De overheid is terughoudender geworden met het ingrijpen in gezinnen waarin kinderen mogelijk niet veilig zijn, blijkt uit onderzoek van kennisinstituut WODC. Mede door een ‘omslag in het denken’ is het aantal kinderbeschermingsmaatregelen sinds 2021 met bijna een kwart gedaald.
is verslaggever van de Volkskrant en schrijft over jeugdzorg en de toeslagenaffaire.
Onder meer door de maatschappelijke discussie over uithuisplaatsingen die oplaaide na de toeslagenaffaire zijn de betrokken organisaties kritischer gaan kijken naar de wenselijkheid van het ingrijpen in gezinnen. Dat constateren onderzoekers van de Universiteit Leiden, die het onderzoek uitvoerden in opdracht van het WODC.
Daarbij spelen ook praktische overwegingen mee. Door een groot gebrek aan jeugdbeschermers en de lange wachtlijsten voor jeugdhulp is bij de Raad voor de Kinderbescherming doorgedrongen dat ondertoezichtstellingen niet optimaal kunnen worden uitgevoerd, waardoor die terughoudender is geworden.
Een kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen van de jeugdbescherming als die oordeelt dat het kind niet veilig is bij zijn ouders, of dat het kind zich thuis niet goed kan ontwikkelen. Dan zijn ouders gedwongen om mee te werken, anders worden de kinderen uit huis geplaatst.
Het aantal ondertoezichtstellingen neemt de laatste jaren af, evenals een andere gemeten kinderbeschermingsmaatregel, de gezagsbeëindiging van ouders. Daartoe kan een kinderrechter besluiten als een kind langdurig uit huis is geplaatst en de rechter vindt dat de toekomst van het kind in een pleeggezin ligt.
Dat deze daling was ingezet, was al duidelijk uit eerder gepubliceerde CBS-cijfers. In 2024 kregen ruim 34 duizend jongeren jeugdbescherming, in 2019 waren dat er nog ruim 42 duizend. Wat zit hierachter, is de hoofdvraag van dit onderzoek.
Het valt de onderzoekers op dat de verandering het sterkst is te zien bij de Raad voor de Kinderbescherming. Deze organisatie laat nu meespelen dat er te weinig jeugdbeschermers zijn om de maatregelen goed uit te kunnen voeren. Mede daarom doet zij minder vaak het verzoek aan de kinderrechter om in te grijpen. Tegelijkertijd zien de onderzoekers dat de organisatie Veilig Thuis nog evenveel meldingen van onveiligheid ontvangt. De daling komt dus niet omdat er minder signalen van onveiligheid zijn. De drempel om gedwongen in te grijpen is hoger geworden.
De gezinnen waarin problemen worden geconstateerd, worden nu vaker geholpen op vrijwillige basis. Als bijvoorbeeld professionals van een gemeentelijk wijkteam adequaat handelen door opvoedhulp aan te bieden, kan worden voorkomen dat er dwangmaatregelen nodig zijn. De onderzoekers zien hierin wel duidelijke kwaliteitsverschillen tussen gemeenten.
Aan deze verschuiving naar vrijwillige hulp kleven bovendien risico’s. Het zicht op wat er gebeurt, is minder. En er kunnen ook situaties van ‘drang’ ontstaan, waarbij gezinnen zich gedwongen voelen om mee te werken, omdat hulpverleners vertellen dat hun anders een uithuisplaatsing van de kinderen boven het hoofd hangt. Het kan leiden tot een schemergebied waarin ouders minder rechtsbescherming hebben dan bij een jeugdbeschermingsmaatregel.
Dat de jeugdbescherming terughoudender is geworden met ingrijpen, komt mede door de aanhoudende kritiek op het functioneren ervan. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uitte in september vorig jaar wederom de noodkreet dat de bescherming van kwetsbare kinderen ondermaats is. Door personeelskrapte hebben te veel kinderen die onder toezicht staan geen vaste jeugdbeschermer, wat wel wettelijk verplicht is. Ook krijgen de gezinnen niet de hulp die zij nodig hebben om hun situatie te verbeteren.
Vanaf 2021 laaide bovendien door de toeslagenaffaire de discussie over uithuisplaatsingen op, toen bekend werd dat relatief veel kinderen van toeslagengedupeerden uit huis waren geplaatst. In maart vorig jaar oordeelde de commissie-Hamer dat het ‘aannemelijk is’ dat bij een deel van die gezinnen de uithuisplaatsingen van kinderen samenhingen met de slechte financiële situatie die was veroorzaakt door de terugvorderingen van de Belastingdienst. Als de jeugdbescherming de situatie beter had geanalyseerd, hadden de kinderen thuis kunnen blijven wonen, was de harde conclusie.
Deze kritiek heeft invloed gehad, horen de onderzoekers van de betrokken organisaties. Zij beoordelen nu vooraf strenger of het opleggen van een jeugdbeschermingsmaatregel wel tot een verbetering gaat leiden. Dat geldt bijvoorbeeld bij het ingrijpen bij complexe scheidingen. In 2022 bleek dat in het merendeel van de jeugdbeschermingszaken een uit de hand gelopen echtscheiding een rol speelde, terwijl de situatie voor de kinderen vaak niet verbeterde door het ingrijpen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant