Geschiedenis In het zeventiende-eeuwse Engeland kon je niet met goed fatsoen bloothoofds de straat op. Respect betuigde je door je hoed af te nemen. Rebelleren was simpel, gewoon de hoed ophouden.
Hoedengevechten tijdens het proces tegen koning Karel I. Afbeelding uit 'Een authentiek exemplaar van het verslag van het Hooggerechtshof, voor het proces tegen koning Karel I' (1684). Zowel Karel I als de rechters houden hun hoeden op, waarmee ze geen respect tonen voor de andere partij.
Hoofddeksels waren in Engeland eeuwenlang onderdeel van het klassensysteem en werden gebruikt als symbool van aanzien. Maar het ging verder dan dat: in het Engeland van de zeventiende en achttiende eeuw gold een hoofddeksel ook als politiek en ideologisch wapen.
In een artikel dat afgelopen week verscheen in The Historical Journal beschrijft Bernard Capp de Engelse „hatiquette” van de zeventiende en achttiende eeuw. Capp is emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Warwick en hij spitte dagboeken, gedichten, rechtbankverslagen en autobiografieën door op zoek naar voorbeelden van rebels gebruik van hoeden.
„Ik wist al van de Quakers, die uit principe weigerden hun hoed af te doen”, vertelt hoogleraar Capp in een videogesprek. De Quakers vormen een vrijzinnig religieus genootschap dat werd opgericht halverwege de zeventiende eeuw in Engeland, uit protest tegen de conventionele christelijke kerk. „Maar bij verder onderzoek stuitte ik op veel meer voorbeelden van verzet dan ik had verwacht.” De conventie vereiste dat iemand die als sociaal inferieur werd gezien, zijn hoed afnam voor een meerdere. Het werkwoord daarvoor werd van to do off ingekort tot to doff. Capp: „Weigering zag men als een bewust en schokkend gebaar van verzet.”
Leden van de Levellers met hun hoeden, houtsnede uit The Declaration and Standard of the Levellers of England (1649).
In de revolutionaire jaren rond de Engelse Burgeroorlog, tussen 1640 en 1650, kozen radicalen er uit weerstand tegen het heersende gezag vaak voor hun hoed op te houden in de rechtbank of de kerk. Soms leidden die weigeringen zelfs tot geweld. Of „de beledigde partij” zwiepte alsnog zelf de hoed van iemands hoofd. Een ridder uit Worcestershire was in 1608 eens zo boos toen een ambtenaar weigerde zijn hoed af te nemen, dat hij zijn bedienden gebood hem in elkaar te slaan, zo staat in het artikel van Capp beschreven.
Bekende radicalen waren antimonarchist John Lilburne, die in 1646 weigerde zijn hoed af te nemen toen hij voor het Hogerhuis moest verschijnen. En in 1649 weigerden William Everard en Gerrard Winstanley, twee leiders van de sociale beweging, ook al hun hoofddeksel af te nemen toen de hoogste legergeneraal hen ter verantwoording riep.
Voor vrouwen gold de hoed evengoed als symbool van klasse of rijkdom. Maar voorbeelden van rebelse vrouwen die hun hoofddeksel als vorm van verzet gebruikten, heeft hoogleraar Capp niet gevonden. Wel nam de – mannelijke – elite het gebruik soms over. Koning Charles I weigerde bijvoorbeeld zijn hoed af te nemen toen hij in 1649 voor de rechtbank verscheen, waar hem hoogverraad ten laste werd gelegd. Charles wilde laten zien dat hij het hof niet erkende.
Heren allemaal met hoeden op aan een speeltafel in het Georgische Engeland. In die tijd was het gebruikelijk om binnenshuis hoeden te dragen. De enige man zonder hoed is een bediende van het speelhuis en daarmee een sociaal mindere. Thomas Rowlandson, De speeltafel (1801).
Twee struikrovers met hoeden vallen een schoolmeester en een dominee te paard aan, beiden met een hoed op. Thomas Rowlandson, Doctor Syntax gestopt door struikrovers (1815).
Sommige historici denken dat de hoed en de betekenis van het afnemen ervan werden verdreven door de opkomst van de handdruk, maar volgens hoogleraar Capp klopt dat niet. Handen schudden won maar vrij langzaam terrein als beleefde manier van groeten, zegt hij. „Dit was een veel geleidelijker proces waarbij meerdere factoren een rol speelden.” Omgangsvormen werden in de loop der jaren informeler en de populariteit van grote pruiken maakte het dragen van hoeden minder vanzelfsprekend.
Eén van Capps favoriete hoedenanekdotes is die van Thomas Ellwood, een Engelse schrijver en aanhanger van de Quakers. In zijn jonge jaren wilde Ellwoods vader voorkomen dat hij naar een bijeenkomst van de Quakers zou gaan en dat kreeg hij voor elkaar door alle hoofddeksels van zijn zoon in beslag te nemen. Ellwood kreeg zo praktisch huisarrest opgelegd en zou maandenlang binnen zijn gebleven. Ellwood wilde „niet blootshoofds over straat, als een soort gek”, schreef hij later in zijn autobiografie. Capp: „Zonder dat het ergens in een wet stond vastgelegd, hield iedereen zich aan de conventie dat je niet zonder hoofddeksel de straat op kon. Het zou te gênant zijn geweest.”
Roundheads en cavaliers, met partizanenhoeden op, staan tegenover elkaar en sporen hun honden aan om elkaar aan te vallen. John Taylor (toegeschreven), Een dialoog, of liever een overleg tussen de hond van Prins Rupert, wiens naam Puddle is, en de hond van Tobie, wiens naam Pepper is… (1643).
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin