Lambros Babalidis kwam in de jaren zestig als jonge Griek naar Rotterdam. Terwijl hij zich opwerkte tot scheepsinspecteur, bleef hij zich ook inzetten voor zijn thuisland. ‘We hielden hongerstakingen voor de ambassade en riepen toeristen op om Griekenland te boycotten.’
is journalist van de Volkskrant en schrijft over cultuur en maatschappij.
Het eerste wat Lambros Babalidis (86) kwijt wil, zodra hij is neergezakt op de bank in zijn flat in het Rotterdamse IJsselmonde: ‘Ik ben in mijn leven minstens tweeduizend keer met de dood bedreigd.’
Zijn vrouw Antonet (79) is met een roman in de leesstoel bij het raam gaan zitten. Zonder op te kijken werpt ze haar man af en toe een naam of Nederlands woord toe waar de geboren Griek even niet op kan komen. Naar krachttermen daarentegen hoeft hij niet te zoeken.
In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?
Door wie bent u met de dood bedreigd?
‘Door wie niet, godverdomme! Ik ben vijftien jaar inspecteur geweest in de Rotterdamse haven. Mijn taak was om schepen te inspecteren op veiligheid en leefomstandigheden. Veel reders waren corrupt. Ze kochten afgeschreven schepen en lapten gaten in het dek provisorisch op met wat cement en verf. Zo stuurden reders goedkope schepen op zee, en als het misging konden ze tientallen miljoenen aan verzekeringsgeld opstrijken. Ze boden me tienduizenden dollars aan om mijn ogen te sluiten voor die drijvende doodskisten en een handtekening te zetten. ‘Iedereen heeft een prijs’, werd er tegen me gezegd. ‘Mijn prijs’, zei ik dan, ‘is het leven van de bemanning en hun vrouwen en kinderen. Betaal dát maar.’
‘Daarna kwamen de doodsbedreigingen. De reders waren zo machtig in de haven dat ze de Nederlandse politie lieten aanrukken om mij te arresteren en zo mijn inspecties te dwarsbomen. Antonet kreeg dreigtelefoontjes thuis. Ze hoorde vreemde geluiden aan de andere kant van de lijn, of het bleef juist stil. Maar zij was net zo koel als ik.’
Antonet, vanachter haar boek: ‘Ik zei tegen die kerels dat ik ze wist te vinden als er iets met Lambros zou gebeuren en hing dan op.’
Hoe hield u dat vol?
Lambros: ‘Ik lag ’s nachts in mijn bed vaak te schudden van de stress. Maar ik zwichtte nooit. Kijk, ik heb al jong in Griekenland begrepen hoe de wereld werkt. Alle macht ligt bij de mensen met geld. Maar ik weiger een marionet te zijn in hun spel.’
Hoe was uw leven in Griekenland voordat u vertrok?
‘Ik groeide op in Thessaloniki, een grote havenstad. Mijn vader werkte in een tabaksfabriek. Mijn ouders waren analfabeten en te arm om mijn schoolboeken te betalen. De leraar noemde me dom en zette me achter in de klas. Mijn vader nam elke week een krant mee naar huis, die ik aan hem moest voorlezen. Toen de leraar me later wilde vernederen door me voor de klas te laten voorlezen, deed ik dat foutloos. Kennis is macht, leerde ik toen.
‘De jaren vijftig waren een tijd van angst en terreur. Griekenland kwam net uit een burgeroorlog en de nieuwe democratie was in feite een politiestaat. Zonder de juiste rechtse familie of politieke connecties werd je gepasseerd. Ik was 17, net gestopt met het gymnasium en wilde bij de Griekse spoorwegen werken. Ik legde met succes examen af, maar mijn resultaten werden zonder toelichting ineens geannuleerd.
‘Tijdens mijn dienstplicht werkte ik als landmeter. Mijn commandant wilde dat ik beroepsmilitair werd en beloofde me dat ik generaal kon worden. Maar ik weigerde een uniform te dragen. Het leger en de politie oefenden terreur uit op hun eigen volk. Ik wilde onder geen beding meewerken aan het onderdrukken, intimideren of martelen van Grieken. Wat als ik tegenover mijn eigen vader zou komen te staan?
‘Ik kon nergens vast werk vinden. Ik plukte druiven, kersen en perziken; tijdelijk en slechtbetaald seizoenswerk waarbij ik op de grond moest slapen. Of ik werkte in de tabaksfabriek. Zonder geld is zelfs het mooiste land een hel. Er was geen zekerheid in Griekenland en het land was veel te rechts voor mij. Ik besloot te vertrekken.’
Hoe kwam u in Nederland terecht?
‘Op mijn 23ste, in 1964, liet ik me medisch keuren voor werk in de Rotterdamse haven. Met achthonderd andere gastarbeiders zat ik in een trein die ons via Joegoslavië, Oostenrijk en Duitsland naar Rotterdam Centraal bracht. Ik liet mijn vader en twee zussen achter; mijn moeder was al gestorven.
‘Ik begon bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij (RDM) met een groep van 125 Grieken. We moesten pijpen vervangen in schepen, levensgevaarlijk en onhygiënisch werk waarbij we in aanraking kwamen met asbest. Onze chefs dachten dat wij alles zouden accepteren omdat we buitenlanders waren. We kregen geen taallessen, niets. Ze wilden ons simpelweg dom houden.
‘Toen ben ik maar zelf maar naar de algemeen directeur van de RDM gestapt. ‘U houdt ons tegen omdat we buitenlanders zijn’, heb ik tegen hem gezegd. En ik eiste een vakopleiding en taallessen. De directeur vroeg waarom ik als buitenlander naar school wilde. Ik zei: ‘Juist omdát ik een buitenlander ben!’ Uiteindelijk kreeg ik het voor elkaar: ik mocht de opleiding tot kraanmachinist volgen en haalde mijn papieren. Om inspecteur te worden moest ik een vuistdik boek over internationaal zeerecht uit m’n hoofd leren. Is me ook gelukt.’
Hoe heeft u Antonet ontmoet?
‘Ik kwam vaak met andere havenarbeiders in café ’t Fust in het centrum van Rotterdam. Daar heb ik veel dates opgepikt. Ik hoefde er niet eens zoveel voor te doen. Ik keek een beetje rond en ze kwamen gewoon op me af. Maar op een gegeven moment dacht ik: ik moet nu toch wel iets serieus gaan vinden. En toen zag ik mooie Antonet.’
Antonet kijkt op van haar boek: ‘Ik moest die eerste keer absoluut niets van hem hebben. Hij zat op een kruk demonstratief met zijn autosleutels te spelen. Ik dacht: o god, weer zo’n arrogante man. Later bleken het helemaal geen autosleutels te zijn, maar een komboloi, een soort Grieks rozenkransje.’
Lambros: ‘Toch heb ik indruk gemaakt.’
Antonet: ‘Ik bleef in elk geval met vriendinnen naar het café terugkeren in de hoop hem tegen te komen. Het was pure chemische aantrekkingskracht. Lambros was geen klassieke knappe Griek; hij had een mager postuur en donker uiterlijk.
Lambros: ‘Je ziet het, ik ben geen adonis.’
Antonet: ‘Ik viel op zijn charisma. Tijdens de tweede ontmoeting zijn we gaan dansen en spraken we af voor een date op zondagmiddag. Toen ik die avond rond tienen thuiskwam kon ik niet naar binnen, mijn moeder had me buitengesloten. Zo fel was ze erop tegen dat ik een relatie met Lambros kreeg. Ik stond resoluut op straat. Ik was 21.’
Lambros knikt: ‘Dus toen moest ze wel bij mij slapen.’
Antonet: ‘Ik vond gelukkig snel een kamer en maakte vanuit daar de sociale academie af. En Lambros en ik bleven daten. Wat erop neerkwam dat ik hem hielp in het verzet.’
Welk verzet?
Lambros: ‘Tegen het kolonelsregime dat in 1967 de macht had gegrepen in Griekenland. Ik was de voorman van het antidictatoriale comité in Rotterdam. Met een hele groep hielden we hongerstakingen voor de Griekse ambassade en verspreidden we pamfletten om toeristen op te roepen Griekenland als vakantiebestemming te boycotten; we wilden niet dat ze ook maar één drachme bijdroegen aan het bewind. Ook zochten we constant de media op om de Nederlandse politiek onder druk te zetten.
‘De militaire junta stopte iedereen met ook maar de geringste linkse overtuiging achter de tralies. De staatsgreep was gepleegd door collaborateurs die tijdens de Tweede Wereldoorlog nog de laarzen van de nazi’s hadden gelikt. Omdat er in Griekenland na de oorlog nooit een politieke zuivering was geweest, konden dezelfde beulen die verzetsmensen executeerden nu op het pluche zitten en hun zakken vullen.
‘Het regime in Athene wist precies wie ik was. Ik werd geschaduwd door de Griekse ambassade en in Griekenland werden mijn vader en zus meerdere keren opgepakt. Kort nadat ik met een foto in de krant had gestaan, werd mijn vader door de veiligheidspolitie ontboden. Niet veel later ontving ik een brief van hem – waarschijnlijk onder dwang geschreven – waarin hij me dringend vroeg mijn verzet te staken.’
Eind jaren zeventig kreeg u te maken met een enorme fysieke tegenslag.
‘Er groeide een gezwel in mijn nek, een woekering van bloedvaten. Het was 11 bij 12 centimeter groot. De artsen in Nederland wisten niet wat ze ermee moesten. Via contacten hoorde ik dat er maar twee plekken in de wereld waren waar ze dit konden opereren: Houston en Moskou. In Amerika vroegen ze bijna een miljoen dollar voor de operatie. Dat geld had ik niet. Ik ben naar het Sovjet-consulaat in Den Haag gegaan. Daar vroegen ze of ik werknemer of ondernemer was. Ze zeiden: ‘De Sovjet-Unie is een land van werknemers. Wij doen dit gratis.’
‘Antonet dacht dat ik niet meer zou terugkomen uit de Sovjet-Unie. Het was 1979, midden in de Koude Oorlog. De anticommunistische propaganda hier was zo sterk dat zij dacht dat ze daar geen boter hadden en dat ik daar zou sterven. Ze maakte een uitgebreid laatste avondmaal voordat ik vertrok. Ik bleef zes maanden in Moskou voor de operatie en het herstel. Toen ik terugkwam in Rotterdam, was mijn gezicht deels verlamd.’
Antonet: ‘Onze dochter was 6. Zij zag het monsterlijke litteken niet, ze zag alleen haar vader.’
U heeft daarna veel vrijwilligerswerk voor migranten gedaan. Zo was u twintig jaar voorzitter van het Platform Buitenlanders Rijnmond en De Vereniging van Grieken. Wat dreef u?
‘In het begin hadden migranten nauwelijks rechten; je kon zo het land uitgezet worden. Ik vond dat we onze eigen zaken moesten regelen, zonder bemoeienis van weldoeners of overheidsdienaren. We organiseerden ons om kennis te delen en onze rechten op te eisen.
‘Begin jaren tachtig kwam de gemeente Rotterdam met een nieuw spreidingsbeleid, dat erop neerkwam dat ze alle buitenlanders in getto’s wilden wegstoppen. Let wel: in de gemeenteraad had de PvdA een ruime meerderheid. Met meerdere migrantenorganisaties spanden we een kort geding aan. En ook al werkte de lokale rechter ons tegen, we hebben de gemeente via Straatsburg en zelfs de VN uiteindelijk toch gedwongen om te stoppen met dat discriminerende beleid.’
Hoe kijkt u naar de huidige situatie van migranten in Nederland?
‘De slechte opvang van asielzoekers en arbeidsmigranten, de bureaucratie, het tegen elkaar uitspelen van groepen door politici: het is nog precies hetzelfde als toen ik hier aankwam. De sociaaldemocraten praten mooi, maar ze waaien met alle winden mee. Ik vertrouw de politiek nog steeds voor geen meter.
‘De rijken hebben de grenzen bedacht om de armen buiten te sluiten of juist binnen te halen als ze goedkope handjes nodig hebben. Ze kijken naar migranten alsof het cijfers zijn, maar ik zie mensen die vechten tegen hetzelfde onrecht, zoals ik vroeger in de haven van Rotterdam. Ik herken ook de onzekerheid die migranten voelen uit mijn eigen jeugd in Griekenland. Zonder de juiste papieren of connecties ben je niets waard.
‘Er is in zestig jaar tijd niets veranderd, alleen de gezichten zijn anders.’
De Griekse samenleving werd na de Tweede Wereldoorlog ontwricht door een bloedige burgeroorlog (1946–1949). Het politieke klimaat bleef instabiel, wat in 1967 leidde tot een staatsgreep door een militaire junta. Dit autoritaire ‘kolonelsregime’ hield tot 1974 stand en kenmerkte zich door de onderdrukking van linkse tegenstanders en de inperking van burgerlijke vrijheden.
De combinatie van politieke repressie en een stagnerende economie leidde tot een omvangrijke emigratiegolf. Het wervingsverdrag uit 1966 tussen Nederland en Griekenland stelde Nederlandse bedrijven in staat om officieel Griekse arbeiders aan te trekken. Deze gastarbeiders vonden hoofdzakelijk werk in de zware industrie en de scheepsbouw. Na de val van de dictatuur in 1974 keerde een aanzienlijk deel van hen terug naar Griekenland.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant