Home

Opinie: Het stevige pleidooi voor evidence-informed werken in het onderwijs is misplaatst

Het wettelijk afdwingen van evidence-informed werken vormt een onverantwoorde inperking van de vrijheid van onderwijs. Pedagogische en levensbeschouwelijke diversiteit is juist een cruciale voorwaarde voor onderwijskwaliteit.

De roep om ‘evidence-informed werken’ in het onderwijs klinkt steeds luider. En David Roelofs schreeuwde deze week in zijn opiniebijdrage mee. Zijn argumentatie volgt een bekend patroon uit eerdere betogen van gelijkgestemden: romantische pedagogen zouden met hun pretpedagogiek verantwoordelijk zijn voor de dalende onderwijskwaliteit. Dat hier geen enkele ‘evidence’ voor is, heeft Barend Last in zijn reactie overtuigend laten zien. Wat onderbelicht blijft, is de wens van Roelofs en gelijkgestemden om evidence-informed werken wettelijk af te dwingen.

Er ligt inmiddels een wetsvoorstel dat deze benadering wil opnemen als deugdelijkheidseis. Dat klinkt rationeel en verstandig. Het idee appelleert ook aan een breed gedeeld verlangen naar kwaliteit en zekerheid. Toch is het een fundamentele vergissing. Het wettelijk afdwingen van evidence-informed werken vormt namelijk een onverantwoorde inperking van de vrijheid van onderwijs. De wetenschappelijke kennisbasis is te wankel en pedagogische vrijheid is juist een cruciale voorwaarde voor onderwijskwaliteit.

Over de auteur

Symen van der Zee is lector Vernieuwend Onderwijs bij Saxion University of Applied Sciences.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Geen consensus over goed onderwijs

De vrijheid van onderwijs, vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet, is een bewuste keuze om ruimte te laten voor pedagogische en levensbeschouwelijke diversiteit. De overheid mag kwaliteit bewaken via deugdelijkheidseisen, maar moet daarbij steeds de vrijheid van scholen in ogenschouw nemen. Juist daarom is artikel 23 open geformuleerd: omdat er geen consensus bestaat over wat goed onderwijs is en omdat kwaliteit nooit volledig objectief of waardevrij kan worden vastgesteld.

Het probleem met evidence-informed werken als wettelijke norm is dat het suggereert dat die consensus er wél is. Dat ‘de evidence’ zou laten zien wat werkt, los van visie, waarden en onderwijsdoelen. De stellingname van Roelofs dat ‘we weten hoe leren werkt’, houdt dan ook geen stand. Allereerst is de kennis uit onderwijsonderzoek helemaal niet zo stevig. Het onderzoek kent forse methodologische beperkingen. Veel kennis is niet repliceerbaar, de resultaten niet eens reproduceerbaar en zelfs meta-analyses voldoen vaak niet aan basale kwaliteitseisen. Daar komt bij dat effectgroottes klein zijn en sterk variëren. Wat in het ene geval en in de ene context lijkt te werken, werkt in het andere geval en in een andere context niet.

Meetbare leerprestaties

Ook is de kennis over onderwijseffectiviteit gestoeld op een smalle kijk op onderwijskwaliteit. Het is opgedaan binnen het klassikale, leerkracht-gestuurde model van onderwijs en bijgevolg bevooroordeeld richting traditioneel onderwijs. Daarbij wordt haast alleen naar gemakkelijk meetbare leerprestaties in taal en rekenen gekeken. Wat niet eenvoudig, eenduidig te meten is, telt niet mee. Wil Roelofs serieus beweren dat we weten wat voor de persoonswording van leerlingen werkt?

Daarnaast levert het verplicht stellen van evidence-informed werken logische problemen op. Zo zijn er meerdere grootschalige metastudies die aantonen dat Montessori-onderwijs effectief is. Moeten alle scholen dan de Montessori-aanpak hanteren? Een ander logisch probleem is dat er geen evidentie is dat evidence informed werken ‘werkt’. Er is geen stevig bewijs dat scholen die evidence-informed werken het beter doen dan scholen die evidence niet benutten. En er is ook geen bewijs dat het verplicht stellen van evidence-informed werken ‘werkt’.

Internationaal vergelijkend onderzoek suggereert eerder het tegenovergestelde. In landen waar minder centrale regie is en scholen meer autonomie hebben, zijn de leerprestaties beter. Waarom laten Roelofs en andere gelijkgestemden deze evidence links liggen?

Dit alles betekent niet dat effectonderzoek onbelangrijk is. Onderwijsonderzoek kan informeren, inspireren, uitdagen en helpen reflecteren op de praktijk. Maar inspireren en informeren is iets anders dan er een deugdelijkheidseis van te maken. Zodra ‘evidence’ een wettelijke eis wordt, kan zij eenvoudig van hulpmiddel in dwangmiddel veranderen. Dan wordt afwijking een risico en vernieuwing verdacht. In de praktijk zal evidence informed werken dan normerend en conserverend gaan werken: het legitimeert het bestaande, maakt experimenteren risicovol en heeft een uniformerende werking.

Werk aan de winkel

Dat er werk aan de winkel is in het onderwijs, staat duidelijk in De Staat van het Onderwijs van de Inspectie. Evidence-informed werken tot deugdelijkheidseis te verheffen is echter onverstandig. Niet alleen omdat de wetenschappelijke basis daarvoor te onzeker is, maar vooral omdat het de pedagogische vrijheid aantast die nodig is voor goed onderwijs. Juist in een democratische samenleving moeten verschillende opvattingen over opvoeding en vorming naast elkaar kunnen bestaan. Vrijheid is geen obstakel voor kwaliteit, maar een cruciale voorwaarde ervoor.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next