Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant
Ik heb tennisles. Verspilde moeite. Het is water naar de zee dragen. (Een overigens onderschatte activiteit, ik zou maar wat graag, in plaats van dit stukje op te diepen uit mijn tenen, met een emmer water op weg zijn naar het strand.)
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Waarschijnlijk ben ik te fanatiek, namelijk zozeer dat ik bij iedere bal die ik sla besef dat Sinner en Alcaraz buiten mijn bereik liggen. Je kan brandende ambitie ook te acuut blussen in een ‘stukje realisme’ dat iedere topsporter nodig heeft. (Maak bijvoorbeeld, is mijn tip, eerst je slag helemaal af.)
Tja. Het alternatief is dat je wordt zoals Hugo, een jongen in mijn lesgroepje. Om te beginnen is hij altijd ‘op de club’ – in ieder geval als ik er ben. Kan betekenen dat Hugo mij net zozeer als een meubelstuk ervaart, omdat we toevallig altijd tegelijk gaan tennissen, en verder nooit. Kom je niet uit, natuurwetenschappelijk.
Maar ook als mijn vriendin Jet op de club is, ziet ze Hugo. Mogelijk is er een moment in aantocht dat we ‘op de club’ aankomen en de club helemaal verdwenen blijkt, opgelost in het niets; voor zover de blik reikt zand en kiezels, maar te midden van deze kaalslag: Hugo.
‘Je bedoelt dat Hugo er vaker is dan de club?’
Ik steek mijn duim op. Samen filosoferen, wie zegt het ons na?
Wat ik ook opmerkelijk vind aan Hugo, die je dus met geen ballenkanon van de club krijgt, is dat toptennis hem niet interesseert. Een paar weken geleden deden Paul Haarhuis, Jan Siemerink (Knielen op een bed gravel) en nota bene Richard Krajicek onze club aan voor een demonstratiepartij. Dat moest ik meemaken.
En geweldig was het – met name die Haarhuis! 60 jaar, pezig als een trapezewerker, zonder een traantje te wenen brak hij onze topspelers in de knop, sterker: hij entertainde ondertussen het publiek, ‘kom op Rik,’ bulderde hij naar de toeschouwers, ‘sneller instappen, je moeder zit op de tribune.’ en ‘zagen jullie me naar links kijken en naar rechts spelen? Rik niet!’ en ‘klop krijgen van een zestiger, Rik hoe voelt dat?’ – dit alles tijdens rally’s die Rik met een rood aangelopen hoofd tot een behoorlijk einde probeerde te brengen.
Hugo was die middag uiteraard op de club. Maar op een baantje achteraf – hij wilde liever zelf spelen. Toen we tijdens de les napraatten over de leuke middag, stond hij er ongeduldig bij. Bijna trots verkondigde hij nooit van Haarhuis te hebben gehoord, en ook niet van ene ‘de Kraaij’, zoals we Krajicek liefkozend noemden. ‘Is dat een Poolse voetballer?’ vroeg hij lachend.
Mooi ventje, Hugo. Ik zou liever Hugo zijn dan mezelf. Ik som zo alle nummers-één van de wereld sinds 1969 voor je op, maar een bal verwoestend afsmashen, ho maar. Daarvoor moet je bij Hugo zijn. Dat wil ik gezegd hebben.
Ook goed aan Hugo is dat hij een eigen ballenkanon heeft gekocht. Vertelde hij onlangs. Kostte een rug. Ik neem aan voor ’s nachts, als hij alleen op de club is. Hugo heeft sowieso de meest geavanceerde gadgets, schoenen die zijn sprintsnelheid bijhouden, gripchips in zijn racket, etc.
Nog nieuwe snufjes, vragen we hem weleens voor de les, en laatst knikte hij bezorgd en hield zijn racket omhoog; het zou gaan fluiten als hij een bal met topspin sloeg. Hij had het ding inmiddels een maand, maar het had nog nooit gefloten.
‘Kan twee dingen betekenen’, zei Hugo. En geen leuke dingen, stond te lezen op zijn gezicht.
‘Geef eens,’ zei onze trainer.
Bij de eerste harde forehand die hij sloeg, hoorden we een helder fluitje.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.