoelte had toegeworpen. „Behalve zijn dood droeg Cicero geen enkele ramp die hem overkwam op een manier die een man waardig is”, meende Livius, „een dood die bovendien niet geheel onverdiend leek, aangezien hij onderging wat hij zonder enige twijfel zelf zijn tegenstanders zou hebben aangedaan.” Hoofd en handen (waarmee Italianen zoals bekend spreken) werden aan de rostra bevestigd, maar niet dan nadat het hoofd nog even langs de toenmalige echtgenote van Marcus Antonius gebracht was, die zijn dode tong met haar zilveren haarspeld doorstak.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews