Home

‘Illegaal’ in Nederland. ‘Als ik terug kon naar Libië, had ik dat wel gedaan’

Asielwetten Deze week debatteert de Eerste Kamer over de asielwetten van voormalig asielminister Marjolein Faber (PVV), met de strafbaarstelling van illegaliteit als meest omstreden punt. Hoe is het om te leven zonder papieren? „Kon ik maar wegvliegen en in een boom wonen.”

Het rookhok in de tuin van De Tussenvoorziening, een instantie die zorg biedt aan mensen zonder papieren. Bewoner Abdul (51) zit er graag, omdat het rustiger is dan binnen.

Abdul (51) speelde in een toneelgroep. Op het podium vertelde hij over het leven van een afgewezen asielzoeker. Vijftien jaar geleden kwam hij uit Libië, maar Abdul mocht niet blijven in Nederland. Terug kan hij niet, perspectief op een status heeft hij niet. Sindsdien is hij ‘illegaal’. Een „nepbestaan”, noemt hij het, „want zonder papieren besta je niet”.

Ongeveer tien jaar geleden belandde hij bij een opvanglocatie van De Tussenvoorziening in Utrecht. Daar begon hij met toneel, met kickboksen, Nederlands leren en koken als vrijwilliger. Inmiddels is hij overal mee gestopt. Vijftien jaar „meedoen zonder resultaat” ontnam Abdul de motivatie.

De opvanglocatie voor mensen zonder papieren heeft twintig bewoners: jong en oud, uitgeprocedeerd en aan het begin van hun asielprocedure. Eind vorig jaar stemde de Tweede Kamer in met de asielwetten van voormalig minister Marjolein Faber (Asiel en Migratie, PVV), met de strafbaarstelling van leven in illegaliteit als meest omstreden punt. Deze week debatteert de Eerste Kamer over de wetten.

NRC interviewde een van de langstzittende bewoners van De Tussenvoorziening, de 51-jarige Abdul, en een van de jongere bewoners, de 24-jarige Rada (beiden vanwege veiligheid zonder achternaam, wel bekend bij de redactie). Allebei zonder uitzicht op een status, maar naar eigen zeggen vanwege de omstandigheden in hun thuislanden genoodzaakt in Nederland te blijven. Wat betekent het als je voelt dat je geen kant op kan?

Prettig in de tuin

Waar is Abdul? Zijn begeleidster kan hem nergens vinden. Hij is niet op zijn kamer, ook niet in de gemeenschappelijke ruimte. Hij is vast ergens, want hij heeft een afspraak met de verslaggever. En Abdul mist nooit een afspraak, weet de begeleidster.

Abdul zit buiten, onder een afdakje. Het is koud deze vroege middag, een graad of acht. Maar binnen vindt hij het te druk. Liever doet hij het interview ook hier, onder dat afdakje. Al de hele ochtend zit hij daar op een houten stoeltje sigaretjes te roken, terwijl hij steeds de mouwen van zijn zwarte vest over zijn handen trekt. Hij plukt wat shag uit zijn pakje en strooit het in een vloeitje.

Abdul slaapt met drie anderen op een kamer. Hij is blij met het dak boven z’n hoofd, maar vier is veel, zegt hij. De hele nacht hoort hij bzzt, bzzt, ting, ting van de telefoons. Zijn kamergenoten videobellen vaak met thuis. „Soms midden in de nacht, op luidspreker.” Het maakt hem wanhopig. „Op luidspreker! Want fuck Abdul.” Ach, hij begrijpt het wel. Natuurlijk wil iedereen de stemmen van thuis horen, en niet iedereen heeft oortjes.

In de tuin is het altijd rustig: op de muur hangt een bordje van een gezicht met een vinger op de lippen. Op een ander bordje een telefoon met een kruis erdoorheen. Je mag hier wel roken. Abdul vindt het wel prettig.

Op zijn telefoon laat hij foto’s van het theaterstuk zien waar hij in speelde, Straatslim. Hij heeft ook een usb-stick met video’s, maar die heeft hij zelf nooit gezien: hij heeft geen laptop. Op de laptop van de verslaggever kijkt hij voor het eerst naar de beelden. Hij grijnst. Maar dan fronst hij als zijn sombere gezicht op het scherm verschijnt. „Het ging toen al niet goed met me.”

De Tussenvoorziening in Utrecht.

België

Nadat Abduls asielaanvraag in Nederland werd afgewezen, probeerde hij het in 2014 in België. Toen daar bleek dat hij via Nederland was gekomen, moest hij met de politie praten. „Ik vroeg om een tolk Arabisch, maar die kreeg ik niet. Ik snapte niet wat ze zeiden. Ze hadden het over Dublin.”

Dat ging over de Dublin-verordening: die wet bepaalt dat een persoon asiel moet aanvragen in het land waar hij aankomt. En dus moest hij terug naar Nederland. Een Belgische politieauto bracht hem naar de grens, waar een Nederlandse wagen op Abdul wachtte. Hij mocht nog even een sigaretje roken en werd daarna naar de gevangenis in Rotterdam gebracht.

„De gevangenis!”, roept hij als hij erover vertelt. Zijn ogen tranen. „Waarom de gevangenis? Ik ben geen slecht persoon, ik wilde gewoon niet meer buiten wonen en illegaal zijn.” Ongedocumenteerde mensen worden vaker vastgezet zonder een misdrijf te hebben gepleegd, bijvoorbeeld terwijl de IND mogelijkheden tot uitzetting onderzoekt of een identiteit probeert vast te stellen.

Na vijf maanden en negentien dagen kwam hij vrij. Toen klopte hij aan bij De Tussenvoorziening en sindsdien (2017) woont hij daar. Het ging even iets beter, maar het gebrek aan perspectief brak Abdul met de jaren op. „Eigenlijk heb ik nergens meer zin in.” Papieren zijn de weg naar een stabiel leven, ziet hij om zich heen. Voor hem lijkt dat onbereikbaar. „Kon ik maar wegvliegen en in een boom wonen.”

Gewapende milities in Libië

Abdul kwam in 2011 aan in Ter Apel, na het uitbreken van de oorlog in Libië. Op zijn telefoon laat hij foto’s zien van verwoeste huizen. „Dit is mijn dorp Qaser bin Ghashir. Dat huis? Van mijn buurman. Hij en zijn kinderen zijn dood.” Een andere foto, van een uitgebrand huis. „Van mijn broer.” Hij liet de foto’s ook aan de IND zien, maar die achtte dat onvoldoende bewijs. „De foto’s kunnen ook van ergens anders zijn, zeggen ze.”

Na de dood van dictator Moammar Gaddafi ontstonden in Libië verschillende gewapende milities. „Ze hebben mijn broer drie keer ontvoerd voor losgeld. Daarna is hij naar Duitsland gevlucht. Dit is wat het Westen doet: een dictator doodschieten en een land daarna aan zijn lot overlaten.” Hij likt het vloeipapier van een nieuwe sigaret.

De IND verweet Abdul vergissingen te maken. „Ik had een keer een datum verkeerd. Soms maak ik fouten, ja. Dat doet iedereen, toch? Weet jij nog wat je vorige week zaterdag hebt gegeten? Bij het COA vroegen medewerkers me telkens naar de situatie in Libanon. Ik kom uit Libië! En dan ben ik een crimineel omdat ik vergeet wat precies op welke datum is gebeurd?”

Het heeft een sterke bewijsdrang in hem aangewakkerd. Bij elke anekdote laat hij een foto of document zien. Zelfs van zijn vrijwilligerswerk als koekjesbakker of van het certificaat dat hij kreeg als vrijwilliger houtbewerken bij het Leger des Heils. Zijn geboortecertificaat laat hij ook zien. Alsof Abdul wil zeggen: ik besta.

Voor de burgeroorlog woonde Abdul met zijn broers, zussen, ouders, grootouders en alle kinderen verdeeld over drie huizen in dezelfde straat. „We hadden vaak familiebarbecues. Dan haalde ik vis van de markt en maakte mijn moeder de marinade. Ze kan zo goed barbecueën. Onlangs vroeg ik haar wanneer ze voor het laatst had gebarbecued. ‘Toen jij er nog was’, zei ze. We waren zo hecht, maar door de oorlog zijn we verspreid geraakt.” Zijn moeder en zus wonen in Tunesië.

„Geloof me”, zegt hij, „als ik terug kon naar Libië, had ik dat gedaan. Ik wil toch veel liever thuis zijn?”

Hij steekt de sigaret aan.

Rada stelde vragen aan iedereen

Rada heet eigenlijk Reda. Maar de IND verstond het verkeerd en noteerde Rada. Hij paste zich maar aan, dus nu heet hij Rada.

In 2019 kwam Rada (24) aan in Nederland. Hij vertelt daar graag over, „zodat mensen begrijpen waarom wij hier zijn”. Intussen trommelt hij zachtjes op een kleine djembé. Rada groeide op in een strenggelovige familie in een dorpje in Marokko. Vanaf zijn zesde kreeg hij les in de Koran. Hij vond het leuk en vertelde iedereen over wat hij leerde. „Maar naarmate ik ouder werd, had ik ook veel vragen. De profeet is heilig, maar ook getrouwd met een meisje van zes. En hij mocht ook andere vrouwen hebben. Dat snapte ik niet. Maar ik wist ook dat je niet mocht twijfelen aan de profeet, dus bad ik dat het wegging. Dat ging het niet.”

Toen hij een jaar of vijftien was, ging hij toch vragen stellen. Aan iedereen: „Mijn vader, mijn broers, de buren. Ze noemden me kafir [ongelovige]. Het enige wat ik over dat woord wist, was: een kafir hoort niet bij ons, een kafir is alleen. Sterker, iemand die een kafir doodmaakt, zou naar de hemel gaan. Voor zondaars is het soms de laatste redding. Wat als iemand mij dood zou maken?”

Hij stopte met vragen stellen en ging weer bidden. „Maar de vragen speelden nog steeds in mijn hoofd en dat maakte me angstig. Intussen spraken veel mensen al niet meer met me.” Een oom maakte gebruik van de eenzaamheid van de puber en verkrachtte hem meermaals, vertelt hij. „Hij wist dat toch niemand meer om mij gaf.”

Een bewoner (niet Rada of Abdul) van De Tussenvoorziening in de gedeelde badkamer.

De tweede vluchtpoging slaagde

Op zijn twintigste besloot Rada te vertrekken. Hij verstopte zich ’s nachts onder een bus en liftte stiekem mee, de hele rit onder de bus. De eerste keer kwamen twee broers achter hem aan en brachten hem terug, de tweede vluchtpoging slaagde. Via Spanje kwam hij aan in Nederland, waar hij in een azc in Drachten terechtkwam. „Ik was blij, ik voelde me daar veiliger dan thuis.”

Maar de asielaanvraag van Rada werd afgekeurd: Marokko is volgens de IND veilig voor ongelovigen. „Dat klopt: in de grote steden. Maar niet in mijn dorp. En niet als je familie je zoekt.”

Hij belandde met enkel een slaapzak in een bos bij Utrecht en raakte verslaafd aan drank en benzodiazepinen (kalmeringsmiddelen). Een andere Marokkaanse jongen raadde hem aan naar de moskee of kerk te gaan voor hulp. Beide wantrouwt hij, maar toch stapte hij op een dag een kerk binnen. „Ik moest iets doen.”

Hij sprak destijds nog geen Nederlands en de pastoor slechts een beetje Frans. Ze kwamen niet ver, maar de pastoor gaf Rada een bijbel in het Arabisch. „Ik dacht: bro, ik kom voor hulp en ik krijg een bijbel?” Toen hij daarna achter de kerk een sigaretje opstak en de bijbel opensloeg, viel zijn oog op een tekst van Jezus: ‘Alle mensen die het moeilijk hebben, zal ik helpen.’ Hij schonk er weinig aandacht aan.

Later die dag vroeg hij om een slaapplek bij een nachtopvang, wat eigenlijk niet mag zonder papieren. Toen hij toch een plek kreeg, moest hij aan de tekst denken. „Ik dacht: wauw, kijk hoe de dingen zijn veranderd in een paar uurtjes.”

In de opvang las hij de Bijbel, als tijdverdrijf, „ik had geen telefoon en niets te doen”. Hij had nog steeds enige scepsis, maar merkte ook dat hij zich fijn voelde bij het boek. „En toen werd ik gebeld door iemand die weer gebeld was door de pastoor, dat ik langs mocht komen in zijn kerk. Dat deed ik. Hij bad voor me en ik voelde me welkom. Ik besta weer, dacht ik.”

„Dat jaar [2021] ben ik gedoopt. Nu evangeliseer ik, met geloofsgenoten de straat op met de Bijbel. Het liefst zou ik theologie studeren en word ik pastoor.” Zonder papieren is die droom onhaalbaar. Hij kan niet studeren, werken of een woning krijgen. Maar in Marokko zou hij „voor altijd in de schaduw moeten leven”. „Hier ben ik onderdeel van een gemeenschap. Ik ga naar de kerk, speel djembé en heb soms optredens, ga elke maandag naar een theatergroep. Zo’n leven zou ik in Marokko nooit kunnen leiden.”

Migratie en vluchtelingen

Lees meer

Lees meer

Migratie en vluchtelingen

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next