Tijdens de Salone del Mobile in Milaan bezoeken tienduizenden mensen de designgalerie van Rossana Orlandi (82). Dit is wat ze leerde in het leven: je moet altijd een plan C hebben en je weet pas of een designer goed is als je in het atelier bent geweest.
„Ik cureer mijn ruimte in totale vrijheid, zonder enig thema, heel eclectisch. Het enige criterium is schoonheid. Mooie dingen passen altijd bij elkaar.
De markt voor design is aan het veranderen. Tot voor kort had ik klanten die niet rijk waren, maar toch één keer per jaar een mooi object konden kopen. Die zie ik helaas niet meer. Het leven is voor veel mensen de laatste jaren te duur geworden om nog design te kunnen kopen.
Alle meubels zijn belangrijk, maar ik promoot de tafel het meest. Ik heb altijd mooi gedekte tafels in de galerie staan, maar waar het bij een tafel echt om gaat zijn de mensen die eraan zitten. Een tafel staat voor gemeenschap. Anders dan wanneer je op een bank zit, kijk je elkaar aan. Je ontmoet elkaar, eet samen, je wisselt ideeën uit.
Het woord duurzaamheid wordt te vaak gebruikt, en op een verkeerde manier. Het is greenwashing, marketing. Een heleboel materialen die duurzaam worden genoemd, zijn dat gewoon niet. Duurzaam voor wie, zeg ik dikwijls, duurzaam voor jou? Het woord duurzaamheid gebruik ik niet meer, ik heb het nu over verantwoordelijkheid.
Gerecyclede materialen hebben gezorgd voor een fantastische ontwikkeling in design. Dan gaat het niet alleen om plastic; je kunt een heleboel materialen recyclen. Als je met gerecyclede materialen werkt, is het resultaat altijd anders dan wanneer je nieuwe materialen gebruikt, bijvoorbeeld doordat er marmereffecten ontstaan als er verschillende kleuren samenkomen. Designers hebben opeens veel meer mogelijkheden.
Jonge ontwerpers moet je zoveel mogelijk steunen. Zij hebben het nodig. Bovendien geeft het je de kans om te ontdekken. Nieuwe dingen ontdekken is prachtig. Ik heb het vanaf het begin gedaan en dat altijd zo bevredigend gevonden. Tegenwoordig vind ik veel op Instagram.
De galerie van Rossana Orlandi
De eerste Nederlandse ontwerper die ik verkocht was Piet Hein Eek. Op een tentoonstelling zag ik een tafel van hem. Hout, hars, tegels – zo verfijnd als een kleine Mercedes. Hij voelde ook fantastisch aan, heel sensueel. Dus ik heb hem gekocht, en Piet Hein uitgenodigd om bij mij te exposeren tijdens de Salone del Mobile. Dat was in 2006. Het is een lang liefdesverhaal geworden, hij noemt me moeder. Ik weet niet wat het is met Nederlanders, maar vaak als ik een mooi stuk zie dat ik niet ken, blijkt de ontwerper uit Nederland te komen.
Toen ik Maarten Baas voor het eerst ontmoette, woonde hij in een garage, in een truck. Maar hij was gelukkig met wat hij deed: met zijn handen werken, onderzoeken. Dat mis ik nu bij veel jonge ontwerpers. Ze zijn niet nieuwsgierig, ze willen niet leren door goed te kijken naar mensen die beter zijn dan zij. Ze zijn ervan overtuigd dat ze al geweldig zijn. Ik denk dat het door al die awards komt die er zijn gekomen nu design zo in de mode is. Er zijn te veel prijzen, iedereen krijgt er een. Daardoor gaan ontwerpers geloven dat ze er al zijn en groeien ze niet op.
Het gaat niet om één goed ontwerp, het gaat om de lange termijn. Ik zoek een ontwerper daarom altijd op. Je kunt een stuk nog zo mooi vinden, maar pas als je weet hoe iemand werkt, pas als je het werk in een atelier ziet, weet je hoe creatief een ontwerper is. Of er meer aankomt, of dat alles wat erin zat in een project is gestopt.
Ik heb lang in de mode gewerkt. Mijn ouders hadden een grote spinnerij, Orlandi. Mijn moeder stond erom bekend dat ze altijd de beste wol wist te kiezen. Nadat ik klaar was met mijn modeopleiding heb ik eerst voor andere spinnerijen gewerkt, daarna ben ik voor het familiebedrijf nieuwe garens gaan promoten, en zo kwam ik in contact met ontwerpers in Milaan en Parijs. Voor Chloé heb ik kasjmier kleding ontworpen, onder Karl Lagerfeld. Een grote eer, en hij was zo aardig. Ik heb ook gewerkt met Issey Miyake en voor Donna Karan, Armani, Vivienne Westwood. Tot in de jaren tachtig was mode ontzettend opwindend. Prêt-à-porter kwam eigenlijk net op, de sfeer was fantastisch: iedereen bewonderde elkaars werk, iedereen was bevriend met elkaar. Toen de ontwerpers allemaal beroemd werden, was dat voorbij, ze voelden zich boven iedereen en alles verheven. Er werden ook steeds meer collecties gemaakt per jaar, het werd me te hysterisch.
De oude stropdassenfabriek die nu mijn galerie is kocht ik eigenlijk als huis voor mijn gezin. Het pand was zo groot, zo mooi, had zo’n goede sfeer, maar de kinderen wilden er niet wonen, ze waren ook al bijna het huis uit. En dus besloot ik het te wijden aan design. Ik heb altijd geleefd met design, ik heb het altijd gevolgd. Ik ben Italiaans, het zit in mijn cultuur. De designwereld is totaal anders dan de modewereld. Het gaat niet om steeds nieuwe dingen, het gaat om je huis, je leven, tijdloze objecten. Zelfs de designpers is heel anders dan de modepers, ik heb heel veel vrienden gemaakt. Design is een oprechte wereld.
Ik heb Coco Chanel nog ontmoet, aan het eind van haar leven. Mijn zus werkte met stoffen en stelde me aan haar voor. Ze was een kleine vrouw, lelijk is niet het woord, maar… Tot ze begon te bewegen, te praten. Dan zag je opeens hoe ongelooflijk, hoe fantastisch ze was, haar klasse. Charme is zo belangrijk, dat heb ik toen gezien.
Als ik mijn bril afzet, weet niemand wie ik ben. Toen ik slechter begon te zien, nam ik eerst een kleine bril, maar ik besloot al snel dat het een grotere moest worden. Brillen met grote glazen zijn heerlijk. Je kunt je er zo goed achter verstoppen, niemand die ziet dat je vermoeide ogen hebt. De meeste mensen dragen verschillende dingen naar verschillende gelegenheden, maar ik zie er overal hetzelfde uit. Mijn brillen, en ook mijn petten, zijn een deel van mezelf geworden. Het is comfortabel om een herkenbare stijl te hebben. Je bent ’s ochtends zo klaar.
Je moet altijd een plan A, een plan B en een plan C hebben. Dat is het belangrijkste wat ik heb geleerd tijdens mijn jaren in de mode. In de mode gaat altijd van alles mis. Misschien is de stof niet goed, misschien lukt het niet de kleding op tijd te leveren. Dus als ik nu bijvoorbeeld een tentoonstelling organiseer, ben ik altijd voorbereid op iets dat niet zal gaan zoals ik het in gedachten had. Als je niet heel lang van tevoren begint met plannen, kan dat catastrofaal uitpakken.
Mijn werk is niet veranderd doordat ik ouder ben, maar doordat de wereld niet hetzelfde is als twintig jaar geleden. Er zijn meer problemen, het leven is gecompliceerder geworden. Maar ik zie geen reden om te stoppen. Waarom zou ik? Hoe ingewikkelder het wordt, hoe interessanter ik het vind. Ik kom uit een klein en saai dorp, ik weet wat verveling is en wil dat nooit meer meemaken. Ik heb niet simpelweg een galerie, we doen een heleboel speciale projecten en ik reis de hele wereld over. Ik vind het allemaal nog altijd heel opwindend. En wat houdt je jong? Enthousiasme. Ik ga mijn tijd niet verspillen met nadenken over hoe oud ik ben.”
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden