Nooit eerder hebben zoveel Hongaren hun stem uitgebracht als bij de parlementsverkiezingen van zondag. Oppositiepartij Tisza hoopt te profiteren van de recordopkomst, om zo na zestien jaar een einde te maken aan de regeerperiode van premier Viktor Orbán.
Om 18.30 uur, een half uur voor de stembussen sloten, had 77,8 procent van de kiezers gestemd. Dat is met afstand de grootste opkomst sinds Hongarije in 1989 een democratie werd. De recordopkomst uit 2002 was twee uur voor het sluiten van de stembussen al verbroken.
Aanhangers van Tisza zijn zondagavond zenuwachtig en hoopvol. Ze hebben zich verzameld langs de Donau, pal tegenover het Hongaarse parlement. De 19-jarige Zsófia Lakits, die voor het eerst heeft gestemd, hoopt op een einde aan ‘de corruptie en het constante haatzaaien dat vrienden en familie tegen elkaar opzet’. Haar oma zei nooit meer met haar te spreken als ze maar iets met oppositieleider Péter Magyar te maken heeft. Toch stemde ze op hem. ‘Magyar zegt dat hij dit wil stoppen.’
Op het moment dat de krant ter perse gaat, wachten de Hongaren verder af. In de late avond zal zich een duidelijker beeld aftekenen. Maar het kan zelfs nog enkele dagen duren voordat de exacte uitslag binnen alle kiesdistricten bekend is, die bepalend zijn voor de verdeling van de zetels in het parlement.
Met 37 procent van de stemmen geteld kwam Tisza om 21.00 uur voorlopig als grootste uit de bus met de helft van de stemmen. Fidesz bleef steken rond de 40 procent. Het extreemrechtse Mi Hazánk haalde vooralsnog de kiesdrempel met 6 procent. Met deze voorlopige uitslag zou de hoofdvraag niet zijn of Tisza de verkiezingen wint, maar of het een tweederdemeerderheid haalt.
Magyar heeft zondagavond de overwinning uitgeroepen. Op Facebook schreef de oppositieleider dat premier Orbán hem heeft gebeld om hem te feliciteren met de overwinning. ‘Wij zullen ons land dienen, zelfs vanuit de oppositie’, zei Orbán op een verkiezingsbijeenkomst van zijn partij.
De 51-jarige schermleraar Gábor Kuti, een Hongaar die in München woont, is speciaal voor deze verkiezingen naar zijn geboorteland gereisd. De briefstemmen vanuit Duitsland vertrouwt hij niet, bang dat Fidesz ermee zal rommelen. Kuti stemt samen met zijn moeder, jarenlang een trouwe Fidesz-stemmer – tot onvrede van haar zoon, die al sinds 2010 niets van Fidesz moet hebben. Maar dit jaar heeft ook zij de partij van Orbán de rug toegekeerd.
Kuti hoopt dat Hongarije na zestien jaar zal afrekenen met Orbáns regering. ‘Dit zijn denk ik de laatste verkiezingen dat we die kans hebben.’ Een ruime overwinning voor de oppositie is volgens Kuti ‘de enige manier om het systeem van Orbán af te breken’.
Magyar, die zelf uit de rangen van Fidesz komt, groeide in twee jaar tijd uit tot de onbetwiste oppositieleider. ‘We hadden iemand nodig van binnenuit’, zegt de 55-jarige Tisza-aanhanger Levente op de oevers van de Donau. ‘Hij kent ze (Fidesz, red.), hij kent hun tactiek en trucjes.’
Magyar voerde campagne over de slechte staat van de Hongaarse economie, de corruptie en het falende beleid. Daarmee wist de conservatieve politicus Hongaarse kiezers van diverse pluimage achter zich te scharen, ook landgenoten die het misschien niet met hem eens zijn, maar Magyar als enige kans zien Orbán uit het zadel te krijgen.
Orbán zelf voerde de afgelopen maanden een keiharde verkiezingscampagne, waarin Oekraïne de hoofdrol speelde. Hij probeerde zijn aanhang ervan te overtuigen dat de Hongaarse oppositie samenspant met Oekraïne en de Europese Unie, in een poging Hongarije in de oorlog te betrekken.
Die boodschap is aangeslagen bij een deel van het Hongaarse electoraat, blijkt in Orbáns geboortestad Székesfehérvár. ‘Ik stem voor Viktor Orbán’, zegt de gepensioneerde militair Gyula Hettinger (83) als hij uit het kieslokaal stapt. ‘Er mag geen oorlog komen’, legt Hettinger zijn stem uit. Hij heeft de oorlog nog meegemaakt als klein kind, zijn woonplaats Sopron werd destijds gebombardeerd. ‘Vrede, vrede, vrede’, wil hij. Fidesz gaat winnen, denkt Hettinger. ‘Hongaren houden van Viktor Orbán.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant