Veertig jaar geleden braken zes jonge Antwerpse ontwerpers internationaal tegelijk door. In een grootschalige overzichtstentoonstelling viert het ModeMuseum Antwerpen hun enorme nalatenschap én hun onderlinge verschillen. ‘Ze waren het startschot van Antwerpen als modestad.’
Geert Bruloot staat in het ModeMuseum Antwerpen (MoMu), omringd door de tentoonstelling die hij als co-curator met Romy Cockx heeft samengesteld. Met fonkelende ogen vertelt hij over die ene dag in Londen in 1986. Een verhaal dat hij ongetwijfeld al honderden keren heeft verteld, maar dat er niet minder meeslepend om is.
Over zes jonge ontwerpers op de tweede verdieping van de British Designer Show, ingeklemd tussen bruidsmode en kinky latex. Over die eerste dag waar helemaal niemand langskwam om te kijken in hun kleine stand van 64 vierkante meter, omdat de hele internationale modewereld op de eerste verdieping te vinden was. Over hoe Marina Yee vervolgens een flyer in elkaar knutselde en die beneden ging uitdelen. En over hoe de dag erop, om 12 uur precies, de wereldpers boven op zoek was naar ‘The Antwerp Six’.
Zo begon de mythe van de Antwerpse Zes: Ann Demeulemeester, Walter Van Beirendonck, Dirk Bikkembergs, Dries Van Noten, Dirk Van Saene en Marina Yee. Hoe maak je een tentoonstelling over een mythe, zeker als het om je beste vrienden gaat? Die vraag hield Bruloot bezig toen hij van het museum de opdracht kreeg voor een tentoonstelling. In het MoMu spreekt iedereen – van rondleider tot pr-medewerker en bezoeker – met bewondering, trots en liefde over het zestal.
Twee jaar lang doken Bruloot en Cockx in de rijke archieven. Het resultaat is een catalogus van bijna 400 pagina’s en de tentoonstelling die op 28 maart in MoMu werd geopend ter gelegenheid van veertig jaar Antwerpse Zes. Het is de eerste officiële, grootschalige overzichtstentoonstelling, te zien tot en met 17 januari 2027, die volledig aan het gezelschap is gewijd.
Na een korte ontstaansgeschiedenis van de zes splitst de tentoonstelling zich op in zes afzonderlijke zalen, één per ontwerper, elk ingericht in nauwe samenwerking met de ontwerper zelf. Dat was een van Bruloots voorwaarden: iedereen moest willen meewerken. De tentoonstelling moest niet alleen over de ontwerpers gaan, maar ook met hen tot stand komen. In plaats van de zes te presenteren als één – ze zijn immers nooit officieel een groep geweest, hoewel de naam hen blijft achtervolgen – geeft MoMu elk van hen een eigen ruimte, waardoor de onderlinge verschillen juist voortdurend voelbaar zijn.
Wanneer de schuifdeuren van de tentoonstelling opengaan, word je als bezoeker teruggeworpen naar het Antwerpen van de late jaren zeventig. De muren hangen van boven tot beneden vol met archiefmateriaal, foto’s, krantenknipsels, schetsen en persoonlijke documenten. Video’s flikkeren, muziek klinkt door de ruimte. In één klap loop je binnen in de wereld waarin de zes opgroeiden en studeerden.
Het verhaal begint namelijk niet in Londen, maar in een klaslokaal aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Walter Van Beirendonck en Martin Margiela (de zogenaamde plus-one van de groep) starten in 1976. Een jaar later volgen Dirk Bikkembergs, Ann Demeulemeester, Dries Van Noten, Dirk Van Saene en Marina Yee. Ze hebben bijna allemaal een andere achtergrond: Van Beirendonck is de zoon van een garagehouder, Yee groeide op in een familie van antiekhandelaren, Bikkembergs is de zoon van een beroepsmilitair. Alleen Van Noten, die uit een familie komt van kleermakers en kledingverkopers, lijkt voorbestemd voor een leven in de mode.
In die jaren is de modeopleiding nog klassiek en streng. Voor directeur Mary Prijot staat mode voor elegante kleding à la Coco Chanel. Maar de zes jonge studenten laten zich door heel andere dingen inspireren: punk, David Bowie en performancekunst. Dat leidt tot botsingen met de school, maar brengt de zes ook dichter bij elkaar, hoe verschillend ze onderling ook zijn.
Van Beirendonck brengt een punkmentaliteit in de groep, gevoed door de kunstenaars met wie hij omgaat. Van Noten neemt al tijdens zijn studie een bijbaantje in de mode om zijn opleiding te kunnen betalen. Hij neemt de anderen mee naar Première Vision, een stoffenbeurs in Parijs, omdat er vanuit de opleiding nauwelijks aandacht is voor stoffen en materialen.
Demeulemeester is altijd ruim op tijd klaar met haar ontwerpen en sterk gericht op presentatie. Terwijl anderen hun schetsen gewoon in een map stoppen, maakt zij speciale zwarte dozen voor haar tekeningen, met in lettertjes haar naam erop. Samen met haar partner, fotograaf Patrick Robyn, maakt ze zorgvuldig gecomponeerde foto’s van haar collecties, waarmee ze de anderen aanspoort hun werk ook sterker te presenteren. Zo helpt de groep elkaar vooruit, als een stel veeleisende vrienden die de lat voor elkaar steeds ietsje hoger leggen.
Bruloot is de verbindende figuur in dit verhaal, de man die de ontwerpers al vroeg opmerkt en als een van de eersten hun collecties verkoopt in zijn schoenenwinkel Coccodrillo in Antwerpen. ‘Bij ons in de winkel verkochten we ze als zoete broodjes, maar elders deed men de doos schoenen open en zei: nee, nee, vreselijk’, vertelt Bruloot. Na twee seizoenen proberen is hij het zat en denkt: misschien zijn ze in Londen wél enthousiast. Hij vraagt Van Beirendonck mee voor de kleding en Ann, die hoogzwanger is, stuurt haar zonnebrillencollectie mee. Nog diezelfde avond belt Van Noten op: waarom mag hij niet mee? ‘Toen is het bij mij gaan dagen dat ze allemáál mee moesten’, zegt Bruloot. ‘Die zes samen.’
Het kost hem aanzienlijke overtuigingskracht om de British Fashion Council zover te krijgen ze tot de beurs in Londen toe te laten. ‘Men wilde niet geloven dat er goede ontwerpers uit België konden komen. Laat staan zes in één keer’, vertelt Bruloot. De naam ‘The Antwerp Six’ ontstaat bij de internationale pers en inkopers, omdat die hun ‘ingewikkelde’ Vlaamse achternamen niet kunnen uitspreken, maar de zes omarmen die meteen als goede publiciteit. De eerste klant die de tweede dag langskomt, is Barneys uit New York, op dat moment een van de invloedrijkste winkels ter wereld. Vanaf dat moment is er geen weg meer terug.
De nalatenschap van de zes is enorm. ‘Ze beseffen nu pas – met de komst van deze overzichtstentoonstelling – dat ze samen modegeschiedenis hebben geschreven’, vertelt Bruloot. ‘Ze zijn groter dan ze zelf lang hebben willen toegeven, zo bescheiden als ze zijn. Ze zijn in 1976 het startschot geweest van Antwerpen als modestad.’
De Antwerpse Academie trekt nu studenten van over de hele wereld. Alumni als Glenn Martens (Maison Margiela en Diesel), Nadège Vanhée-Cybulski (Hermès), Meryll Rogge (Marni) en Demna Gvasalia (Gucci) bekleden topposities bij de grootste modehuizen ter wereld. Bruloot is stellig over de toekomst van mode. ‘We hebben niet méér broeken nodig, we hebben niet méér jassen nodig. Wat we nodig hebben, is een interessant verhaal.’
De modewereld van 2026 is ingrijpend veranderd ten opzichte van die van de jaren tachtig en wordt gedomineerd door grote luxeconglomeraten en fast fashion, met nauwelijks ademruimte voor onafhankelijke ontwerpers. ‘Ik mis de authenticiteit, de persoonlijkheid’, vertelt Bruloot, de pijn hoorbaar in zijn stem. ‘We hebben moed, zelfvertrouwen en talent nodig. Want geef toe: Gucci, wat is dat nog? Om de drie jaar een nieuw gezicht. Is dat mode? Nee. Dat is product, ze verkopen gewoon souvenirs. Zet ‘Vuitton’ op een tas en die verkoopt wel.’
Hij vervolgt: ‘Ik hoop dat deze tentoonstelling een inspiratie kan zijn voor jonge mensen, voor een nieuwe generatie.’ Dat ze nu alle zes hebben ingestemd met deze tentoonstelling, hun persoonlijke archieven hebben geopend en de eigen installaties hebben helpen vormgeven, voelt voor hem dan ook als iets bijzonders. ‘Het is alsof er destijds een trein stopte, met in grote letters ‘adventure’ erop’, zegt Bruloot, ‘en wij zijn daar direct allemaal ingesprongen. Ook al wisten we niet waar die trein naartoe reed.’ Veertig jaar later staat die trein hier, in het ModeMuseum in Antwerpen. Het avontuur gaat verder.
Dirk Bikkembergs (Keulen, 1959) groeide op als zoon van een Belgische beroepsmilitair en studeerde in 1982 af aan de Antwerpse Academie. In 1985 lanceerde hij een schoenencollectie die meteen opviel door het robuuste, atletische karakter. Met zijn werk verbond hij sport en mode al decennialang voordat die combinatie een vanzelfsprekendheid was. In de jaren negentig deed hij wat Nike toen nog niet lukte. Zijn sportieve ‘Sport couture’ en de samenwerking met voetbalclubs als Inter Milan werden zijn handelsmerk.
In 2011 verkocht hij zijn label, dat nog altijd bestaat. Bikkembergs zelf leidt sindsdien een teruggetrokken leven. Zijn zaal in het MoMu is opgebouwd rond grote foto’s van voetballers en sporters die zijn kleding dragen. Die keuze is geen toeval: Bruloot vertelt dat Bikkembergs na de verkoop van zijn label aan het Italiaanse Zeis Excelsa in 2011, jarenlang bezig is geweest met het vastleggen van zijn oude collecties op atleten en voetballers. De installatie verwijst ook naar zijn iconische winkel in Milaan, ingericht als het appartement van een voetballer.
Walter Van Beirendonck (Brecht, 1957) is de enige van de zes die nog actief is als modeontwerper. In zijn zaal is zijn eigen gezicht geprojecteerd op een paspop, omgeven door kleurrijke, extravagante creaties uit oude collecties. Tegenover hem staat een grote robot, die video’s van oude shows toont. De virtuele Van Beirendonck gaat in gesprek met die robot. Daarin komen thema’s aan bod als klimaat, seksualiteit en maatschappelijke normen, onderwerpen die al veertig jaar door zijn werk lopen.
Wat opvalt is dat bezoekers die de zaal binnenstappen direct stil worden om naar het gesprek te luisteren. Decennialang combineerde hij zijn label met het docentschap aan de Antwerpse Academie, waarvan hij van 2006 tot 2022 ook het hoofd was. Hij woont samen met zijn levenspartner Dirk Van Saene.
Dirk Van Saene (Leuven, 1959) volgt met een installatie met rijdende karretjes en poppen, een verwijzing naar een show uit de jaren negentig in Parijs die volledig misliep, waarbij de poppen van de karretjes vielen. In het MoMu krijgt de show een tweede kans en nu verloopt het wel soepel.
Van Saene balanceerde in zijn collecties altijd tussen kunst en mode. In zijn installatie komt dat samen: de paspoppen op de eerste rij van zijn ‘show’ zijn voorzien van gezichten die hij zelf schilderde. Net als zijn levenspartner Walter Van Beirendonck combineerde Van Saene zijn modemerk met het docentschap aan de Academie. Vandaag de dag richt hij zich helemaal op keramische sculpturen en schilderkunst.
Dries Van Noten (Antwerpen, 1958) laat zijn zaal domineren door videoschermen met finales van zijn shows door de jaren heen. Van Noten maakte van zijn shows altijd een spektakel, omdat hij wist dat juist die beelden de wereld rondgaan.
Voor de video-installatie staat een selectie uit verschillende collecties die samen veertig jaar aan Van Noten tonen. Zijn werk herken je aan gelaagde prints, onverwachte kleuren en een elegante stijl die altijd maar bleef doorontwikkelen. Zijn merk, opgericht in 1986, groeide uit tot een van de meest gerespecteerde onafhankelijke modehuizen ter wereld. In 2024 droeg hij de creatieve leiding over aan de in België geboren Julian Klausner.
Marina Yee (Antwerpen, 1958-2025) overleed op 1 november 2025 aan de gevolgen van kanker, enkele maanden voor de opening van deze tentoonstelling. De expositie is daarmee onvermijdelijk ook een postuum eerbetoon geworden. Bruloot koos samen met haar voor een reconstructie van haar woon- en werkruimte in Antwerpen, een ruimte volgestouwd met objecten, collages, tekeningen, kleding, dozen en gevonden voorwerpen.
Alles staat er precies zoals het stond, op basis van foto’s en de herinneringen van mensen die er vaak kwamen. Bruloot was er een van. ‘Ik ben bij haar thuis langs gegaan, ik was daar al lang niet meer geweest. Het stond vol met miljoenen objecten erin’, vertelt hij. ‘Ik dacht meteen: ik weet het, dát gaan we doen.’ En zij zei direct ja. Maar Bruloot mocht het niet aan de anderen vertellen, want Yee was bang dat de anderen ook hun atelier zouden willen tonen in de tentoonstelling.
‘De ruimte vertelt alles over Marina. Hier zie je hoe ze dacht, hoe ze leefde, hoe ze keek. Bij haar is niets toevallig neergezet’, zegt Bruloot. ‘Zelfs de lege dozen die binnenkwamen met leveringen zijn neergezet in de installatie.’ ‘Marina zag schoonheid in alles. Ze vond een verroeste spijker en zei: ‘Kijk, fantastisch, daar ga ik ooit iets mee doen.’’ Die blik op de wereld maakte haar tot de meest eigenzinnige van de zes, en tegelijk tot degene die het minst paste binnen de structuren van de mode-industrie.
Ze zag zichzelf eerder als kunstenaar dan als modeontwerper. Zo trok ze zich geregeld terug, gaf les, keerde terug en vertrok weer. Pas laat in haar leven vond ze haar zakenpartner Rafaël Adriaensens, iemand die haar creatieve vrijheid beschermde en tegelijk het contact met de industrie maakte. Adriaensens zet haar werk nu voort op basis van de enorme hoeveelheid tekeningen die ze heeft nagelaten. Tijdens haar opleiding was Yee al het grootste tekentalent van de groep. Bruloot spreekt zachtjes wanneer hij vertelt over zijn laatste ontmoeting met haar, twee dagen voor haar overlijden. Ze pakte zijn hand vast en vroeg: ‘Je hebt het, hè?’, doelend op haar installatie voor de expositie. Hij had het.
Ann Demeulemeester (Kortrijk, 1959) heeft de laatste ruimte in de tentoonstelling en is bewust op die plek gezet door Bruloot: ‘Ik wist dat dat een heel etherisch moment ging worden, heel aangrijpend en ontroerend.’ Zo’n twintig paspoppen staan in een donkere ruimte, allemaal in zwart gekleed, uit twee decennia van haar carrière. Stuk voor stuk zouden ze uit één collectie kunnen komen, zo consistent en herkenbaar is haar stijl. Bruloot had alle vertrouwen in Demeulemeester en liet haar volledig haar eigen gang gaan.
Naast de paspoppen hangt een enorm zwart-witportret van een vrouw, gefotografeerd door haar man Patrick Robyn. Samen met hem richtte ze in 1985 haar label op. Een internationale doorbraak volgde in 1992 met haar eerste vrouwencollectie in Parijs. Ze bouwde een herkenbaar universum op van asymmetrie, zwart-wit en een androgyn uitgangspunt, dat sterk werd gevoed door haar vriendschap met artiest Patti Smith. In 2013 verliet ze het modehuis dat haar naam draagt. Sindsdien ontwerpt ze samen met Robyn porselein, glaswerk en verlichting. Haar merk bestaat voort onder leiding van de Italiaanse ondernemer Claudio Antonioli.
De Antwerpse Zes is te zien in MoMu Antwerpen, t/m 17/1.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant