Home

Het is slim om de brandstofaccijnzen niet te verlagen, concludeert het CPB. Maar samenwerking met andere landen is dan wel cruciaal

Energiecrisis Stijgende inflatie, afnemende economische groei en dalende koopkracht: de analyse van het CPB over de gevolgen van de energiecrisis, is niet mals. Dat vooralsnog een kleine groep Nederlanders hard geraakt wordt, maakt gericht beleid optuigen lastig.

Een winkel van Albert Heijn. Door gestegen energieprijzen worden veel producten duurder.

Landen in de Europese Unie, werk alsjeblieft samen om de economische schok het hoofd te bieden die de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran veroorzaakt. Die oproep doet het Centraal Planbureau donderdag in een analyse van de economische impact van de hogere energieprijzen.

Sinds de oorlog nemen landen vooral nationale steunmaatregelen. Zo besloot buurland Duitsland de brandstofaccijns tijdelijk te verlagen, net als een handvol andere Europese landen. Nederland werkt aan een gerichter steunpakket. Die maatregelen lekten deze week al deels uit. Het kabinet wil onder meer de motorrijtuigenbelasting voor bedrijfsauto’s verlagen en trekt geld uit voor een energienoodfonds voor de armste huishoudens. In het Nederlandse pakket zit naar verwachting géén accijnsverlaging.

Het Centraal Planbureau wijst op het gevaar dat ieder land voor zich gaat, waardoor een ‘een ongelijk speelveld’ kan ontstaan. Dat is gevaarlijk voor de concurrentiepositie van bedrijven. 

Kleine groep hard geraakt

Het is verstandig om accijnzen niet te verlagen, zei planbureaudirecteur Pieter Hasekamp van het CPB donderdag bij de presentatie van de analyse. Het is namelijk maar een kleine groep die volgens het planbureau hard geraakt wordt door deze crisis. Hén kun je helpen met tijdelijke, gerichte en snelle maatregelen.

Daarbij geldt wel: als de prijzen structureel hoger blijven, kan de overheid inkomens niet blijven steunen. Dan zijn maatregelen die huishoudens en bedrijven helpen om minder afhankelijk te worden van geïmporteerde en fossiele energie nodig. Denk aan het stimuleren van de koop van elektrische auto’s en het isoleren van woningen.

Accijnsverlagingen zijn duur en ongericht, maar als buurlanden die wél doorvoeren, maakt dat Nederlandse keuzes vanwege grote prijsverschillen aan de pomp ingewikkelder, ziet Hasekamp. Vandaar de oproep van het planbureau om steunpakketten te coördineren.

Drie scenario’s

Het Centraal Planbureau beschrijft in drie scenario’s de impact van de oorlog op de Nederlandse economie. Eén scenario gaat uit van de huidige verwachtingen van de financiële markt, in een ander zijn de energieprijzen tijdelijk hoger en in een nog ernstiger scenario houdt de crisis langer aan.

Economische groei neemt af

De inflatie loopt in het meest gunstige scenario op tot bijna 4 procent in 2026, en wordt naar verwachting hoger dan 5 procent in de slechtere scenario’s. Dat ligt boven de volgens centrale banken gezond geachte 2 procent. Voor volgend jaar loopt de verwachting in de verschillende scenario’s meer uiteen tussen iets minder dan 2 tot meer dan 3 procent. 

De groei van de Nederlandse economie neemt door de oplopende energieprijzen volgens het Centraal Planbureau in alle gevallen af. Hoe langer de oorlog duurt, hoe ernstiger die groei afneemt tot een groei van nagenoeg nul in 2027 in het somberste scenario.

Dat heeft gevolgen voor wat Nederlanders kunnen besteden. In maart was de verwachting nog dat de koopkracht met 1,4 procent zou stijgen. In het beste geval verwacht het Centraal Planbureau nu dat de koopkracht gelijk blijft aan afgelopen jaar. Het is ook goed mogelijk dat de koopkracht dit jaar afneemt. Voor 2027 verwacht het CPB dat werknemers met succes hogere lonen zullen eisen vanwege de oplopende kosten door de inflatie. Daardoor wordt de pijn volgend jaar verzacht.

Bedrijven

Ook Nederlandse bedrijven voelen de gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, al blijft de pijn overzichtelijk. Verreweg de meeste import uit de Golfregio draait om olie en olieproducten. Het CPB verwacht dat energie-intensieve sectoren, zoals chemische bedrijven en raffinaderijen, hun hogere kosten gemakkelijk kunnen doorberekenen aan hun klanten. Anders dan in 2022, toen Europa te maken had met het wegvallen van Russisch gas, is dit een mondiale crisis, wat betekent dat de concurrentiepositie van Europese bedrijven minder in gevaar is. Álle bedrijven hebben last van deze crisis.

Nederlandse bedrijven voeren ook producten als aluminiumkabels, machines en smartphones in uit de Golfregio, volgens het CPB waarschijnlijk doorvoer, vaak om ze weer door te verkopen. Dit soort bedrijven in de groot- en detailhandel kunnen kwetsbaar zijn. Zij hebben minder handelspartners dan grotere bedrijven en zijn minder goed in staat alternatieve exporteurs te vinden. 

Toch is Nederland voor dit soort producten over het algemeen maar beperkt afhankelijk van de Golfregio: vaak zijn er wel alternatieve leveranciers, ziet het CPB. Wel kan de wereldwijde schaarste de prijs van deze producten opdrijven. 

Autogebruikers met laag inkomen

Bij wie komen de klappen van de oorlog het hardst aan? Voor mensen met een laag inkomen die de auto véél gebruiken zijn de huidige brandstofprijzen direct merkbaar. Het CPB nuanceert: lang niet iedereen met een laag inkomen heeft een auto. Van de 775.000 Nederlanders met een inkomen van hooguit 10 procent boven de armoedegrens, heeft een derde een auto.

Zij geven dit jaar – als de prijsstijgingen beperkt blijven – gemiddeld 200 euro meer uit aan brandstof. Dat is 17 euro per maand. In 2027 worden die jaarlijkse extra kosten op 130 euro geschat. Maar binnen die groep zijn er grote verschillen. Sommige mensen, die veel gebruik (moeten) maken van de auto, betalen in het meest gunstige scenario naar verwachting wel 700 euro meer dit jaar.

Mocht de verstoring van wereldwijde energiemarkten nog langer aanhouden, waar het CPB rekening mee houdt in het ernstigste scenario, dan betalen Nederlanders met een inkomen rondom de armoedegrens gemiddeld 300 of 325 euro meer in 2026. De prijsstijgingen aan de pomp komen voor deze groep Nederlanders neer op 1 tot 1,5 procent van hun besteedbare inkomen aan extra uitgaven. Nederlanders die de auto bovengemiddeld gebruiken en een zeer laag inkomen hebben kunnen in de twee scenario’s die uitgaan van een langdurig conflict te maken krijgen met tot 1.250 euro extra brandstofkosten per jaar.

Doordat in de groepen met lagere inkomens grote verschillen zitten, is het lastig gericht beleid op te tuigen om specifiek de groep met de grootste problemen te helpen, ziet ook het Centraal Planbureau. Die lastige taak heeft het kabinet de komende tijd.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next