Verkiezingen Hongarije Twee Hongaarse vrouwen, ongeveer even oud, staan lijnrecht tegenover elkaar. De een zet zich in voor Fidesz, de partij die sinds 2010 regeert in Hongarije. De ander voor oppositiepartij Tisza. Hoe kijken zij naar zestien jaar Viktor Orbán?
Links: Mónika Baker. Rechts: Tunde Pokol
Vreselijk vindt ze het. Langs de weg in industriestad Miskolc in het noordoosten van Hongarije staat een verkiezingsposter van regeringspartij Fidesz van premier Viktor Orbán, beklad met de tekst ‘Stop Orbán’ en ‘Orbán is een klootzak’. „Dit is een goed voorbeeld van hoe oppositiepartij Tisza zich gedraagt”, zegt Mónika Baker (64), die campagne voert voor Fidesz.
Als ze op straat folders uitdeelt, krijgt ze scheldwoorden naar haar hoofd geslingerd, vertelt Baker. „Idioot, debiel en betaalde activist. En nog erger…”
Nog erger?
„Hoer”, zegt ze na enige aarzeling.
In gesprek gaan met Tisza-activisten is niet mogelijk, beweert ze. „Ze zouden mij uitschelden en misschien zelfs fysiek aanvallen.” Ze zegt bang te zijn dat na de parlementsverkiezingen van deze zondag rellen ontstaan. „Tisza dreigt met een burgeroorlog.”
Zo’n tweehonderd kilometer oostwaarts, in de grensstad Záhony bij Oekraïne, zit Tunde Pokol (60) aan de keukentafel. Spandoeken aan het hek van haar rijtjeswoning verraden haar betrokkenheid bij oppositiepartij Tisza. Ook zij zegt dat er met aanhangers van de tegenpartij niet valt te praten. „Mensen die op Fidesz stemmen kan ik niet overtuigen”, zegt Pokol. „Met mijn broer, die Fidesz-stemmer is, mijd ik het onderwerp politiek volledig.”
Twee Hongaarse vrouwen, van ongeveer dezelfde leeftijd, beiden opgegroeid in Hongarije en allebei politiek actief. De een voor Fidesz, de partij die sinds 2010 regeert in Hongarije. De ander voor oppositiepartij Tisza, die de parlementsverkiezingen deze zondag mogelijk gaat winnen.
Over politiek praten met een aanhanger van de tegenpartij mondt in Hongarije vaak uit in ruzie. Het wereldbeeld dat kiezers krijgen voorgeschoteld via televisie en radio loopt sterk uiteen in het gepolariseerde medialandschap. En debatten tussen Orbán en oppositieleider Péter Magyar, waarin standpunten worden uitgewisseld, zijn er niet.
Al zestien jaar is Orbán premier van Hongarije. Hoe heeft dat het dagelijks leven van de Hongaren beïnvloed? Waarom blijven Fidesz-aanhangers hem trouw? En waarom verenigen oppositiestemmers zich juist tegen hem? Bij de verkiezingen van zondag 12 april draait het uiteindelijk om één vraag: ben je voor of tegen Orbán?
Mónika Baker is terug in het huis van haar overleden ouders in Mikolc, na een leven van 35 jaar in Londen. Daar werkte ze onder meer voor Radio Free Europe/Radio Liberty, dat bericht in landen met beperkte persvrijheid. „Ik ben enorm nieuwsverslaafd”, vertelt Baker terwijl de geur van verbrande koffiemelk uit de keuken de woonkamer intrekt. „Geen romantische films voor mij, maar nieuws. Op elk kanaal dat ik kan vinden.”
Mónika Baker: „Orban liet geen illegale migranten toe.”
Ook in Londen volgde ze haar geboorteland op de voet. „Ik ben een patriot”, vertelt ze trots. „Mijn land, familie en geloof zijn het belangrijkst.” Het is dezelfde drieslag die regeringspartij Fidesz gebruikt. „Fidesz kenmerkt deze waarden voor mij, maar ik ben vooral actief voor Fidesz omdat de partij het leven van mijn ouders heeft verbeterd.”
Hongaren voelden zich jarenlang ‘losers’, vertelt Baker in het Engels met een keurig Brits accent. „We verloren grondgebied na de Eerste Wereldoorlog en de Tweede Wereldoorlog en werden bezet door de Turken, Tataren, Habsburgers, Duitsers en Russen. Altijd moesten we doen wat anderen ons oplegden.”
Tot 2010. „Toen kwam er een man die ons weer trots maakte op ons land. Die ons gelukkig maakte om weer Hongaar te zijn. En die ervoor zorgde dat Hongarije in het buitenland weer werd gerespecteerd.” Die man, dat is Viktor Orbán.
In 1989 verwierf Orbán nationale bekendheid toen hij als studentenleider met een historische speech de Sovjettroepen opriep Hongarije te verlaten. Na een eerste premierschap (1998-2002) regeert hij sinds 2010 onafgebroken. Zijn partij behaalde herhaaldelijk een tweederdemeerderheid in het parlement waardoor de partij de grondwet kon herschrijven en staatsinstellingen in het land ingrijpend zijn veranderd.
„Orbán gaf ons banen en financiële steun om gezinnen te stichten”, gaat Baker verder. „Hij hield zijn poot stijf als andere landen ons iets wilden opleggen. Hij liet geen illegale migranten toe en hij stuurt ons geld niet naar Oekraïne. Dat klinkt mij als muziek in de oren.”
Bovendien kregen haar ouders het de afgelopen zestien jaar financieel beter, omdat de overheid pensioenen verhoogde. „Ze waren gelukkiger dan ooit.” Na een leven onder het communisme – „zonder vrijheid van meningsuiting, met censuur en een kerk die je alleen in het geheim kon bezoeken” – voelde het leven van haar ouders onder Orbán „als een paradijs”.
Toen Orbán in 2010 aan de macht kwam, waren de gevolgen van de financiële crisis in Europa voelbaar in Hongarije. „De situatie was ernstig”, zegt Géza Sebestyén, hoofd van de economieopleiding aan het Mathias Corvinus Collegium (MCC), een aan Fidesz gelieerde universiteit die ruim anderhalf miljard euro staatssteun ontving. „Er was lage economische groei, hoge werkloosheid en een enorme schuldenlast voor het land én particulieren. In mijn dorp stond elk tweede huis te koop.” Sebestyén begint over Griekenland, waarvan de gevolgen van de financiële crisis bekend zijn. „Hongarije stond als volgende op het lijstje om kopje onder te gaan.”
Volgens Sebestyén is de grootste verdienste van Fidesz dat het land „niet failliet is gegaan”. Daarna volgden voelbare investeringen: energieprijzen werden jarenlang bevroren, gezinnen kregen toegang tot goedkope hypotheken en een gesubsidieerde familieauto en gepensioneerden ontvingen een extra maand pensioen.
Het inkomen steeg en er kwamen een miljoen banen bij in een land met minder dan tien miljoen inwoners. Buitenlandse investeringen, onder meer van Duitse en Chinese auto- en batterijbedrijven, namen toe. Bovendien creëerde de regering overheidsbanen voor de onderkant van de arbeidsmarkt. „Waar een Hongaar in 2010 nog een kwart verdiende van een Nederlander, is dat nu ongeveer de helft”, zegt Sebestyén.
„Mensen steunen Fidesz omdat de partij zorgt voor gezinnen en ouderen en de belangen van Hongarije in het buitenland verdedigt”, zegt Baker. „Viktor Orbán gaf Hongaren hun eigenwaarde terug.”
Haar hele leven werkten Tunde Pokol en haar man István Pokol bij de spoorwegen in Záhony. „Vanaf mijn veertiende rolde ik al in het vak”, vertelt ze aan haar keukentafel. Nu strijdt ze tegen de verloedering van de spoorwegen.
Tunde Pokol en haar man István: „Hongarije loopt achter op omliggende landen.”
Treinen zijn vaak vertraagd, airconditioning werkt geregeld niet tijdens de hete Hongaarse zomers en tot grote ergernis van Tunde Pokol zijn de traptreden van de treinen zo hoog dat ouderen en mensen met een beperking niet kunnen instappen vanaf het perron. „Doordeweeks kunnen we niet naar de rechtbank of het streekziekenhuis omdat de treinen met een lage instap alleen in het weekend rijden.”
Met miljarden uit Brussel werden de afgelopen jaren wel honderden kilometers aan snelwegen aangelegd, maar investeringen in het spoor bleven achter. Pokol stuurde een brief naar de verantwoordelijk minister, die antwoordde dat ze beter de bus kon pakken.
De staat van het spoor weerspiegelt volgens haar de bredere problemen in het land. „Hongarije loopt achter op omliggende landen”, zegt ze. „Voor een afspraak in het ziekenhuis moeten we maanden wachten, treinstations worden niet gerenoveerd en studeren is voor veel jongeren onbetaalbaar door het gebrek aan woonruimte.”
Het is precies de boodschap die oppositieleider Péter Magyar verkondigt: hij zal de problemen aanpakken in de gezondheidszorg, het spoornetwerk en het onderwijs. Ook wil hij een einde maken aan de corruptie onder Orbán en de bijna twintig miljard euro aan EU-tegoeden losweken die door Brussel zijn bevroren vanwege de rechtsstaatsschendingen onder het bewind van Fidesz.
Pokol ziet de gevolgen van Orbáns beleid in haar eigen familie. Haar beide kinderen vertrokken naar het buitenland. „Mijn dochter wilde niet in ‘Orbanistan’ wonen en vertrok naar de Verenigde Staten”, zegt ze. Haar zoon ging naar Spanje nadat een medische behandeling van zijn vrouw werd geweigerd in Hongarije. „In Spanje werd ze meteen geopereerd, terwijl ze hier naar huis werd gestuurd alsof er niks aan de hand was.” Van de veertien kinderen in haar familie wonen er nog maar negen in Hongarije. Tunde wijst naar de foto’s aan de muur van haar kinderen en kleinkinderen: „Orbán heeft mijn kinderen van me afgepakt.”
Hebben ze dan helemaal niet geprofiteerd van het regeringsbeleid van Orbán? Jawel, zegt Tunde, „na veertig jaar werken kon ik met vervroegd pensioen. Maar de uitkeringen zijn ten nadele van ons veranderd en de vakbonden – waar ik altijd lid van was – om hiertegen te strijden zijn opgedoekt.”
Haar man István kan wel iets positiefs noemen tijdens de zestien jaar van Orbán. „Er is een mooi pingpongstadion gebouwd. Maar wacht, dat is niet dankzij Fidesz”, bedenkt hij zich. „Een stadion voor zijn eigen voetbalclub heeft Orbán wel gebouwd”, zegt István doelend op het voetbalstadion naast Orbáns woning in Felcsút, met 3.500 zitplaatsen voor een dorp met 1.500 inwoners.
De reden dat veel mensen overwegen om op oppositiepartij Tisza te stemmen is volgens Zoltán Pogátsa, econoom van de universiteit van Sopron en bekend podcastmaker, simpel: kiezers maken zich zorgen om hun portemonnee.
„Er is een enorm verschil tussen de Viktor Orbán voor de covidcrisis en de Viktor Orbán na de crisis”, zegt Pogátsa. „Tot 2020 ging het goed met de economie. Er kwamen ongeveer een miljoen banen bij, de lonen stegen jaarlijks met zo’n 6 procent en de economie groeide met ongeveer 3 procent per jaar. Na de covidcrisis had Hongarije te maken met een enorme inflatiegolf – de voedselprijzen stegen met 45 procent en de huizenprijzen in de steden verdubbelden.”
Bovendien dringt volgens Pogátsa in grote delen van de samenleving nu pas door hoe rijk bevriende oligarchen rondom de regering zijn geworden. „Een ongeschoolde gasmonteur en jeugdvriend van Orbán, Lorinc Mészáros, is sinds Fidesz aan de macht is de rijkste man van het land”, zegt Pogátsa. Hijzelf schreef dat toe aan ‘God, geluk en Viktor Orbán’. Lange tijd wilden veel mensen dat niet zien merkt Pogátsa aan de reactie op corruptieonthullingen in zijn podcast. „Ze probeerden een beeld vast te houden van een brandschone Orbán.”
De tanende economie, verschralende voorzieningen en de strijd tegen corruptie zullen bepalend zijn bij de verkiezingen, verwacht Pogátsa. „Sinds het einde van het communisme stemmen Hongaren altijd naar gelang hun economische situatie: gaat het beter, dan blijft de regering; zo niet, dan wordt ze weggestemd.”
In haar kiesdistrict verwacht Tunde Pokol geen overwinning voor oppositiepartij Tisza. „Volgens ChatGPT kunnen we hier niet winnen”, zegt ze. Toch merkt ze dat er iets is veranderd. „Mensen op straat willen alles weten over Tisza. Er waait een nieuwe wind door het land.”
Europaredacteuren praten je bij over de belangrijkste ontwikkelingen in de EU