Je moet niet te zware grond hebben en zoet water bij de hand om te beregenen. En een gematigd klimaat, niet te ver van de kust. Dan kun je er prima tulpenbollen kweken.
Sinds eind maart bloeien ze in lange bedden, in kleuren waarvan je niet met zekerheid kunt zeggen of ze vloeken of juist perfect bij elkaar passen. Lila, violet, cyclaam, mauve, magenta – wel tien soorten paars, en net zoveel gelen, roden en oranjes. Alsof modekoning Paul Smith zijn signature stripes heeft uitgerold op Goeree-Overflakkee.
Want dit is geen Lisse en Hillegom, maar het zuidelijkste stukje Zuid-Holland, tussen Haringvliet en Grevelingen, waar zeven van elke honderd Nederlandse tulpenbollen groeien.
Met de tulpen komen de toeristen. En met de toeristen komt de ergernis. Vaste mopperpot is een kweker uit Ooltgensplaat. „Vorig jaar stonden er opeens vijftig Japanners in het veld”, citeren de regiotitels van het AD hem. „Er blijven mensen die niet lezen dat je ze niet mag meenemen”, klaagde hij eerder.
Als ik op een doordeweekse dag een kijkje neem in ‘De Keukenhof van de Rijnmond’, zoals een marketingbureau heeft verzonnen, zijn er nul Japanners. Twee vrouwen maken een selfie op een dijkje. In Nieuwe-Tonge tilt een echtpaar de fiets van hun hagelwitte camper voor een bollentochtje.
„De toeristen zijn wel een probleem”, zegt Leen van Es. „Zeker in het weekend, bij mooi weer en langs de doorgaande weg. Maar mijn meeste percelen liggen in de polder.”
Van Es verbouwt aardappels, uien en suikerbieten, zoals velen op het eiland. En tulpen. Maar op dezelfde akker niet vaker dan om de zeven jaar bollen, om de grond gezond te houden.
Op dit perceel, vijftien hectare Flaming Flag en Pretty Woman, zal een machine binnenkort de wit-paars gevlamde en kardinaalsrode ‘koppen’ afsnijden. Zonder bloem om zijn energie in te steken groeit de bol door, om eind juni gerooid te worden.
De grotere bollen gaan naar een ‘broeierij’, waar er opnieuw tulpen uit groeien die je het voorjaar erna kunt kopen op de bloemenmarkt of in de supermarkt. Of ze gaan naar het buitenland, natuurlijk.
De kleinere worden in de herfst herplant en tot die tijd bewaard. Van Es is er een nieuwe schuur voor aan het bouwen, met cellen waarin het zuurstofgehalte extreem wordt verlaagd om de galmijt en zijn eitjes te verstikken. „Peperduur, maar chemisch bestrijden mag niet meer”, zegt hij. Spuiten doet hij alleen nog tegen schimmel.
Een rijtje mannen en vrouwen beweegt traag door de tulpenzee, speurend naar een zieke plant of een kop in de verkeerde kleur. Snipsnap doet hun knipschaar. Dan even de ‘stipstok’ tegen het snijvlak voor een druppel glyfosaat, zodat de bol afsterft. En door; nog een paar weken duurt hun seizoen.
‘Ziekzoeken’ heet dit. De ziekzoekers komen uit Wit-Rusland, Polen en Oekraïne, via een uitzendbureau. „Ik heb het vaak geprobeerd, maar helaas is geen Nederlander meer bereid om dit werk te doen”, zegt Van Es. Ook hier is het wachten op de robot.
Onderweg naar een andere groep ziekzoekers op een tweede perceel wijst hij op een zee van rood-geel gevlamde en knalroze tulpen. Als de zon doorbreekt doet het bijna pijn aan je ogen. „Jan Seignettes en Aafkes”, zegt hij. „Die zijn niet van mij.”
Hans Steketee doet elke maandag ergens vanuit Nederland verslag
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen