Home

‘Tegen de oorlog zijn, voelt in Israël als buiten de groep treden’

Demonstraties in Israël Terwijl een overweldigende meerderheid van de Israëliërs zich achter het optreden van de strijdkrachten schaart, gaat een bescheiden maar groeiende groep demonstranten de straat op om tegen de oorlogen en de regering te demonstreren.

Demonstranten verbeelden premier Netanyahu en extreemrechtse politici op een demonstratie op 11 april in Tel Aviv.

„Eeuwige oorlog”, staat op een stomende pan, die wordt gedragen door een in knaloranje gevangenisoverall gehulde man met een masker op van de Israëlische premier Benjamin Netanyahu. Al een paar weken gaan op sociale media foto’s en video’s rond van deze gemaskerde activisten in Tel Aviv, steeds met een andere boodschap, zoals „oorlog is een troef”. Afgelopen zaterdag stond in witte letters op het bord: „gevoed door de dood”.

Om de man heen staan andere gemaskerde demonstranten, verkleed als Magere Hein met een zeis in de hand, is te zien op de beelden. Hun gezichten worden bedekt met maskers van extreemrechtse Israëlische politici. Om hun nek hangen naamplaatjes van extreemrechtse ministers en politici.

Sinds zes weken gaan Israëliërs op zaterdag in het culturele hart van Tel Aviv de straat op om te demonstreren tegen de oorlog. Op het Habima-plein,verzamelden zich volgens Israëlische media zo’n tweeduizend demonstranten, terwijl er gelijktijdig werd gedemonstreerd in Jeruzalem, Haifa en Beër Sjeva. Terwijl de demonstranten zich allen tegen de huidige oorlog met Iran en Libanon keren, lopen hun verdere eisen uiteen: sommigen demonstreren tegen de regering, anderen willen gerechtigheid voor Gaza, weer anderen spreken zich uit tegen het geweld tegen Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever.

Begin maart, drie dagen na het begin van de Israëlisch-Amerikaanse aanvallen op Iran, stonden er volgens aanwezige demonstranten amper twintig mensen op datzelfde plein tegen de oorlog te demonstreren. De politie arresteerde destijds één van hen en dreef de rest uiteen. Het aantal demonstranten groeide sindsdien snel, al zijn het nog steeds bescheiden aantallen voor een land met ruim negen miljoen inwoners – die zich grotendeels achter de oorlog hebben geschaard.

De anti-oorlogsbeweging vertegenwoordigt een kleine minderheid. Volgens maandag gepubliceerde cijfers van denktank Israel Democracy Institute vindt 80 procent van de Joodse Israëliërs dat Israël de gevechten in Libanon tegen Hezbollah moet voortzetten, ongeacht de ontwikkelingen rond Iran en zelfs als dit tot wrijving met Washington leidt.

Een overgrote meerderheid van de Joodse Israëliërs, 92 procent, beoordeelt het optreden van de strijdkrachten positief. Van de Arabische burgers van Israël – ongeveer een vijfde van de bevolking – geeft ongeveer een derde de strijdkrachten een hoge waardering; 10 procent beoordeelt het regeringsoptreden positief.

Demonstraties tegen de Israëlische oorlog in Tel Aviv op 4 en 11 april.

‘Wat hier gebeurt voelt dystopisch’

„Toen de oorlog tegen Iran begon, kwam alles tot stilstand: scholen, werk, er kwamen beperkingen op het openbaar vervoer en op openbare bijeenkomsten”, vertelt de 21-jarige activist Kedem Shpatz aan de telefoon. Dat maakte het volgens haar moeilijk om een beweging op gang te brengen. „Net als onze strijd tegen de rampzalige doodstrafwet. Daar hebben we nu nog maar één keer voor de Knesset in Jeruzalem tegen gedemonstreerd”. Shpatz refereert aan de recent aangenomen wet die het mogelijk maakt de doodstraf op te leggen aan Palestijnen die veroordeeld zijn voor dodelijke terroristische aanslagen. „Maar de wet is net pas aangenomen, en het kost tijd om een beweging op te bouwen”.

Volgens Shpatz trekt demonstreren tegen de doodstrafwet de ‘mainstream’ activisten en linkse partijen niet aan. „Diezelfde partijen, met uitzondering van de Arabische, verzetten zich ook niet tegen de huidige oorlog, waar overweldigende steun voor is. We krijgen altijd te horen dat nergens geld voor is, niet voor huisvesting, niet voor kinderopvang, niet voor daklozen. Maar er is op de een of andere manier altijd geld voor oorlog”.

De Israëlische econoom en activist Zohar Yanovich (42) woont normaal gesproken in Nederland. Voor de bar mitswa van een neefje bezocht hij vlak voor het begin van de oorlog zijn vaderland, waar hij sindsdien wekelijks demonstreert. Nadat zijn vlucht werd geannuleerd bleef hij om twee redenen: om niet te worden verweten weg te vluchten als het moeilijk wordt, maar ook om beter te begrijpen hoe de oorlogssituatie wordt beleefd. „Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen, maar wat hier gebeurt voelt dystopisch.”

Yanovich somt de noodmaatregelen en oorlogen op sinds de lockdowns van de coronapandemie in 2020. „Mensen hier begrijpen niet dat deze situatie niet normaal is, want ze leven er constant in”. „Ken je de anekdote van David Foster Wallace over de vissen?” vraagt Yanovich aan de telefoon. Hij citeert: „Twee jonge vissen zwemmen langs een oudere vis. De oudere vis vraagt aan hen hoe het water is, waarop de jonge vissen naar elkaar kijken en zeggen: wat is water? Dat is wat er in Israël gebeurt”.

Op zijn achttiende diende Yanovich in de strijdkrachten, net zoals de meesten van zijn generatie. „Ik ben groot geworden met dezelfde taal van existentiële dreiging en morele vijanden die het denken van iedereen hier nu bepaalt”, zegt hij. Voor hem gaat twijfelen aan de oorlog veel verder dan een meningsverschil over een beleidsonderwerp. „Het voelt als buiten de groep treden”.

Tijdens gesprekken met familie of vrienden stuit hij op berusting. „Er is geen andere manier”, zeggen ze dan vol overtuiging tegen hem. „Alsof de oorlog een natuurverschijnsel is waar je je bij neerlegt, en niet iets wat mensen hebben veroorzaakt en mensen kunnen veranderen. We kunnen de straat op!”. En dat deed hij de afgelopen weken keer op keer. „Afgelopen zaterdag verliep de demonstratie rustiger dan vorige week”, zegt Yanovich.

Selectieve handhaving

Op 4 april demonstreerden zo’n duizend mensen vreedzaam op hetzelfde plein in Tel Aviv. Het Hooggerechtshof had de politie verplicht de demonstraties door te laten gaan, en stelde expliciet dat het recht op protest ook geldt in oorlogstijd. De rechters wezen erop dat de politie noodregels die openbare bijeenkomsten beperkten selectief handhaafde; streng tegen demonstranten, maar niet tegen andere samenkomsten.

Minister van Justitie Yariv Levin noemde de rechters „onverantwoordelijk” en beschuldigde hen ervan het leven van demonstranten in gevaar te brengen. Hij riep het veiligheidskabinet op de rechterlijke uitspraak te negeren. Premier Netanyahu schreef op X dat hij het „ongelooflijk” vond dat een „linkse demonstratie” was goedgekeurd terwijl het gebed bij de Klaagmuur werd beperkt vanwege de oorlog. Vooral tijdens Pesach golden er beperkingen op het aantal gelovigen dat bij de Klaagmuur mocht bidden.

De demonstranten worden niet alleen door de politie en politici tegengewerkt. Afgelopen zaterdag verzamelden zich na afloop van het protest een groep gemaskerde extreemrechtse activisten bij de woning van Alon-Lee Green, een vooraanstaand lid van de protestbeweging. Ze probeerden zijn woning binnen te dringen, waarna Green voor de derde keer aangifte deed tegen de groep, die vaak naar linkse demonstraties gaat.

„De politie ging heel hardhandig te werk,” zegt activist Nadav Oren (20) over de demonstratie op 4 april in Tel Aviv. Oren dient vanwege zijn pacifistische overtuigingen niet in het leger, maar heeft in plaats daarvan een maatschappelijke diensttijd geregeld. „Zij bleven ons wegduwen, wij bleven terugkomen. Op een gegeven moment zag ik hoe een demonstrant uit de menigte werd geplukt en door de politie werd achtervolgd om te worden gearresteerd. Dat was onrechtmatig. Toen ik me daarover uitsprak, was ik aan de beurt”.

Nadav Oren (20) wordt gearresteerd en door de Israëlische politie naar een bus geleid. Tijdens het lopen roept Oren: "alleen vrede zal veiligheid brengen".

Terwijl Oren naar een politiebus werd geleid, riepen andere demonstranten „schande” naar de agenten. Eenmaal in de arrestantenbus klonken alarmen uit telefoons: binnen tien minuten zouden er raketten van de Houthi’s in Jemen neerkomen. „Wij riepen de agenten dat ze ons geboeid naar de schuilkelder moesten brengen. Dat weigerden ze.”

Onder het Habimaplein waar de demonstraties worden gehouden, is een parkeergarage van vier verdiepingen, die ook dienst kan doen als schuilkelder voor tweeduizend mensen.

De arrestanten werden niet daarheen gebracht, maar de hal van een kantoorgebouw ingeloodst, zoals ook op videobeelden te zien is. „Een gebouw vol ramen. Glas maakt een schuilplaats onveilig. Daar brachten ze ons heen om ons ‘veilig te houden’. Als er raketscherven waren neergekomen, had dat ons verwond. De meeste gearresteerde mensen waren bang, er zaten ook ouderen tussen.”

Oren: „Ik voelde vooral woede. De politie beweerde dat de demonstraties moest worden gestopt voor onze veiligheid, maar ze bracht ons juist in gevaar. Daarna werden we naar het politiebureau gebracht. En verrassing, we werden na een paar uur vrijgelaten zonder te worden ondervraagd, omdat we niks verkeerds hadden gedaan”.

Volgens de politie werd de betoging ontbonden omdat het aantal demonstranten de rechterlijke limiet overschreed, wat een „reëel gevaar voor mensenlevens” vormde. Volgens de politie had de krijgsmacht het besluit goedgekeurd. Die lezing werd al snel tegengesproken, de krijgsmacht verklaarde dat „het besluit uitsluitend door de politie was genomen”. Ze benadrukten bovendien dat de richtlijnen om burgers te beschermen in oorlogstijd „niet bedoeld zijn om selectief te worden toegepast”. Over het busincident stelde de politie dat agenten de gedetineerden juist naar een „veiligere locatie” hadden gebracht.

Voor komende zaterdag zijn demonstraties „in het hele land” aangekondigd.

Midden-Oosten

Lees meer

Lees meer

Midden-Oosten

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next