Oud-politieman Jan Struijs presteerde het onmogelijke: hij liet de voormalige ruziepartij 50Plus terugkeren in de Tweede Kamer. Nu wil iedereen iets van hem. ‘Ik ben niet gek, met m’n twee zetels. Ik speel hard to get.’
is politiek verslaggever van de Volkskrant.
De oude wijze man onder een boom. Zo wordt Jan Struijs gezien in de Tweede Kamer, vertelt hij, net geïnstalleerd op zijn tijdelijke werkplek. Het is 16 december, vier weken na zijn beëdiging en de fractieleider van 50Plus zit nog compleet in zijn ‘verwonderfase’.
Hoe hard politiek kan zijn, zag Struijs aan de vertrekkende NSC-Kamerleden en -medewerkers, die hij met kartonnen dozen tegenkwam in de lift naar beneden. ‘Echt dat Wall Street-gevoel. Ik werd aangesproken door iemand: ‘Meneer Struijs, mag ik u mijn nummer geven, want ik ben mijn baan kwijt.’
‘Ik ben weerbaar genoeg, want ik ben 64, heb een carrière achter de rug, voor mij is er geen betere timing dan er nu in te stappen. Ik ben nog fris en fruitig, vind ik zelf. Maar ik heb ook zat meegemaakt in mijn leventje.’
Struijs werkte 33 jaar bij de politie, als rechercheur in Rotterdam, bij de Criminele Inlichtingendienst, bij Interne Zaken, de Zeehavenpolitie en de Politieacademie. Van 2016 tot 2023 was hij hoofd van de Nederlandse Politiebond, de grootste Nederlandse politievakbond. Daarna vertrok hij en nam hij een ‘tussenjaar’ – geen ‘vroegpensioen’ zeggen, verzoekt Struijs – om een boek te schrijven over zijn enigmatische opa en diens oorlogsgeschiedenis, De vermiste vader. En toen hij dat af had, belde Corrie van Brenk van 50Plus.
De partij wilde terug de Kamer in, en daarvoor was een nieuwe lijsttrekker nodig. De partij kampte met een imagoprobleem, veroorzaakt door jarenlang geruzie en een onuitputtelijke reeks afsplitsingen en royementen, met als dieptepunt het door de politie afvoeren van kandidaat-lijsttrekker Gerard van Hooft op het partijcongres van 2023.
Struijs ging rondbellen. ‘Ik merkte dat de boel was opgeschoond, er waren littekens, maar de oproerkraaiers waren weg. 50Plus is groter dan je ego, dat heb ik in die eerste gesprekken meteen tegen iedereen gezegd. Ook tegen mezelf. Jan Struijs is niks, 50Plus is alles. Je moet zoiets niet doen ter meerdere eer en glorie van jezelf.’
Hij heeft ‘het onmogelijke gepresteerd’, zei Kamervoorzitter Thom van Campen bij het aankondigen van Struijs’ maidenspeech. Nooit eerder is een partij die eerder uit de Kamer verdween erin geslaagd terug te keren in het parlement, met twee zetels nog wel. Strategische zetels in het politieke midden, zoals Struijs zelf steeds benadrukt. ‘Hoewel we een kleine partij zijn, komen ze allemaal langs om te lobbyen met hun moties, want vaak hebben ze onze zetels nodig. Voor ons is een minderheidskabinet gunstig, dan kunnen we meer invloed uitoefenen. Ik ben niet gek, met m’n twee zetels. Ik speel hard to get.’
Een paar weken later, op 10 februari, is 50Plus verhuisd naar een vaste plek op de vijfde verdieping. De kamer van Struijs is sober ingericht: bureau, vergadertafel, ingelijst Sparta-shirt aan de muur, een zieltogende kamerplant. Struijs eet een broodje kaas en is in een goede bui. De motie waarin hij de regering vraagt werk te maken van ‘meer openbare toiletten op logische plekken’, waarover vanmiddag zal worden gestemd, slaat aan.
‘Ik wist dat het leefde, maar dat het zó zou leven had ik niet verwacht. De wereld staat in brand, maar hier krijgen we een partij mails over, niet normaal. Hè hè, eindelijk, zeggen mensen, jong en oud, met en zonder medische indicatie. Veel vrouwen, jonge vrouwen ook. Ouderen die geen boodschapjes meer durven te doen omdat ze bang zijn dat ze het niet volhouden. Er is echt een relatie tussen toiletten en eenzaamheid. Ik hoor dat tijdens werkbezoeken, je schrikt je eigen de pestpleuris. Mensen durven de straat niet op, mede omdat er niet genoeg openbare toiletten zijn, en daarom zitten ze in hun eentje thuis.’
Debatten doet Struijs, soms tot wanhoop van zijn staf, het liefst uit zijn hoofd. Hij leest liever Gerard Reve dan ambtelijke stukken en kiest zijn eigen woorden als een voorstel hem niet bevalt, zoals toen het CDA opperde om ‘onderzoek’ te doen naar een hogere kiesdrempel, waardoor kleine partijen uit de Kamer zouden verdwijnen. ‘Héél bijzonder. Ik zeg tegen Bontenbal: je wil toch dat de kleine partijen zich coöperatief gaan opstellen, omdat je meerderheden zoekt voor je plannen? Dat is wel een héle frisse wind, als je dan hiermee begint. Je vraagt aan de kalkoen of-ie opgegeten wil worden met de Kerst. Echt een gebrek aan politieke sensitiviteit.’
Struijs vindt het – een zeldzaamheid in Den Haag – geen probleem om geïnterviewd te worden zonder woordvoerder naast zich. De fotograaf die hem portretteerde voor dit magazine was zelfs welkom bij de tandarts, waar Struijs behandeld zou worden vanwege een door het ‘ouwelullenboksen’ veroorzaakte ontsteking. Helaas (voor de fotograaf) werd die afspraak verzet. ‘Als die fotograaf zoiets wil, mij best. Het had bloederig kunnen worden. Moet hij weten, ik laat mijn dagritme er niet door bepalen. Ik zei tegen mijn team: óf ik ben uitsluitend politicus, en dan stop ik de mens ergens ver weg, óf de mens en de politicus blijven verbonden. Jan is Jan. Ik ben gewoon altijd Jan.’
Ook geen probleem: het bijwonen van een fractievergadering, met naast de twee Kamerleden hun beleidsmedewerkers en woordvoerder. Op 24 februari, een dag na het aantreden van het kabinet-Jetten, gaat het daar eerst weer over de toilettenmotie. Een ‘weergaloos succes’, want veelbesproken, en alleen Forum voor Democratie stemde tegen. Verder was Struijs ‘overal en nergens’ om met andere fractievoorzitters te overleggen over het afzwakken van de bezuinigingsplannen van het kabinet en ontving hij geruststellend bedoelde appjes vanaf het allerhoogste niveau. ‘Rob appte: er komt ruimte, Jan, er komt ruimte. En twee minuten later had ik die Vijlbrief (minister van Sociale Zaken, red.) aan de lijn. Dus daar zit regie achter. Vijlbrief komt vanmiddag langs. Ik ben benieuwd. Het zegt wel iets dat hij op de dag na zijn aantreden meteen langs wil komen.’
De CPB-doorrekeningen heeft hij ‘nog niet helemaal’ kunnen lezen. ‘Ik ben ermee in slaap gevallen. Ik werd wakker met een velletje papier op m’n gezicht. Ja, 50Plus hè. Als iemand van jullie tijd heeft om het even door te scannen, graag.’
De bijdrage van Struijs aan het debat over de regeringsverklaring wordt doorgenomen, iedereen heeft de tekst voor zich liggen. Struijs: ‘Ik ben het zó zat hoe er over vijftigplussers wordt gesproken. Constant negatief! Ze zijn geldverslindend, zitten maar achter die geraniums met al hun geld, en dan nog klagen ook. Daar wil ik morgen echt iets over zeggen. Ze zijn vrijwilliger, mantelzorger, buurtverbinder, het cement van de samenleving. Dat is een goede aftrap van mijn bijdrage, denk ik.’
Collega-Kamerlid Corrie van Brenk: ‘Ik zou het woord ‘geldverslindend’ vervangen door iets als kostenpost, of potverteerders. Dat vind ik passender. En is het ouderendiscriminatie, of vinden we leeftijdsdiscriminatie beter?’
Struijs: ‘Wat ik ook belangrijk vind, is het filosofische perspectief. De jeugd droomt van morgen, de ouderen begrijpen gisteren en samen vormen zij het heden.’
Van Brenk: ‘Mooi!’
Struijs: ‘En dit verzin ik zonder te drinken, hè. Je moet mijn boek eens lezen, staat vol met dit soort dingen. Even kijken. Wij willen de AOW niet verhogen, eigen risico niet verhogen, geen 2 miljard weghalen bij de Wet langdurige zorg. Geen eigen bijdrage voor de wijkverpleging – hoe langer ik daarover nadenk, hoe schandaliger ik het vind. Als je ziek wordt, ben je de klos. Verlaging van de WIA, verkorting WW: willen we niet. Het is draconisch, als je gaat doen wat het kabinet wil. Ik ken een politieagent die een jaar voor zijn pensioen volledig arbeidsongeschikt raakte: long covid, net als zijn vrouw. Voor díe mensen doen we het.’
Aan het eind van het tweede velletje stopt Struijs even. ‘Ik eindig hier positief’, zegt hij. ‘En daar heb ik eigenlijk niet zo’n zin meer in.’ Hij leest voor: ‘50Plus beweegt mee, maar niet zonder zichtbaar te maken waar het schuurt. Nee, gaan we niet doen. Klinkt gek, maar ik ben zó ontevreden. Ik ga dit níet zeggen.’
De vierde afspraak, op 20 maart, vindt plaats in Struijs’ stamcafé in zijn geboorteplaats Vlaardingen. Hij woont al vele jaren in Hellevoetsluis met zijn vrouw Mirjam – hun drie kinderen zijn uitgevlogen – maar grijpt ‘elk excuus’ aan om te gaan lunchen in Café de Waal. Een broodje kaas op zijn vaste plek: een tafel tegen de achterwand in het midden, waarvandaan hij de ruimte kan overzien. Struijs zit naar buiten gedraaid, blik richting bar en deur. ‘Ik ga altijd op de observatieplek zitten. Die rechercheur die ik was, zit in m’n lijf, en die zal ik tot m’n dood met me meedragen. Als ik met mijn beste vrienden, ook oud-rechercheurs, een weekend wegga, is het in het café rennen voor de beste observatieplek.’
Hij zit nog steeds in zijn verwonderfase, met af en toe een kleine onderbreking waarbij de strijdbaarheid, soms teleurstelling, het overneemt. ‘Over het algemeen vind ik het werk fantastisch. En ik verwonder me over van alles. Over de gesprekken over wie waar mocht zitten in de zaal, bijvoorbeeld. Er was een soort ruzie-achtige sfeer, ik snapte niet waarom iedereen zich zo druk maakte. Nou, zei iemand, midden rechts of midden links vooraan is het beste, want dan zit je goed in het cameragebied. Dan heb je altijd camera’s op je gericht en zit je ook nog naast de looplijnen. Ik zei: zet ons maar dicht bij de wc’s. Jullie doen maar.’
Nu zit u achterin.
‘Helemaal goed. Ik kreeg een mail van een of andere communicatiegoeroe: ‘O, meneer Struijs, wat heeft u dat slim gedaan, want doordat u een stuk moet lopen naar de microfoon heeft u een entree naar uw verhaal.’ Over zo’n mail verwonder ik me ook. En over dat in het ledenrestaurant iedereen zoveel aardiger en constructiever is dan in de plenaire zaal. Over het feit dat sommige Kamerleden de kantjes ervan af lopen. Een gedeelte van de PVV’ers zie ik nooit, en dat valt des te meer op omdat de Groep Markuszower er wél is. Bij Forum zijn ze er ook vaak niet, zoals bij de defensiebegroting en toen Zelensky de Kamer toesprak, maar bij hen weet ik het motief tenminste. Ik wil, als oud-politieagent, altijd het motief weten.’
Jetten zei in een van de formatiedebatten tegen u: ‘Ik denk dat mijn vader nu appt dat de heer Struijs weer helemaal gelijk heeft, dus dat ik daar goed naar moet luisteren.’ Denkt u dan: wat aardig, wat leuk, of: ik word bespeeld?
‘Deels is het een charmeoffensief, maar ik weet dat die vader van Rob dat echt zegt. Slijmen is een groot woord, maar dat charmeoffensief wordt volop ingezet. De ministers en staatssecretarissen staan vaak in mijn kamer. Ze willen dan informeel praten. Joh, als jij een keer een motie hebt waarvoor je steun nodig hebt, dan kan dat. Het is wheelen en dealen. Of ze komen bij me als er iets is misgegaan, zoals Van Weel van Justitie, nadat hij op tv had gezegd dat 1.700 agenten in het strafdossier van het vermoorde meisje Lisa hadden gekeken. Mispeer eerste klas natuurlijk, want dat was niet zo.’
Wat kwam hij doen, om raad vragen van de wijze oude man onder de boom?
‘Damage control. Hij zag hem al hangen. Hij wist dat ik ontstemd zou zijn en dat zou laten blijken bij het eerstvolgende debat. Hij heeft mensen in de frontlinie van de maatschappij voor de bus gegooid. Dus ik vroeg hem: wie adviseert jou, en waarom ga je hierover lopen communiceren voordat de korpsleiding zelf iets heeft gezegd? Omdat mijn kennis op het gebied van veiligheid niet ter discussie staat, willen ze niet dat ik in de Kamer hierover tegen de minister tekeer zou gaan. Want dan kan de hele Kamer gaan kantelen. Ik zei: bied je excuses aan, dan ga ik me verder beraden. Ik heb hem even laten bungelen, omdat ik echt vind dat je zoiets niet kunt maken. Maar tegen alle media die me te gast wilden hebben over dit onderwerp, heb ik die week nee gezegd, omdat hij die excuses wel heeft gemaakt.’
Dus de damage control heeft in dat opzicht gewerkt.
‘Ja. Ik vind die excuses belangrijker dan dat ik op tv kom.’
Bij de gemeenteraadsverkiezingen won 50Plus zetels, maar er wonnen ook veel partijen met een campagne tegen azc’s. Leeft dat sentiment ook in uw achterban?
‘Zeker. Wat ik hoor is: natuurlijk moeten er mensen worden opgevangen, maar niet te dicht bij mij.’
De enige 50Plus-senator heeft in de Eerste Kamer tegen de Spreidingswet gestemd.
‘Voor mijn tijd. In principe moet je er met gemeenten en bewoners uit zien te komen, daarom waren we tegen. Maar toen werd ik gebeld door wethouders en raadsleden: ‘Jan, we worden bedreigd, we hebben die Spreidingswet nodig voor onze bescherming.’ Dan gaat er bij mij een knop om. Ik heb een bloedhekel aan mensen die door middel van geweld en bedreigingen hun gelijk willen halen, en dat gebeurt nu. Die Spreidingswet moet worden gehandhaafd. En als ik hoor hoe er, ook in de Kamer, over asielzoekers wordt gepraat – ik hou dan vaak mijn opa’s in mijn hoofd. Van de ene werd zijn familie vermoord door de Germaanse SS, de ander zat vanwege een verzetsdaad gevangen op Sumatra en belandde daarna in Jappenkampen. Je zal maar terechtkomen in een oorlog, denk ik dan. Voor de generatie van mijn grootouders was het normaal om vier mensen extra in huis te nemen, zelfs als je voor je gezin niet voldoende slaapplekken had.’
Wat heeft nou die twee zetels opgeleverd, denkt u?
‘Televisieoptredens – ik had een voet tussen de deur omdat ze me bij de talkshows al kenden van de Politiebond. Op een gegeven moment peil je een zetel, dan word je vaker uitgenodigd. Ik zag ook de potentie van onze achterban, die zouden we goed kunnen mobiliseren om flyers in de brievenbussen te stoppen. Die oudjes begonnen ’s ochtends met koffie en gebak, daarna gingen ze de wijken in waar de meeste oudjes wonen. Het liep als een trein.’
U noemt ze oudjes?
‘Nee, nee. Vijftigplussers. Net-gepensioneerden, over het algemeen. En een lol dat ze hadden! Ik ben twee keer mee geweest, de sfeer zat er goed in.’
Uw goede vriend Eric Strootman zei dat hij niet verbaasd was dat u de politiek in ging, maar wel over de partij. Hij zag u, als arbeiderszoon uit een rood nest, eerder bij de SP.
‘Ik snap dat. Mijn moeder stemde altijd op de PvdA, al was ze ook een groot bewonderaar van de Vlaardingse SP’er Remi Poppe. Bij de politie was ik heel activistisch. De kleine mens tegen het grote onrecht, dat is mijn drijfveer. Ik werd de rode commissaris genoemd, zette me in voor acceptatie van lhbti’ers en tegen racisme bij de politie. Als er een demonstratie was, stond ik vooraan, en dat was voor een inspecteur not done.’
50Plus heeft ook behoorlijk rechtse punten, zoals het helemaal afschaffen van de erfbelasting.
‘Als je gewerkt hebt voor je centjes, je hebt er belasting over betaald, je zet het op je spaarrekening en je wilt het nalaten aan je kinderen, die er dan wéér belasting over moeten betalen, terwijl de echte rijken hun geld hebben weggezet in het buitenland, dan vind ik daar onrecht in zitten.’
De ontvangers van erfenissen hebben voor dat geld niets gedaan en er toch ook niet eerder belasting over betaald?
‘Eens heb je er als ouders voor gewerkt.’
Voor de overwaarde van een huis toch niet?
‘Nee, daar heb je inderdaad mazzel mee. Ik wil de erfbelasting niet afschaffen om de rijken te beschermen, maar om generaties met elkaar te verbinden. Ik vind dat niet rechts. Ik vind die termen ook achterhaald, want op de zorg ben ik weer links.’
Ziet u iets in het argument dat het niet solidair is om je als politieke partij alleen op de eigen leeftijdsgroep te richten?
‘Dat doen we dus ook niet. We zijn meer dan een ouderenpartij, dat is een stigma, daar wil ik vanaf. We hebben zelfs overwogen om de naam te veranderen, maar het is gewoon een te sterk merk. Mensen op straat zeggen: ik ben 43, zijn jullie er ook voor mij? Onze naam opent deuren tot een gesprek. Het is geen passieve naam.’
In het verkiezingsprogramma staat: ‘50Plus zal bij elk onderwerp steeds in de allereerste plaats kijken naar het belang van de huidige generatie ouderen en toekomstige generaties ouderen.’ Dat is dus iedereen.
‘Die laatste vier woorden heb ik eraan geplakt. We worden allemaal vijftigplus. Hopen we.’
Wilde u als kind al agent worden?
‘Ik wilde zeeman worden. Ik kom uit een zeemansfamilie, met ooms die soms een jaar weg waren, naar Zuid-Amerika, het Midden-Oosten, en terugkwamen met de mooiste verhalen. Mijn vader heeft gevaren op de grote zee, mijn opa ook. Als kind zat ik onder de tafel in een kamer die blauw stond van de rook, als mijn ooms er waren. Veel drank, gezellig. Ik had ook altijd een nieuwe tante, met van dat getoupeerde haar en opgebonden tieten. Toen ik oud genoeg was, raadde iedereen me af om te gaan varen. Het was niet meer zo als vroeger. Toen kende je iedereen van de Vlaardingse crew, inmiddels waren er goedkopere arbeidskrachten uit andere landen. Bovendien waren de liggelden zo hoog geworden dat je binnen een dag weer uit moest varen. Ik ging in militaire dienst. Daarna werd het de politie, misschien omdat ik te veel Agatha Christies had gelezen. Ik had er een romantisch idee bij, naïef misschien zelfs.’
U werd jong rechercheur.
‘Ik was 22. Rotterdam, bureau Marconiplein, de moorden vlogen om m’n oren. Ik heb later, bij de Politiebond, gestreden voor de erkenning van PTSS bij agenten. Aan Berthold Gersons, een hoogleraar psychiatrie met wie ik bevriend raakte, vroeg ik: waarom kreeg ik het niet? Ik heb doorlopend de ergste dingen gezien. Kinderlijken, verkrachte lichamen, overhoop geschoten mensen die daarna met een mes zijn bewerkt. Ik had de gewoonte het technisch te bekijken. Ik sliep altijd goed. Ik stopte het vrij snel weg. Mijn opa, die in het Jappenkamp een buikoperatie zonder verdoving moest ondergaan, had wél PTSS, daar ben ik inmiddels vrij zeker van. Hij gilde in zijn slaap, zat aan de drank. Hij overleefde door de trauma’s weg te stoppen, maar dat lukte nooit helemaal. Onbewust heb ik iets van hem overgenomen, denk ik. Als je het niet wegstopt, keert het zich tegen je.’
U zegt dat wegstoppen werkt, maar het veroorzaakt volgens deskundigen toch juist mentale ellende?
‘Ze deden het allemaal in mijn familie. Mijn vader heeft ook een verschrikkelijke jeugd gehad, hier in Vlaardingen tijdens de oorlog, in totale armoede. De Duitsers hebben zestien keer een inval gedaan bij hem thuis, op zoek naar familieleden die in het verzet zaten, waarbij hij steeds een pistool op zijn hoofd of in zijn mond kreeg. Hij was 6. Nooit heeft hij er iets over gezegd. Mijn moeder kreeg polio in de oorlog, die zat in een zelfgebouwde houten rolstoel. Het was echt een hoop ellende. Mijn ouders gingen niet naar de 4 mei-herdenking, wilden nergens aan herinnerd worden. Ze gingen dan een blokje om. Het was next level wegstoppen. Er was voor mij geen ruimte om iets te vragen. Ik ben achter veel dingen pas gekomen toen ik een boekje ging schrijven over de Vlaardingse politie in oorlogstijd, toen heb ik allemaal dossiers zitten lezen. Mijn familie heeft me gestimuleerd geheimen te ontrafelen, want zelf vertelden ze niks.’
Bij de presentatie van dat boek, Overleven onder een andere orde, in 2010, zei u: ‘Stel dat de partij van Wilders bij de gemeenteraadsverkiezingen ergens een heel groot aantal zetels krijgt. En vervolgens vanuit het gemeentebestuur een hard beleid ten opzichte van bepaalde bevolkingsgroepen wordt opgelegd. Hoe stel je je dan op als agent? Voer je het beleid uit, of geef je er een eigen invulling aan?’ De PVV vond uw uitspraken demoniserend en stelde Kamervragen.
‘Ja, als je mensen moet gaan deporteren, dan dient je morele kompas een rol te gaan spelen. Vind ik. En de PVV had destijds ergens het woord deportatie gebruikt. Daar kwam het vandaan. De PVV eiste toen mijn ontslag. Geert kwam ik later een keer tegen. Niks aan de hand. ‘Joh, Jan, dat is politiek’, zei hij. Dus dat is politiek? Ik vond het wonderlijk.’
Heeft het wegstoppen van nare ervaringen ook nadelen gehad?
‘Bij het overleven heeft het me geholpen. Dat je er een prijs voor betaalt, is ongetwijfeld ook waar. Ben ik open tegen mijn kinderen? Ik denk het niet. Ik probeer het af en toe wel, om over gevoelens te praten, maar het kost veel moeite. Mijn dochter vindt mij gesloten, een enigma.’
Struijs denkt even na. ‘Niet om meteen weer te gaan abstraheren, maar ik vind het fascinerend, hoe dat soort dingen intergenerationeel doorwerken, hoe trauma’s worden doorgegeven.’
U ontwikkelde als politieagent een ‘weerbaarheidsschild’, schrijft u in uw boek. Zijn daar nooit barstjes in gekomen?
‘Doorlopend. Daarom is het belangrijk dat ik vrienden heb die ook oud-rechercheur zijn, die het begrijpen. Ik heb ook fouten gemaakt. In de jaren tachtig waren er grote heroïneproblemen. Als iemand in zo’n drugspand overleed aan een overdosis, werd die in een kleedje gerold en bij het vuilnis gelegd. Een keer was het een meisje, 18 denk ik. Wij moesten onderzoeken of het een moord was en vonden haar ouders, die me haar dagboek gaven. Dat heb ik gelezen, en dat was niet slim. Dan zie je een meisje, keurig op de havo, krijgt het verkeerde vriendje, een keer een blowtje, zo gaat het van kwaad tot erger. Dan kun je niet meer technisch kijken, als je dat hebt gelezen, dan ga je een laag dieper. We hebben dat pand opgerold, maar het verhoor met de dealer wilde ik niet doen. Ik achtte de kans aanwezig dat ik uit mijn plaat zou gaan, en dat was niet professioneel geweest.’
Wat leerde u daarvan?
‘Dat je je niet moet verdiepen in het slachtoffer als dat niet functioneel is voor het oplossen van de zaak. Dat is mijn copingmechanisme.’
U vertelde in een podcast dat sommige zaken onder uw huid gingen zitten, en dat u dan niet één glaasje wijn dronk, maar twee flessen.
‘Dat was een kindermoord. We wisten dat hij het gedaan had, maar het was voor de tijd van DNA-onderzoek, dus we hadden weinig bewijs. We hadden een bekentenis nodig, en dan is de beste tactiek om vriendjes te worden. Dus dan ga je uren zitten lullen over voetbal of over vissen. Gezellig, de sfeer is dat je elkaar mag, en in een onbewaakt moment probeer je dan te vragen waarom hij zo gefascineerd is door kinderen. Hij vertellen: dat hij als jongetje steeds werd afgewezen, iedereen kreeg een eerste kus, behalve hij, en dat heeft uitgemond in een obsessie voor meisjes van 10, 11 jaar, uiteindelijk leidend tot moord.’
Dat vertelde hij dus, in die amicale sfeer.
‘Ja, ja, ja. Dat vertelde hij allemaal. Het gekke is: je ziet een normaal mens, zoals jij en ik, die praat over het ernstigste misdrijf alsof hij gewoon een boodschapje gaat doen. Maar daar kun je niks van zeggen, want die man moet achter de tralies en dat kun jij niet gaan verzieken. Ik vond dat drie heel lange dagen. Na afloop hebben we er met de betrokken rechercheurs een hoop flessen wijn doorheen geknald. Ik was blij dat ik daarna een normale schietpartij had met boeven onder elkaar.’
Uw oudste dochter Liselotte, die ook bij de Politiebond heeft gewerkt, zei: agenten doen tegen hun familie altijd alsof het werk veel minder gevaarlijk is dan het is.
‘Natuurlijk. Je bagatelliseert het, zegt dat het niks voorstelt. Ik moest een keer naar Pakistan, houd het er maar op dat er veel handel in verdovende middelen was vanuit dat land en dat er contacten moesten worden gelegd om inlichtingen te verzamelen. Dan moet je dealen met corrupte figuren, je opereert onder een valse naam, zoekt grenzen op. Dat ga ik niet met alle ins en outs aan de kinderen vertellen. Dat neem ik mee mijn graf in.’
U bezocht in Indonesië, tijdens het onderzoek voor het boek over uw opa, een astroloog, en nam haar bevindingen op in uw boek. Zij concludeert dat u uw gevoelsleven jarenlang te weinig ruimte hebt gegeven. ‘Je hebt dat niet toegelaten, omdat je risicovol en zwaar werk deed. (...) Door zo intensief te leven, heb je jezelf als persoon verwaarloosd en niet voldoende onderhoud gepleegd aan je identiteit.’
‘Allemaal waar. Ik werd doormidden gezaagd door die vrouw. Het werken heb ik zeker als vlucht gebruikt. Ik heb pas laat in mijn leven liefde toegestaan, ik was 38, en dat was Mirjam. Als een vriendinnetje vroeger zei dat ze van me hield, maakte ik het twee dagen later uit. Het politiewerk is ook een pantser. Je hebt met zoveel leed te maken, daar kun je je achter verschuilen. Dat vond ik ook lekker.’
U bent een groot Reve-fan, waarom?
‘Hij is een van de weinige schrijvers van wie ik het boek af en toe wegleg om er even over na te denken. Een geweldig stilist, ik geniet het meest van zijn brieven. De tegenstrijdigheden: het bij de katholieke kerk willen horen, de fascinatie voor rituelen, de rare rechtse uitschieters, het geworstel met zijn seksualiteit. Ik lees sowieso veel. Ik ga als een gek door de ambtelijke stukken en dan pak ik een boek. Ik ben nu Sartre aan het herlezen. Het lekkerste moment is ’s avonds laat, als ik om 1 uur thuiskom na een debat en iedereen ligt te slapen. Ik ga dan eerst met Boris en Barend zitten praten, de twee cavia’s. ‘Jongens, hoe was het vandaag, is het nog een beetje uit de hand gelopen?’ Dan ga ik zitten op een lekkere stoel, jazzmuziekje op, boekje erbij. Dat zijn geluksmomenten.’
Pakt u Boris en Barend dan ook uit de kooi, of laat u ze erin?
‘Nee, ik laat ze zitten. Ik kijk liever naar ze. Ze krijgen witlof, daar zijn ze gek op. Die blaadjes houd ik dan eerst even in mijn hand als ik tegen ze praat, zodat ze me goed aankijken. ‘Jullie zijn de enige die me nog begrijpen’, zeg ik dan. Ik ben dus een man die ’s nachts met zijn cavia’s praat. De mensen zullen denken dat ik gek ben, maar ik knap er, zeker na een moeilijk Kamerdebat, erg van op.’
Zou u een boek over uw eigen leven willen schrijven?
‘Nooit. Dan moet je all the way gaan, en dat gaat niet. Ik krijg het niet uitgelegd, de dingen die ik heb meegemaakt en gezien. Heb ik geen zin in ook.’
8 augustus 1961 Geboren in Vlaardingen.
1980 Begint als agent bij de Rotterdamse politie.
1984 Overstap naar de recherche.
1990 Criminele Inlichtingendienst Rotterdam Rijnmond.
1994-2008 Verschillende leidinggevende functies bij de politie waaronder bij Bureau Interne Zaken en de Zeehavenpolitie.
2008 Programmadirecteur Politieacademie.
2010 Boek Overleven onder een andere orde, over de gewelddadige dood van zijn oom Arie Struijs en de rol van de Vlaardingse politie in de Tweede Wereldoorlog.
2013 Hoofd vakspecialistisch onderwijs Politieacademie.
2016-2023 Voorzitter Nederlandse Politiebond.
2024 De vermiste vader, boek over het verleden van zijn opa Jan Albert Struijs.
2025-heden Partijleider en fractievoorzitter 50Plus.
Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant