Het aantal (extreem jonge) terreurverdachten neemt toe. Welke lessen kunnen we trekken uit de aanpak van minderjarigen die zijn veroordeeld voor ‘reguliere’ strafbare feiten?
Vorige week werd een zeer jonge tiener veroordeeld voor het voorbereiden van terroristische aanslagen en het online opruien tot terrorisme. De jongen was pas 12 jaar oud toen hij dit deed en hing het accelerationistische gedachtegoed aan, dat uit is op chaos en de vernietiging van de samenleving.
Deze zaak staat niet op zichzelf, maar past binnen een bredere trend in Europa. In 2024 was bijna 30 procent van de terreurverdachten in de Europese Unie tussen de 12 en 20 jaar oud. Daarnaast meldde de politie dit jaar dat niet alleen het aantal jeugdige verdachten van geregistreerde misdrijven in 2025 stijgt, maar ook hun betrokkenheid bij zwaardere delicten, zoals gewapende overvallen.
Dat dwingt ons tot een fundamentele vraag: moeten we deze jongeren vooral zien als daders die gestraft moeten worden, of als kwetsbare individuen die bescherming en begeleiding nodig hebben?
Over de auteur
Tanya Mehra is associate fellow aan het International Centre for Counter-Terrorism in Den Haag.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Het aantal jongeren dat betrokken is bij terrorisme en extremisme ligt in werkelijkheid waarschijnlijk veel hoger dan het aantal dat voor de strafrechter verschijnt. In Nederland kun je vanaf 12 jaar strafrechtelijk worden vervolgd. De minimumleeftijd voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid verschilt bovendien per land: in het Verenigd Koninkrijk (Engeland en Wales) ligt deze op 10 jaar, terwijl die in Duitsland 14 jaar bedraagt.
Daarnaast wordt slechts een klein deel van de jongeren daadwerkelijk strafrechtelijk vervolgd. Een grotere groep krijgt een waarschuwing van de politie of wordt afgehandeld via bureau Halt. In die gevallen krijgen kinderen geen strafblad. Ook het verlagen van de minimum leeftijd, zoals in Zweden wordt overwogen, is geen adequate oplossing. Uit onderzoek in Denemarken, waar de leeftijd is verlaagd van 15 naar 14 jaar, blijkt dat het aandeel misdrijven door 14-jarige niet is afgenomen.
Uit eerder onderzoek in Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk blijkt dat tussen 2020 en 2025 bijna honderd jongeren zijn vervolgd voor terroristische misdrijven. Opvallend is dat bijna evenveel jongeren het jihadistische gedachtegoed aanhangen als het rechts-extremistische gedachtegoed.
De meerderheid van de minderjarigen is veroordeeld voor voorbereidingshandelingen en online uitingsdelicten, zoals het verspreiden van terroristische content, opruiing tot terrorisme en het verheerlijken daarvan. De meeste jongeren worden dus niet veroordeeld voor daadwerkelijke gewelddaden. Dat roept lastige juridische en morele vragen op.
De puberteit is immers per definitie een fase van experimenteren, grenzen opzoeken en identiteitsvorming. Jongeren zijn bovendien vatbaarder voor groepsdruk, online beïnvloeding en provocatie. Zo is er een nieuwe trend, ‘jumpen’, waarbij tieners uit het niets andere jongeren op straat aanvallen, dit filmen en vervolgens delen op sociale media. Onlangs zijn hiervoor zes tieners in Zeeland aangehouden.
Jongeren kunnen op verschillende manieren online radicaliseren. In sommige gevallen worden zij voor geld gerekruteerd door criminele of terroristische netwerken om strafbare feiten te plegen, zoals jongeren die worden geronseld om drugs uit te halen in de haven van Rotterdam. Jongeren kunnen ook radicaliseren door propaganda van terroristische en extremistische groepen.
Zo maakt IS steeds vaker gebruik van AI om niet alleen sneller en meer propaganda te produceren, maar deze ook gerichter af te stemmen op specifieke doelgroepen. Daarnaast weten terroristische groepen de ware aard van hun content steeds beter te verhullen, bijvoorbeeld door het gebruik van humor, memes en ironie, waardoor deze moeilijker te herkennen is voor diensten en platforms.
Tot slot kunnen jongeren ook zelfstandig online radicaliseren. Zij zoeken bepaalde content op en krijgen vervolgens via algoritmes steeds vaker terroristische of extremistische content voorgeschoteld. Deze dynamiek wordt versterkt door het feit dat jongeren steeds meer tijd online doorbrengen en vaak in gesloten online gemeenschappen, waar groepsdruk en sociale bevestiging vaak sterker werken en weinig toezicht is.
Bij jongeren zie je tevens een hybridisering van motieven. Dat wil zeggen dat zij vanuit verschillende drijfveren terroristische misdrijven kunnen plegen: status, aanzien, geld, ideologie, maar ook occultisme. In sommige gevallen speelt ideologie zelfs geen rol, of gaat het om een combinatie van meerdere ideologieën.
Dit roept belangrijke vragen op over hoe deze minderjarigen het beste geholpen kunnen worden. Het onderscheid tussen ideologisch gemotiveerd en crimineel opportunistisch gedrag vervaagt daarmee steeds meer, wat de duiding én aanpak complexer maakt.
De meerderheid van de minderjarigen wordt berecht volgens het jeugdstrafrecht. De inzet daarbij is niet zozeer straffen, maar het voorkomen van recidive en het bieden van begeleiding om het gedrag positief te beinvloeden en daarmee re-integratie te bevorderen. Strafvervolging is uiteindelijk bedoeld als een ultimum remedium – een laatste redmiddel.
We moeten daarom sterk inzetten op preventie en nazorg. Hoe worden geradicaliseerde jongeren begeleid na strafvervolging? En welke lessen kunnen we trekken uit de aanpak van minderjarigen die zijn veroordeeld voor ‘reguliere’ strafbare feiten, in vergelijking met jongeren die zijn veroordeeld voor terrorisme? Ook kunnen er aanknopingspunten zijn met volwassenen die zijn veroordeeld voor terrorisme, bijvoorbeeld als het gaat om deradicalisering en re-integratie na detentie.
Wat betreft preventie ligt er ook een duidelijke verantwoordelijkheid bij platforms om de verspreiding van terroristische en extremistische content tegen te gaan. De roep om een socialemediaverbod voor jongeren klinkt steeds luider, maar juist het versterken van online normbesef en weerbaarheid – thuis, op school en bij de sportclub – is hierbij essentieel.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant