In gulzig geschreven proza voert Wouter Godijn de lezer van Het offer mee terug naar de middelbareschooltijd van verteller Maarten en diens verrukkelijke verliefdheid op Nicole. Dan slaat het noodlot toe.
Een redacteur van een uitgeverij zei me eens, nogal stellig, het niet zo te hebben op verliefde personages. Heel vermoeiend, dat lyrische geblaat over een fictieve ander en dat geduld dat wij als lezer maar voor die vreemde ziekte moeten opbrengen. Verliefdheid is vooral interessant voor de patiënt, niet zozeer voor de verpleger die hem hoort ijlen.
Ik moest denken aan die boude uitspraak, waarmee ze meteen zo’n 80 procent van de wereldliteratuur afschreef, bij het lezen van Het offer van Wouter Godijn (1955). Verteller Maarten, inmiddels op leeftijd, zou het liefst ‘twaalfduizendachthonderddrieënzestigentweederde’ pagina’s over zijn jeugdliefde Nicole willen uitweiden.
‘Ja, uitweieieieieiden! Waarom kan dat niet…?! Waarom zou dat verdomme niet kunnen…?! Nou, niemand wil dat lezen. Alleen ik.’
Ergens begrijpelijk, die schroom. Onderscheidend is het begin van hun kalverliefde immers niet, de liefde ontspruit via gebeurtenissen die alleen voor de betrokkenen zoveel meer zijn dan gewoon gebeurtenissen. Nicole loopt door de klas (het ene moment gracieus, dan weer slungelachtig), ze gaat zitten, ze steekt haar vinger op, maakt er een parodie van een vingeropstekend kind van als de leraar niet naar haar wens reageert. Een blik, Maartens kant op. Ze laat haar potlood op de grond vallen.
Voor een buitenstaander is het niets, maar in handen van Wouter Godijn is het álles. IJl toch alsjeblieft door! Wat een sublieme gave heeft hij, om de middelbareschooltijd zo levendig op te roepen. Het benauwende, zwetende, pokdalige ongemak, maar ook: de mogelijkheden.
Maartens schooldag is een ‘geheimzinnig en verrukkelijk’ doolhof, en dat allemaal vanwege de kans dat zijn lesrooster dat van Nicole kruist. Waar is ze, wat doet ze, met wie gaat ze om? Het was jaren geleden dat ik aan een multomap dacht – door Godijn weet je weer precies hoe zo’n ding ineens kan voelen als veel méér, een relikwie kan worden als degene van wie je houdt haar over de schoolbank naar zich toetrekt en erin begint te tekenen.
Dat Godijn grossiert in gulzige, springerige taal wisten wij al uit zijn eerdere werk – hij schreef acht romans en tien dichtbundels, die tamelijk onder de radar bleven. Het is proza vol haakjes, associaties, aanwijzingen aan de lezer, opzwepende herhalingen.
In zijn fantasyroman Meneer L. en het meisje (2024) diende dat proza als een magisch-realistische toverspreuk, maar wat past het ook goed bij de scholier die hier aan het woord is, want zo brutaal, zo levenslustig.
Godijns proza is bestemd voor de liefde. Maarten wil maar al te graag kwijt hoe Nicole van ‘een meisje hét meisje wordt’. Er wordt gezoend in het duin (Godijn kiest voor het passende ‘bekken’), Maartens kin raakt kletsnat van het speeksel. En dan de onverwachte sensatie van zo’n ander lichaam, ineens in je armen: ‘Haar rug. HAAR RUG! HAAR RUG! ROEP DE POLITIE! DE BRANDWEER! Dit kan toch niet?! Dit kan helemaal niet!’
Even over dat object van verlangen, vanzelfsprekend zoveel slimmer en wereldwijzer dan Maarten. Hoe hij háár nou heeft kunnen krijgen: tig jaar later is hij er nog steeds niet over uit. Hij probeert Nicole terug te schrijven naar het heden, een onmogelijke opgave.
De verteller heeft inmiddels twee kinderen, dochters die amper naar hem omkijken, is getrouwd geweest. Niet met Nicole, zoveel is duidelijk. Tot je eerste liefde heb je maar één keer toegang. Een sfeer gelijk aan die van Wolkers’ Turks fruit biedt uitkomst, heeft plaats voor zowel het sentiment van de oude man als de verwondering van de jongen, klopt precies bij het tijdsbeeld van de jaren zeventig, waarin deze liefdesgeschiedenis zich afspeelt.
Dat sfeertje is even liefdevol als smerig. Nicole heeft borstjes en een kutje (later beschreven als een ‘schaaltje rosbief’, ach ja) en ‘ze hield haar benen zo stijf tegen elkaar dat ik alleen maar pikzwarte haartjes zag. Vachtje. Knus diertje’. Nicole is van het type ‘niet zoals andere meisjes’, want ze draagt broekpakken in donkere tinten, is ad rem en praat in een fonetisch, plat soort Haags (‘Muh hele smoel is weer zeiknat.’) Nicole is voorlijk. Ze krijgt er geen genoeg van.
Het noodlot houdt van dat soort meisjes.
En dat is waar de hele geschiedenis voor mij een ietsiepietsie begint te wringen, waar de opgetogen stijl het niet meer wint van alle tropen. Het maffe, excentrieke meisje is, hoe kan het ook anders, bezig gek te worden. Ze pijpt hem met een broodmes in Maartens vizier, het ligt op het ‘kinderkamerblauwe’ (lief, desondanks) kastje naast haar bed: ‘Het was een vorm van geweld. Ik voelde haar tanden, niet toevallig. Ze wilde dat ik besefte wat ze zou kunnen doen; wat ze ieder moment zou kunnen doen; wat-ze-zou-kunnen-wat-ze- zou-kunnen-wat-ze-ieder-moment-wat-ze-zou-kunnen-doen.’
Ik heb Godijn liever op de plek van de enthousiasteling of sentimentalist, dat past hem beter. De gekte blijkt, goddank, een episode, die subtiel wordt verklaard door een intergenerationeel oorlogstrauma dat Nicole parten speelt. Of is het toch dat andere, dat misschien nog wel wredere, dat in haar huist, dat wat ik maar niet verklappen zal, dat waardoor het ‘ik’ van de oude man steeds meer de overhand neemt? Hij beziet zijn leven, vertelt hoe deze eerste liefde toch altijd zijn enige is gebleven. Misschien, concludeert hij, moet je het mooiste stuk van jezelf laten doodgaan om het leven van een volwassene te kunnen leiden. Een offer.
De lezer weet beter: die onverschrokken jeugdigheid, die is er heus nog wel – de Maarten van toen vond een opleving bij het schrijven, in de taal. Ik heb van hem genoten.
Wouter Godijn: Het offer. Atlas Contact; 240 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant