Kunst In de kunstwereld vliegen pretentieuze, betekenisloze termen als ‘intersectionality’ je om de oren, merkt Sophie Dieudonnée, en AI maakt dat nog erger. Het is beter om gewoon te zeggen: ik snap dit werk niet, maar het raakt me.
Een werk van de Nepalese kunstenaar Tsherin Sherpa op een kunstbeurs in Hongkong.
‘Intersectionaliteit.’ Wanneer ik een willekeurige bezoeker in het Stedelijk Museum zou vragen wat dit betekent, zou menigeen het volgens mij niet zo een-twee-drie kunnen uitleggen. Maar toch lees je het in de begeleidende tekst bij ieder kunstwerk, elke werkbeschrijving en open call.
Sophie Dieudonnée is schrijver, kunstenaar en oprichter van Creatives in Conversation, een platform waar ze mensen uit de kunst- en cultuursector interviewt.
Ironisch genoeg is intersectionaliteit – het elkaar kruisen en versterken van verschillende vormen van onderdrukking en uitsluiting – in de kunstwereld zelf een instrument van uitsluiting geworden. Het woord, dat bedacht werd om de meest gemarginaliseerde stemmen hoorbaar te maken, functioneert nu als toegangscode voor de meest geprivilegieerde ruimtes. Je moet het kennen om erbij te horen. Je moet het gebruiken om serieus genomen te worden. En je hoeft het niet per se te begrijpen.
In 2012 publiceerden Alix Rule en David Levine hun essay International Art English. Ze analyseerden duizenden persberichten en identificeerden iets wat iedereen in de kunstwereld al aanvoelde maar niemand had uitgesproken: we schrijven in een eigen taal. Een taal die eruitziet als Engels of Nederlands, die de structuur heeft van academisch proza, maar die in werkelijkheid door niemand wordt gesproken – zelfs niet door de mensen die haar schrijven.
International Art English was tot op het pijnlijke af herkenbaar. Je ziet ze ook nu nog overal voorbijkomen: de opeenstapelingen van abstracties, de zinnen die steeds langer worden zonder ergens aan te komen, woorden als ‘liminal’, ‘phenomenological’, ‘post-postmodernism’ – niet om iets te verduidelijken, maar om een bepaalde intellectuele hoogte te suggereren. Rule en Levine toonden aan dat dit dialect niet het gevolg was van complex denken, maar van sociaal gedrag. We schreven zo omdat iedereen zo schreef. We schreven zo omdat het erbij hoorde.
Door onze teksten steeds verder te academiseren en vol te proppen met pretentieuze woorden, hebben we ervoor gezorgd dat die woorden geen betekenis meer dragen. We hebben niet door dat we in feite slop –gratuite, inhoudsloze rommel – aan het maken zijn. En tot overmaat van ramp zijn er nu machines die dat sneller en gladder doen dan wij ooit konden.
AI-schrijftools hebben het International Art English niet vervangen, ze hebben het geperfectioneerd. ChatGPT schrijft vloeiender IAE dan welke curator dan ook. Het produceert moeiteloos teksten waarin ‘intersectionality’ en ‘embodied experience’ in precies de juiste dichtheid voorkomen. Het klinkt professioneel. Het klinkt diepzinnig. Het klinkt als alles en dus als niets.
Wat AI doet met kunstteksten, is wat de kunstwereld met het begrip ‘intersectionaliteit’ heeft gedaan, maar dan in een stroomversnelling: ze haalt het individu uit de taal. Waar voorheen een schrijver worstelde met een formulering – en in die worsteling soms iets authentieks produceerde – staat nu een prompt. Waar voorheen een stem klonk, klinkt nu een statistisch gemiddelde van alle kunstteksten waarop het model is getraind.
Door AI gegenereerde kunstteksten zijn slop in de zuiverste vorm. Niet omdat ze slecht geschreven zijn – ze zijn vaak technisch foutloos. Maar omdat er niemand in zit. Geen twijfel, geen eigenzinnigheid, geen moment waarop de schrijver iets riskeerde. Het is tekst die probeert te klinken als iemand die iets te zeggen heeft.
We zouden ons moeten afvragen voor wie we eigenlijk schrijven. Als het antwoord is: voor elkaar, voor dezelfde duizend mensen in de inner circle – prima. Maar heb het dan niet over inclusiviteit. En plak er dan geen woord als ‘intersectionaliteit’ op als decoratie, terwijl de tekst zelf juist een uitdrukking van exclusiviteit is.
De kunstwereld heeft een eerlijkheidsprobleem. We verstoppen ons achter dit jargon omdat dat makkelijker is dan toe te geven dat we niet altijd iets te zeggen hebben.
Misschien moeten we daar beginnen: bij het niet weten. Bij de durf om een zaal binnen te lopen, naar een werk te kijken en te zeggen: ik weet niet precies wat ik hiervan vind, maar ik ga het niet opvullen met woorden die niet van mij zijn.
De interessantste gesprekken die ik heb gevoerd over kunst begonnen niet met ‘intersectionality’ of ‘liminality’. Ze begonnen met iemand die zei: ik snap het niet helemaal, maar het raakt me, en die vervolgens probeerde uit te leggen waarom. In eigen woorden. Haperende, onacademische, eerlijke woorden.
Doorzie de wereld van technologie elke week met NRC-redacteuren