Hongaarse verkiezingen Vanwege premier Orbáns afbraak van de rechtsstaat bevroor Brussel een deel van de Europese fondsen voor Hongarije. De oppositie mikt komende zondag op winst met de belofte dat het EU-geld onder een ander bewind weer gaat stromen.
Toenmalig premier Mark Rutte en de toenmalige Duitse bondskanselier Angela Merkel op een EU-top in 2024.
Een uitweg? Viktor Orbán zag ‘m niet.
Het was een zondag in juli 2020, dag drie van een ellenlange Europese top over de nieuwe begroting. Het einde was nog niet in zicht. En Orbán wist wel door wie dat kwam: Mark Rutte.
„Ik hou er niet van om iemand de schuld te geven”, vertelde de Hongaarse premier aan een groepje journalisten in een Brussels parkje, „maar die Nederlander is verantwoordelijk voor deze puinhoop.”
Viktor Orbán verankerde de afgelopen jaren niet alleen zijn macht steeds dieper in Hongarije, hij groeide ook uit tot de kwelgeest van de EU. Terwijl Orbán met het ene na het andere veto hulp aan Oekraïne en sancties tegen Rusland blokkeert, kijken zijn collega’s machteloos toe.
Vijf dagen zou het topoverleg uiteindelijk duren, op een paar uur na de langste EU-top ooit. De meeste aandacht ging uit naar de omvang van de begroting. Die zou verdubbelen, dankzij een nieuw fonds om de klap van de coronapandemie te verlichten. In de strijd over dat fonds stond Rutte als aanvoerder van een groepje zuinige landen lijnrecht tegenover Zuid-Europa.
Maar Orbán vocht intussen zijn eigen gevecht uit met Rutte. Nederland wilde pas instemmen met de begroting als landen alleen op geld uit Brussel konden rekenen als hun rechtsstaat op orde was. Met een noodrem wilde Rutte de geldstroom anders in één klap kunnen blokkeren. Daar zou Orbán, met zijn autocratische bestuursstijl, al snel de gevolgen van voelen.
Hij deed nog alsof hij erom kon lachen. „Ik weet niet waarom de Nederlandse premier zo’n hekel aan mij of aan Hongarije heeft”, verzuchtte Orbán in het parkje . „Maar hij valt ons zó hard aan.”
Orbán en Europa: het was nooit een gelukkig huwelijk. Zorgen over de rechtsstaat in Hongarije ontstonden al kort nadat Viktor Orbán in 2010 tot premier was verkozen. Zo stuurde hij 274 rechters met vervroegd pensioen en breidde hij het Constitutioneel Hof uit met partijsympathisanten. Hij nam de controle over bij de publieke omroep en liet bevriende oligarchen onafhankelijke media opkopen. En hij viel de onafhankelijke Central European University aan, die daardoor genoodzaakt was om Boedapest te verruilen voor Wenen.
Europa kon daartegen weinig uithalen. Bezorgde resoluties vanuit het Europees Parlement werden in Boedapest met schouderophalen beantwoord. De Europese Commissie spande rechtszaken aan en kreeg vaak gelijk, maar Orbán legde alle uitspraken naast zich neer. Als het moest, betaalde hij wel een boete. In Polen, waar dezelfde problemen speelden, ging het niet anders.
Al die tijd groeide de Hongaarse economie gestaag door, niet ondanks maar dankzij de Europese Unie. Hongarije profiteerde volop van het geld uit de Europese begroting, met name de cohesiegelden waarmee Brussel armere regio’s stimuleert. Tussen 2014 en 2020 vloeide meer dan 20 miljard euro uit die geldpot naar Hongarije, twee keer zoveel als in de zeven jaar ervoor.
Met dat geld werden in rap tempo nieuwe wegen en spoorwegen aangelegd. Er was Europees geld voor stadsvernieuwing, onderwijs en gezondheidszorg. En een deel van het geld verdween in de zakken van Orbáns politieke vrienden, waarschuwden toezichthouders al vroeg. Het lukte niet dit terug te krijgen.
Jaarlijks ontving het land circa 7 procent van zijn bbp aan EU-gelden. Daar kwam nog zo’n 3 procent bovenop aan geldzendingen van Hongaren die in het buitenland werkten. „Dus dat is zo’n 10 procent van het bbp, dat Hongarije gratis en zonder rente ontving”, rekent de Hongaarse econoom Zoltán Pogátsa van de Universiteit van Sopron voor. „Jaarlijks groeide het bbp van Hongarije met 3 procent, stegen de lonen ieder jaar met circa 7 procent. Bovendien kwamen er in die periode ongeveer een miljoen nieuwe banen bij.”
De kanteling kwam in 2020. De kiem was iets eerder gelegd door de Europese Commissie – het Brusselse ambtenarenapparaat – en Eurocommissaris Frans Timmermans in het bijzonder.
Tot dan toe werd aan de besteding van EU-geld wel een aantal voorwaarden gesteld, maar het in stand houden van de rechtsstaat zat daar niet bij. Timmermans, die de taak kreeg de rechtsstaat te verdedigen, wilde wél zo’n rechtstaattoets, mede vanwege Hongarije, en fietste zijn voorstel in de nieuwe plannen voor de langetermijnbegroting voor de jaren 2021 tot 2027.
Tot zover weinig bijzonders. In zijn begrotingsplannen stelt de Commissie van alles voor. De meeste ambities sterven al op de tekentafel en anders wel in de lang uitgesponnen onderhandelingen tussen de 27 nationale regeringen. Polen en Hongarije waren mordicus tegen.
Toen kwam de EU-top in juli 2020. Daar moest alles beklonken worden: de begroting zelf, het nieuwe coronaherstelfonds, een koehandel van nationale wensen en grieven. Naarmate de dagen verstreken, toonden de Duitse bondskanselier Angela Merkel en de Franse president Emmanuel Macron zich bereid de bewoordingen af te zwakken, om Orbán aan boord te houden.
Maar Rutte hield voet bij stuk: de rechtstaattoets mocht niet worden afgezwakt.
Wat de Nederlandse premier, iemand die in Den Haag noch in Brussel bekend stond als ideologische scherpslijper, bezielde? Ingewijden wijzen op de binnenlandse logica van iedere EU-top: elke leider moet als winnaar uit Brussel kunnen terugkeren. Rutte had een buit nodig, iets om mee thuis te komen, zeker als hij akkoord zou gaan met een fors grotere begroting.
Daar komt bij dat Nederland als handelsland gebaat is bij een goed werkende rechtsstaat, overal in Europa. Ook Nederland zou lijden onder een afbrokkelend rechtssysteem in een ander EU-land.
„Ik denk dat diep in Rutte wel een besef van het belang van de rechtsstaat zit”, zegt een ander. „Maar als je hem een flinke extra korting voor Nederland op de begroting had gegeven, had hij daar ook zo van afgezien.”
Het zou nog een lange adem vergen, na die vijf dagen in juli. De slotverklaring die de nationale regeringen samen hadden opgesteld, was een typisch Brussels compromis geworden, vol vage taal en onduidelijke verplichtingen. Toen na de zomer in overleg met de Commissie de definitieve tekst moest worden opgesteld, lagen Hongarije en Polen weer dwars.
En toch stond het er, zwart op wit, aan het eind van het jaar: schendingen van de rechtsstaat zouden voortaan financiële consequenties met zich meedragen.
Oppositieleider Peter Magyar, die ruim voorop ligt in de peilingen, belooft dat geld uit Europese fondsen weer naar Hongarije zal stromen als hij deze maand de verkiezingen wint.
„Die rechtsstaattoets was vrij minimalistisch”, zegt John Morijn bijzonder hoogleraar recht en politiek in de internationale betrekkingen in Groningen. „Toen de Commissie daar eenmaal steun voor had gekregen, voelde ze zich ook gesterkt om haar autoriteit te gebruiken om andere regels veel breder toe te passen.”
Zo moeten landen hervormingen uitvoeren om geld uit het coronaherstelfonds te krijgen: daar schaarde de Commissie de rechtsstaat onder. Om cohesiegeld te ontvangen, moesten ze zich aan de grondrechten van de EU houden: ook dat durfde de Commissie nu hard toe te passen.
„Ik ben ervan overtuigd dat heel veel mensen niet door hadden hoeveel effect dit zou hebben, zelfs mensen die aan dit dossier werkten in Hongarije en Polen”, zegt John Morijn. „Dit bleef heel lang onder de radar.”
Op de marktpleinen van het Hongaarse platteland herhaalt Orbáns uitdager Péter Magyar het keer op keer: hij zal de bevroren EU-miljarden weer naar Hongarije laten stromen. Volgens hem zou alleen het vrijmaken van het EU-geld de economie met 1 procent laten groeien. En elke procent telt, nu Hongarije sinds de coronacrisis hard getroffen is door de inflatie. Op het hoogtepunt kende het een inflatie van 18 procent, het hoogste in Europa. De prijs van voedsel schoot omhoog en in steden verdubbelden de huizenprijzen.
Hongarije heeft de gevolgen gevoeld. Het had gehoopt tot 2027 ruim 30 miljard euro aan geld te ontvangen uit EU-fondsen. Dat geld werd vrijwel allemaal bevroren, al kreeg Hongarije in 2023 toch circa 10 miljard, en later nog eens 2 miljard, toegekend nadat het enkele hervormingen had doorgevoerd.
Volgens critici had de EU zich laten chanteren: niet lang na de vrijgave hief Orbán zijn veto over een steunpakket voor Oekraïne op. Onlangs adviseerde de advocaat-generaal van het Europees Hof van Justitie in een vernietigend oordeel dat de Commissie dit geld moet terughalen.
De rest van het geld blijft sowieso in de ijskast, tot frustratie van Orbán. Voor zijn tegenstander Magyar is het ontbrekende EU-geld een leidend campagnethema. Orbán staat nu mijlenver achter in de peilingen. Mocht hij deze maand de verkiezingen verliezen van zijn concurrent Magyar, dan werd de weg naar zijn nederlaag mede geplaveid in Brussel, met toenmalig premier Rutte op de stoomwals.
Europaredacteuren praten je bij over de belangrijkste ontwikkelingen in de EU