Van een muziekopleiding gestuurd, depressief bij zijn moeder in de kelder gezeten: het zag er niet naar uit dat zanger Tyler Perry een succes zou worden. Totdat een producer tien seconden van zijn stem hoorde op Instagram.
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
Wat als zanger Tyler Perry op een avond in een ranzig kroegje niet was ingegaan op een verzoek van een wat aangeschoten stel om het liedje Crying van Roy Orbison te zingen? Was hij nu dan ook onderweg geweest van Tulsa naar Denver om ergens in Kansas beeldscherminterviews te geven over zijn debuutalbum? Had hij dat album, For The First Time, Again, eigenlijk wel kunnen maken? En zou hij dan nu ook als Tyler Ballgame met een zeskoppige band door de Verenigde Staten touren voor een eerste grote tournee, die hem ook naar Europa brengt?
Het zijn vragen waar Tyler Perry (34) de laatste tijd veel over nadenkt. Maar ergens weet hij wel zéker dat het liedje Crying van Roy Orbison een belangrijke sleutel was tot zijn toch wat late succes. ‘Ik heb mijn hele leven gezongen en muziek maken was eigenlijk het enige wat ik wilde, maar zonder dit verzoekje was ik mogelijk altijd die wat schuchtere zanger van introverte liedjes gebleven.’
Niet dat hij ontevreden was met die status. Er waren in en rond Rhode Island genoeg kroegjes en andere kleine podia waar mensen even naar zijn fluisterzachte popliedjes wilden luisteren. En echt vervelend vond hij het vooruitzicht om zijn hele leven overdag simpele baantjes te doen eigenlijk niet. Zolang hij ’s avonds maar muziek kon blijven maken.
En als de sfeer bij zo’n optreden met gitaar in de hand goed was, wilde hij best verzoekjes doen. Maar dat Crying, met die hoge vibrato, hem zo makkelijk afging, verbaasde hem toch een beetje. En niet alleen hem. Perry kreeg in Rhode Island en omstreken de naam van de man die zo goed Roy Orbison kon nadoen. Plots stroomden de kroegen voller als Tyler Perry werd aangekondigd.
Maar toen sloeg ook aan de Amerikaanse oostkust corona toe en zag de nog geen 30-jarige liedjeszanger ieder perspectief om iets van zijn leven te maken, verdwijnen. ‘Zeg maar gerust dat ik in een depressie raakte. Ik woonde in de kelder bij mijn moeder en kwam nauwelijks buiten. Een beetje blowen, meer deed ik niet. Toen de wereld weer een beetje normaliseerde, stelde mijn stiefvader me voor op zijn kantoor te komen werken. Suf werk, dat wel, maar ik kreeg betaald, kon sparen en ging ’s avonds weer muziek maken.’
Best een mooi leven zo, stelde Perry vast. Dat veranderde toen hij op een dag naar zijn beeldscherm keek, een beetje dagdromend over wat hij met zijn spaargeld ging doen, en een advertentie zag. Een vastgoedbedrijf in Los Angeles zocht mensen. Hij stuurde een mailtje, kreeg binnen een uur antwoord en voerde een paar gesprekken. ‘Of ik over twee weken kon beginnen. Natuurlijk kon ik dat.’
Los Angeles, de stad van zijn muzikale helden Randy Newman, Harry Nilsson, Joni Mitchell, lonkte. ‘Die zon en dat Californische licht, alles ademde de muziek van Joni, de Eagles en The Doors. Hier moest ik wezen. Met mijn werkkleren nog aan ging ik ’s avonds naar open mic-avonden en ook hier maakte ik naam als die vreemde jongen die zo goed Roy Orbison kon nadoen.’
Prima leven zo, en Perry maakte zich juist door een gebrek aan ambitie geliefd op zijn werk. ‘Mocht ik carrièreplannen gehad hebben, dan lagen die in de muziek, dus ik was op de zaak voor niemand een concurrent.’ Met zijn muziek ging het snel crescendo. Hij zette korte filmpjes op Instagram en Jonathan Rado, producer van onder meer The Killers en Miley Cyrus, zag die voorbijkomen.
Perry: ‘Your voice sounds crazy’, zei hij op basis van tien seconden op Instagram. ‘Kom bij me langs, dan gaan we jammen.’ Een week later hadden we plannen om een plaat te maken.’
Rado had met grote artiesten gewerkt, maar was in zijn hart altijd een indie-kid gebleven, die met zijn eigen band Foxygen ook een aardige reputatie had opgebouwd. ‘Hij kende iedereen die in LA muziek wilde maken en van dat netwerk maakte ik gretig gebruik. Eindelijk kwam alles eruit wat ik al jaren vanbinnen had opgebouwd. Ik was te bescheiden geweest, vond Jonathan. Er zat zoveel talent in me dat maar een beetje lag te verstoffen. Doodzonde, zei hij.’
Ergens wist Perry dat ook. ‘Vanaf mijn 8ste werd ik op school al geselecteerd voor zanggroepjes. Ik deed het goed op de muziekscholen waar mijn moeder me naartoe heeft gestuurd. Zij was zelf klassiek onderlegd en ze hoorde in mij kwaliteiten waarvan ik zelf niet wist dat ik ze had.’
Tyler Perry kreeg zelfs een beurs voor de prestigieuze Berklee College of Music in Boston. ‘Ach, zoveel hoef je daarvoor niet te kunnen, hoor’, relativeert hij zijn verblijf op een van de belangrijkste Amerikaanse muziekopleidingen. ‘Zeker niet als je de richtingen ‘stem’ en ‘songschrijven’ kiest. Je moet hooguit bereidheid tonen liedjes te schrijven, nou dat was geen probleem. Voor de rest lag ik een beetje te blowen met vriendjes in het park, en spijbelde ik tijdens het zoveelste college jazztheorie.’
Toen zijn beurs wegens slechte prestaties na een jaartje ophield, nam Perry wel iets mee dat hem later nog van pas kwam: een loepzuivere stem met een bereik van meerdere octaven.
‘Op Berklee leerden we goed belcanto zingen, iets wat ik uit mezelf nooit gedaan had. Ik vond dat overdreven gedoe, en hield ook niet van opera. Ik was er best goed in, maar had niet het idee dat ik er later nog wat aan kon hebben.’
Tot het moment dus kwam, zo rond 2018, dat Tyler Perry het verzoek kreeg om Crying van Roy Orbison te zingen. ‘Roys bereik ging wel over drie octaven, en het kostte me gek genoeg geen enkele moeite die hoge noten te halen. Dat had ik toch maar mooi geleerd op Berklee.’
Maar moest hij zelf niet wat meer doen met dit bijzondere talent en enorme stembereik? Die vraag begon te knagen. Zijn eigen liedjes waren allemaal nogal ingetogen, misschien zelfs wat vlak. Als hij even zijn stem liet galmen als die van de ‘Big O’, raakte het publiek in vervoering.
Dus begon hij in nieuwe liedjes meer ruimte in te bouwen voor krachtige stemuithalen, precies wat Jonathan Rado zo bijzonder vond toen hij tien seconden van hem hoorde.
‘Het kostte me eerst nog wat moeite, omdat ik vooral liedjes schreef die dicht bij mezelf bleven, daar paste mijn fluisterzang het beste bij. Maar, zei Jonathan, je kunt ook een ander personage worden en liedjes zingen die niet per se over jezelf gaan.
‘En zo kwamen we op Tyler Ballgame, een soort alter ego. Het is misschien raar, maar toen ik die naam had, durfde ik meer los te gaan en me ook op het podium ongeremder te gedragen. Ik begreep ineens ook veel beter waarom iemand als David Bowie pas echt liet zien hoe goed hij was toen hij zich als Ziggy Stardust presenteerde. Door een masker op te zetten, kun je misschien juist meer van jezelf laten zien.’
De Tyler Ballgame zoals die zich in LA ontwikkelde, horen we terug op zijn eerste album. Mooi verzorgde, melodieuze liedjes, gezongen met een stem die je steeds even optilt naar extase zodra hij naar de hogere registers schiet. Iemand als Jeff Buckley kon dat ook, en natuurlijk Roy Orbison. ‘Ja, ik denk dat je Roy misschien iets te veel terughoort op For The First Time, Again. Maar het is nog maar mijn eerste album. Tyler Ballgame heeft op de opvolger al meer zijn eigen stem gevonden. Ja, dat tweede album is al klaar. Kom maar kijken als ik bij jullie kom spelen, dan kun je er al wat van horen.’
Tyler Ballgame, For The First Time, Again. (Rough Trade/Konkurrent).
Tyler Ballgame speelt 16/4 in Paradiso, Amsterdam en 17/4 op het Motel Mozaïque Festival in Rotterdam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant