Home

‘Dat was dus gruwelijk fout gegaan. Had ik de juiste keuze gemaakt?’

Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Galid (28) en zijn collega Martijn waren bezig voertuigen te controleren. Ineens moest een van hen vechten voor zijn leven.

is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.

‘Dit incident liep maar nét goed af. Martijn en ik controleerden voertuigen in Amsterdam. In een van de auto’s die langsreed, zat de bestuurder ontzettend achterover gezakt. Dat is niet meteen verdacht, maar het triggerde me.

‘Ik controleerde het kenteken en zag bijzondere aantekeningen: hij werd verdacht van extreme delicten. Wij reden erachteraan en gaven een stopteken met de lichtbak op het dak van onze dienstauto. Vanwege de antecedenten meldde ik onze controle bij de meldkamer, en vroeg of er een extra auto kon aansluiten.’

‘Kom even uit de auto’

‘Die bestuurder, een jonge vent, zette zijn auto aan de kant. ‘Goeiemiddag, mogen we even uw rijbewijs zien?’, vroegen we. ‘Dat heb ik niet bij me’, antwoordde hij. Martijn en ik wisselden even een blik. Naast de bestuurder zat nog een jonge gast die zich ook niet kon identificeren. ‘Oké jongens’, zei Martijn, ‘kom even uit de auto.’

‘Terwijl mijn collega met ze in gesprek ging, controleerde ik in hun auto het handschoenenvak, de middenconsole en andere plekken op identiteitspapieren. Ik vond een document waarvan ik meteen aan de foto zag dat het niet van deze twee jongens was, en confronteerde hen daarmee.

‘Daarna ging alles heel snel. De bijrijder rende weg, wij stoven erachteraan. Na een sprint van een meter of 20 dacht ik: nee, ik ga terug naar de bestuurder met die antecedenten – misschien probeert die bijrijder de aandacht van hem af te leiden. Wel schreeuwde ik over mijn portofoon: ‘Achtervolging te voet!’, en de richting waarin de bijrijder wegrende. Ik hoorde Martijn nog roepen: ‘Staan blijven!’’

‘Terug bij de auto’s pakte ik die andere kerel bij zijn arm, zodat hij er niet vandoor kon gaan. ‘Je hoeft niet zo aan me te zitten’, snauwde hij. Er ontstond discussie, ik was alleen, hij kon zich niet identificeren, dus ik zei: ‘Je bent aangehouden’, en boeide hem.’

Niemand schoot te hulp

‘Ondertussen gebeurden er heftige dingen met Martijn: die wegrennende verdachte luisterde niet naar het stopcommando, daarom greep Martijn zijn stroomstootwapen en taserde hem. De jongen viel op de grond, ze raakten in gevecht en daarbij zette de verdachte een nekklem bij Martijn, die nog net, met moeite, op de noodknop van zijn portofoon kon drukken en om hulp riep. Er stonden veel kijkers rond het gevecht, maar niemand schoot te hulp.

‘Terwijl ik mijn verdachte stond te boeien en alles wat er met Martijn gebeurde niet direct meekreeg, hoorde ik sirenes van collega’s. Twee dienstauto’s kwamen naar me toe. Onze operationeel coördinator stapte uit, vroeg wat er aan de hand was en stuurde de tweede auto naar Martijn, bij wie ook al versterking was aangekomen. Want als je op de noodknop drukt, laat iedereen die in de buurt is alles uit z’n handen vallen om die collega te gaan helpen. Zij hebben de verdachte van Martijn losgetrokken en afgevoerd naar het cellencomplex.

‘Martijn kwam teruglopen mijn kant op. Hij hield zijn hand bij z’n adamsappel, klonk schor en zei: ‘Die gast probeerde me te wurgen.’ Ik schrok; dat is poging moord of doodslag. Het hele circus trad in werking: de districtsrecherche ging de zaak onderzoeken. Ook kwam er een ambulance om Martijn na te kijken.

‘Ik ging op de motorkap zitten met een schuldgevoel: dat was dus gruwelijk fout gegaan. Je wilt nooit dat een collega in zo’n benarde situatie komt, ik had daar bij Martijn moeten zijn. Dat spookt allemaal door je hoofd. Had ik de juiste keuze gemaakt?’

Dat blauwe familiegevoel

‘We gingen debriefen op het bureau. Bij binnenkomst kwamen allerlei collega’s aan ons vragen hoe het ging. Dat is dat blauwe familiegevoel, dat deed me goed. Bij de debriefing zag ik dat iedereen was aangeslagen; dit had heel verkeerd kunnen aflopen.

‘In de kleedruimte praatte ik na met Martijn. Hij nam me niets kwalijk en zei dat we allebei het juiste hadden gedaan. Die verwurger is veroordeeld, de ander mocht na controle gaan.

‘Dit voorval laat zien dat wij soms van nul naar honderd gaan. Je staat iemand te controleren en moet ineens vechten voor je leven. Omstanders komen je niet altijd helpen. En mensen kunnen ineens ontploffen. Als ze boos zijn, zien ze alleen nog je uniform, en niet meer de persoon daaronder. Je bent de boksbal waarop ze al hun woede ventileren. Wij komen om de rust en veiligheid terug te brengen, maar worden vaak verschrikkelijk uitgekafferd. Vaak vraag ik me af: hoe zou jíj het vinden als je zo werd uitgescholden?

‘Na die aanhoudingen hebben Martijn en ik nog vaak samen op de auto gezeten. Soms hebben we het er nog weleens over, maar niet vaak. We hebben sindsdien weer veel leuke en bijzondere dingen samen meegemaakt. Want ondanks enkele rottige incidenten is politiewerk toch gewoon het mooiste wat er is.’

Galids achternaam kan om veiligheidsredenen niet worden vermeld.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next