Home

Opinie: Hoe ver gaat Nederland voor de internationale rechtsorde?

Wie zich, net als ons land, ziet als verdediger van de internationale rechtsorde, kan moeilijk geloofwaardig blijven als die inzet afhankelijk wordt van politieke of diplomatieke afwegingen.

Deze week viert het Internationaal Gerechtshof zijn 80ste verjaardag. Voor Nederland als gastland is dat een uitgelezen moment om stil te staan bij de vraag hoe ons land het Hof ook in de toekomst kan blijven ondersteunen. Dat gaat verder dan het zorgvuldig onderhouden van het Vredespaleis en zijn prachtige tuin, of het gastvrij ontvangen van rechters en staf. Het raakt ook aan de rol die Nederland zelf inneemt in procedures voor het Hof.

In dat licht is de recente stap van Nederland om, samen met Canada, een zaak tegen Syrië aan te spannen wegens schendingen van het folterverdrag opvallend. Nederland handelt hier namelijk niet uit eigenbelang, maar in het algemeen belang van de internationale rechtsorde. Ook het voornemen om een zaak te beginnen tegen Afghanistan wegens schendingen van het verdrag tegen discriminatie van vrouwen past in dat beeld. Zulke zaken die worden aangespannen in het algemeen belang zijn zeldzaam.

Over de auteur

Otto Spijkers is universitair docent internationaal en Europees recht aan het Leiden University College.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Ambitie

Er is in de tachtigjarige geschiedenis van het Hof slechts een handjevol precedenten. Dat Nederland deze stap nu zelf voor het eerst ook zet, onderstreept de ambitie om artikel 90 van de Grondwet – dat bepaalt dat de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert – serieus te nemen.

Juist deze principiële opstelling roept echter ook vragen op. Want als Nederland optreedt in het algemeen belang, kan het zich dan veroorloven selectief te zijn? Juridisch bestaat er geen verbod op selectiviteit. Staten bepalen immers zelf wanneer zij procederen. Maar moreel ligt dat anders. Wie zich ziet als verdediger van de internationale rechtsorde, kan moeilijk geloofwaardig blijven als die inzet afhankelijk lijkt van politieke of diplomatieke afwegingen.

Nederland intervenieert daarnaast steeds vaker in lopende zaken tussen andere staten. Interventies komen tegenwoordig steeds vaker voor, terwijl dat in het verleden een zeldzaamheid was. Waar in het verleden staten intervenieerden vanwege een bepaald belang dat ze hadden bij een lopende zaak, wordt dit nu massaal gedaan in het algemeen belang. Zo intervenieerde ons land in de zaak die door Gambia tegen Myanmar is aangespannen over genocide tegen de Rohingya-minderheid, en in de zaak tussen Oekraïne en Rusland.

Bovendien diende Nederland vlak voor de deadline een verzoek tot interventie in bij de zaak over genocide in de Gazastrook tussen Zuid-Afrika en Israël. De nieuwe regering zette deze laatste stap om invulling te geven aan de grondwettelijke plicht om respect voor de internationale rechtsorde consistent te bevorderen.

Consequent en geloofwaardig

Daar ligt de kern van de uitdaging voor de komende tachtig jaar: niet alleen het Hof blijven ondersteunen, maar dat ook consequent en geloofwaardig doen. Juist in een tijd waarin grootmachten als de Verenigde Staten onder Trump zich steeds minder gebonden tonen aan het internationaal recht, komt het aan op landen die wél bereid zijn die rechtsorde actief te dragen.

De kracht van het internationaal recht staat of valt immers met de bereidheid van staten om het consequent te verdedigen, juist ook wanneer dat politiek ongemakkelijk of kostbaar is. Nederland kan zich daarbij geen selectiviteit permitteren.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next