Home

Met de inspecteur langs (steeds meer) extreem vervuilde woningen: ‘De ratten renden over de bank’

Het aantal meldingen van ernstige woningvervuiling neemt snel toe. Voor de GGD zijn bewoners van zulke woningen ‘kanaries in de kolenmijn’ die wijzen op een groter maatschappelijk probleem. Op pad met een inspecteur in Amsterdam. ‘Wanneer zeg je: we moeten ingrijpen?’

is regioverslaggever van de Volkskrant in Amsterdam en omstreken.

Stapels rottend afval, muren zwart van de schimmel of ratten die in een woonkamer over elkaar heen buitelen? Voor Sandra Blesing (52) zijn ‘weinig situaties écht te vies’.

Zo ook deze woensdag. Blesing, de inspecteur van het team Hygiënisch Woningtoezicht van de GGD, laveert behendig door een woonkamer in Amsterdam-Zuidoost. Vliegen cirkelen rond een oude lamp aan het plafond. De penetrante geuren van een overvolle kattenbak en het zweet van de bewoner komen haar tegemoet. Op weinig plekken kan ze goed staan: overal liggen kleren, vieze vaat en lege verpakkingen.

Blesings zintuigen registreren ‘deze onleefbare situatie’ heus wel. Maar, zegt ze: ‘Als ik aan het werk ben, verdwijnt dat naar de achtergrond. Ik kijk vooral naar de bewoner, om te zien wat hij of zij nodig heeft.’

In dit geval is de bewoner een waarschijnlijk zwakbegaafde man van in de zestig. Om te voorkomen dat buren hem herkennen, krijgt hij in dit artikel de naam Karel. Zo’n acht jaar geleden verloor Karel zijn vrouw. Haar urn ligt ergens in de woonkamer, begraven onder de rotzooi.

‘Dit moet al jaren aan de gang zijn’, zegt Blesing, terwijl ze naar de ontoegankelijke keuken kijkt. ‘Kook je nog weleens?’, wil ze van de graatmagere Karel weten. ‘Laatst heb ik macaroni gemaakt, maar toen ik ging pissen, aten mijn katten het op’, reageert hij.

Ook in de overvolle badkamer blijkt niemand meer te kunnen komen. ‘Hij heeft geen warm water meer, dus al maanden niet gedoucht’, zegt Blesing. Ze werpt een bezorgde blik op de loshangende stopcontacten. ‘Karel prutst zelf met de elektriciteit. Onlangs vatte zijn kussen vlam, vlak bij een stopcontact.’

Karels situatie lijkt extreem, maar is geen uitzondering. Het aantal meldingen van ernstige woningvervuiling en verzamelwoede in Amsterdam is in drie jaar tijd verdubbeld: van zo’n driehonderd in 2023 naar zeshonderd in 2025. Al houdt de GGD wel een slag om de arm. Pas sinds vorig jaar worden de cijfers nauwkeurig geregistreerd. Reden: de noodzaak groeit om hier beter zicht op te krijgen.

Amsterdam is geen uitzondering blijkt uit een vorig jaar verschenen inventarisatie van brancheorganisatie GGD GHOR. Ook in zes andere regio’s (van Groningen tot Utrecht en Rotterdam) steeg het aantal meldingen, variërend van 60 tot 150 procent. ‘Van alle kanten komen signalen dat het toeneemt’, zegt ook Hendrien Kaal. Ze is lector aan de Hogeschool Leiden en ontving vorige maand subsidie om de problematiek en aanpak in kaart te brengen. ‘Want een landelijk overzicht ontbreekt.’

Niet alleen hebben hulpverleners zoals Blesing het drukker gekregen. De casussen worden ook complexer, constateert GGD GHOR. Een verklaring is dat ouderen minder snel naar een verzorgingshuis gaan. Datzelfde geldt voor mensen met ernstige psychische problemen of een verstandelijke beperking. Ook zij verblijven minder vaak dan vroeger in een instelling. ‘Hierdoor wonen meer mensen zelfstandig, terwijl ze het eigenlijk niet kunnen’, aldus GGD GHOR.

Dat betekent, zegt GGD-teamleider Neel Schouten, dat mensen zoals Karel gezien moeten worden als de ‘kanarie in de kolenmijn’. Wat haar betreft staat het groeiend aantal ‘kanaries’ symbool voor een groter maatschappelijk probleem. Door onder meer een tekort aan zorgpersoneel, wachtlijsten bij instellingen en afgeschaalde bemoeizorg vallen juist de meest kwetsbaren vaker tussen wal en schip. ‘De resultaten daarvan zien wij terug.’

Zo werd Karel lange tijd bijgestaan door ambulante hulpverleners, maar door personeelswisselingen werd hij wantrouwend en verwaterde het contact. ‘Wat ook niet hielp’, zegt Blesing, ‘is dat de hulpverleners niet bij hem thuis wilden komen, omdat het er zo vies is’. Uiteindelijk werd de GGD ingeschakeld.

Ook van Blesing wilde Karel aanvankelijk weinig weten. In zijn ogen was ze het zoveelste gezicht dat hem vertelde dat hij hulp nodig had. Maar nu, na meerdere bezoeken waarbij ze vaak iets lekkers meebracht, zegt hij open te staan voor een grote schoonmaak.

Al wil hij vandaag liever over iets anders praten. Glunderend wenkt hij Blesing, hij wil dat ze meegaat naar zijn overvolle slaapkamer. Op het bed staat een plastic huisje met een moederpoes en vier kittens. ‘Vannacht geboren’, zegt Karel trots. ‘Ik wil ze verkopen op Facebook.’ Vertederd kijkt Blesing toe.

Maar als de inspecteur even later in haar auto zit, zucht ze diep. ‘Wat is wijsheid?’

Zojuist heeft ze Karel laten weten dat binnenkort medewerkers van de GGD en het Leger des Heils komen om samen met hem het huis leeg te halen en schoon te maken. Daarnaast mag hij douchen bij de daklozenopvang. Als de woning weer toegankelijk is, hoopt ze dat de woningcorporatie langskomt voor onderhoud. ‘Hij zal straks ook wekelijks schoonmaakhulp krijgen en hij heeft nieuwe, actievere ambulante hulpverleners. Maar is dat genoeg? Ik heb de indruk dat hij nauwelijks eet.’

En dan zijn er nog de katten. ‘Ik vind het niet oké dat er dieren in dát huis leven.’ Maar Karel heeft niemand. ‘Toen een tijdje geleden de dierenambulance langskwam om ze op te halen, dreigde hij met zelfmoord. Ik ben bang dat hij van niemand meer hulp accepteert als we de katten afpakken’, zegt ze terwijl ze de auto start om naar het volgende adres te gaan.

Penetrante geur

Een dag als deze is niets bijzonders. Blesing heeft er al vier bezoeken op zitten en nog drie gepland. Zo stond ze vanochtend al voor een gehavende deur in Amsterdam-Noord voor een onaangekondigd huisbezoek vanwege een melding van stankoverlast. Hoewel de bewoonster de deur angstvallig op een kier hield, was het aangekoekte vuil op de vloer zichtbaar en vloog een penetrante geur de inspecteur tegemoet. Maar bij de vraag of ze hulp nodig had, schudde de bewoonster van ‘nee’.

Niet veel later stond de inspecteur alweer in het volgende huis. Ditmaal van een meneer met een slechte gezondheid. Volgens de woningcorporatie weigert hij mee te werken aan een renovatie en de bestrijding van een muizenplaag. De bewoner ziet dat anders: hij wil wel, maar heeft hulp nodig bij het leeghalen van zijn overvolle woning. ‘Ik schaam me dood voor hoe ik er nu bij zit’, zegt hij. De muren van de woonkamer zijn bruin van de sigarettenrook, de badkamer zit onder de spikkels van de schimmel en een kamer is niet meer toegankelijk vanwege de opgestapelde spullen.

Eenzaamheid

Schaamte ziet Blesing wel vaker. ‘Veel cliënten houden anderen daarom buiten de deur, maar daardoor worden ze nog eenzamer.’ Soms grijpt het haar naar de keel dat mensen – midden in een drukke stad – ‘toch zo alleen kunnen zijn. Je voelt het meteen als je ergens binnenkomt.’

Zo herinnert ze zich een vrouw die ratten voerde en de dieren als gezelschap zag. ‘Ze renden zelfs over de bank. Pas toen ik bleef aandringen en zij haar schaamte overwon, werd ze weer blij van het menselijk contact.’

De meeste meldingen die de GGD binnenkrijgt gaan over mensen bij wie het ‘boven het hoofd groeit’ wegens ouderdom, verslaving, psychische problemen of een verstandelijke beperking. Maar er zitten soms ook hoarders tussen, mensen die een dwangmatige behoefte hebben om spullen te verzamelen.

‘Dat is een minderheid’, benadrukt Blesing. Zelf mag ze die diagnose, die sinds 2013 erkend is als psychiatrische aandoening, niet stellen. Toch krijgt ze er wel een sterk vermoeden van als ze niet veel later die middag op een krappe bank zit van een gezin.

‘Stressvol om zo te leven’

In het appartement, amper 60 vierkante meter, liggen overal kledingstukken, dekens en koffers. Alles is keurig gevouwen en gestapeld. Ruimte om te lopen of te zitten is er nauwelijks. Maar vies? Dat is het er niet.

‘Toch kan ik me voorstellen dat het stressvol is om zo te leven’, zegt Blesing. De tienerdochter knikt instemmend, net als haar moeder. En ook de vader, die vooral het woord voert, vindt dat er iets moet veranderen.

Is het misschien mogelijk om een andere woning te krijgen, informeert hij bij Blesing. ‘Dit is veel te klein voor een gezin van vijf.’

Daar is Blesing het mee eens. Maar, waarschuwt ze: ‘De kans dat dat lukt in de huidige woningmarkt is klein.’ Toch belooft ze intern te overleggen ‘welke mogelijkheden er zijn’.

Als ze even later buiten staat, kijkt ze bedenkelijk. Een grotere woning alleen lost dit probleem niet op, vermoedt ze. ‘Dat huis ligt waarschijnlijk ook in no time vol. We moeten eerst het vertrouwen winnen en uitzoeken waarom er zoveel spullen liggen. Daarna lukt het hopelijk om dit gezin stap voor stap te helpen.’

Vroeger, zegt ze, ‘hadden we het anders aangepakt en was deze woning meteen ontruimd. Zonder twijfel.’

Plenteren

Werden vijf jaar geleden jaarlijks nog zo’n vijftig woningen in Amsterdam gedwongen opgeruimd, vorig jaar waren het er drie. Alleen als er acuut gezondheids- of brandgevaar dreigt, komt de GGD voorrijden met een container om te ‘plenteren’.

Plenteren verwijst naar de gepensioneerde Amsterdamse toezichthouder Henk Plenter, een ‘pionier’ die aan de basis stond van de aanpak van ernstige woningvervuiling. Destijds was het gemeentelijk beleid om vrij snel te zeggen: we halen de woning leeg. ‘Dat gebeurde lang niet altijd met instemming van de bewoner’, zegt teamleider Schouten. ‘Ze kregen bovendien de gepeperde rekening naderhand toegestuurd.’ Afgelopen decennium begon deze aanpak steeds meer te wringen.

Het leeghalen van een woning bleek vaak geen duurzame oplossing. Voor de bewoners was het soms traumatisch en zo’n huis lag geregeld snel weer vol. ‘Het was vaak contraproductief’, zegt ook Kaal (Hogeschool Leiden). Maar over wat wél werkt, is nog veel onduidelijk, vervolgt ze.

In sommige steden, zoals Amsterdam, valt ‘woningvervuiling en hoarding’ daarom inmiddels onder de afdeling zorg en wordt er steeds beter gekeken naar het onderliggende probleem van de bewoners. ‘Maar veel gemeenten zijn nog zoekende’, zegt Kaal. ‘Net als woningcorporaties en zorginstellingen die hiermee te maken hebben.’ Wat haar betreft zouden er daarom landelijke richtlijnen moeten komen. ‘Het zijn ingewikkelde casussen, die gepaard gaan met ethische dilemma’s. In hoeverre mag een hulpverlener bepalen wat goed voor je is, hoe je moet wonen? Wanneer zeg je: we moeten ingrijpen?’

‘Wordt het als de vorige keer?’

Angstig wordt inspecteur Blesing aangekeken. Ze staat bij een volgende afspraak: het appartement van ‘Kees’. Met zijn echte naam wil de 44-jarige man niet in de krant. ‘Anders kijken de buren mij aan alsof ik het laagste van het laagste ben.’

Toen Blesing een paar minuten eerder, samen met een Leger des Heils-medewerker binnenkwam, keek de goedlachse Kees nog vriendelijk. Nu ze hem vertelt dat zijn woning schoongemaakt zal worden, betrekt zijn gezicht. ‘Wordt het als de vorige keer?’, vraagt hij bang. Hoeveel jaar geleden dat was, weet Kees niet meer. Wat de verslaafde veertiger zich wel herinnert, is dat hij heeft ‘gehuild en geschreeuwd’. ‘Ze gooiden alles uit het raam, zonder overleg, zo in een container. Ook cadeautjes van mijn moeder. Toen ze weggingen, zeiden ze: hier heb je een matras, hier een stoel.’

Zoals toen wordt het écht niet, belooft Blesing. ‘Volgende week komen twee Leger des Heils-medewerkers om samen met jou schoon te maken. Jij wijst aan wat weg mag.’

Dat er iets moet gebeuren, vindt Kees ook. Nadat zijn woning de vorige keer gedwongen opgeruimd was en hij vervolgens ambulante hulp kreeg, ging het lang goed. Daarna werd zijn dossier gesloten en stopte de hulp. Blesing: ‘Zo zijn de regels, maar die zijn gemaakt in een papieren werkelijkheid. In praktijk zien we mensen vaak afglijden.’

Zo ligt Kees’ huis weer vol met vieze matrassen, kleding en tassen. Buren klagen over stankoverlast, maar ook over ‘vreemde figuren’ die ze tegenkomen in het trappenhuis. ‘Er slapen hier soms wel een stuk of tien mensen’, geeft Kees toe.

Echte vrienden zijn het niet. Bovendien laten ze hun troep achter. Zo staat er midden in de kamer een groene koffer. ‘Van een Somaliër’, zegt Kees. ‘Ik weet niet of hij hem nog komt halen.’ Op het overvolle keukenblok staat een pan met rijst. ‘Dat heeft een vriend van me gemaakt, hij haalt eten uit vuilnisbakken.’ Verderop ligt een neppistool. ‘Van een andere gestoorde vriend.’

Wat Blesing betreft moet Kees stoppen om al die ‘vreemde figuren’ binnen te laten, ‘ook voor je buren, zij hebben kinderen’. Hij haalt zijn schouders op. ‘Als ze niets fout doen, heb ik toch geen reden om ze buiten te laten staan?’

Even later staat de inspecteur weer op straat om samen met de medewerker van het Leger des Heils de details voor de schoonmaak te bespreken. Hoelang het appartement daarna schoon zal blijven? Blesing durft het niet te voorspellen. ‘Het is een beïnvloedbare jongen die geen nee durft te zeggen tegen zijn ‘vrienden’.’ Eigenlijk, vindt ze, zou Kees ergens begeleid moeten wonen, maar dat is niet zomaar geregeld. ‘Hij krijgt nu in elk geval weer ambulante hulp’, zegt ze terwijl ze naar haar auto loopt om naar een volgend adres te gaan. ‘Dus hopelijk gaat het dit keer wél lukken.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next