Home

In een helikopter begrijpt fotograaf Iwan Baan de wereld pas echt

Iwan Baan fotografeert gebouwen van de grootste architecten op aarde. Het liefst vanuit een helikopter. Hij vliegt elke maand wel de wereld over, ook een week na de uitvaart van zijn broer. „Joachim kon ook nooit stoppen.”

Op de oorspronkelijk afgesproken datum van het interview met Iwan Baan vond de uitvaart plaats van zijn plotseling overleden broer. Een dubbele longontsteking en een ziekenhuisbacterie werd de pas 46-jarige Joachim Baan fataal. „Niemand had door hoe ernstig het was”, zegt Iwan Baan (51), een kleine week na de uitvaart in zijn kantoor in de Amsterdamse Jordaan. „Ik was op reis toen hij in het ziekenhuis werd opgenomen. Als ik hem belde, hoorde ik wel aan hem dat het slechter ging, maar hij zat nog vol plannen en ideeën. Ik kwam op de geplande dag terug, ging bij hem langs en 24 uur later was hij weg.”

Iwan Baan is de helft van de tijd in het buitenland. Hij is bekend om zijn monumentale luchtfoto’s van gebouwen, infrastructuur, zelfs hele steden, hij werkt of heeft gewerkt met de grootste architecten, zoals Rem Koolhaas, Herzog & de Meuron en wijlen Zaha Hadid. Maar het eerste wat aan hem opvalt is zijn bescheiden voorkomen: zachte stem, permanente glimlach. Baan, gekleed in zijn standaarduniform van wit overhemd en zwarte jeans, verontschuldigt zich dat het interview verplaatst moest worden en biedt zijn bezoek zijn eigen bureaustoel aan. Hij rolt er voor zichzelf een tweede stoel bij, ergens tussen het bureau en de deur.

Hoe gaat het met je?

„Het is nog onwerkelijk. We hebben een heftige maar bijzondere tijd gehad met de familie.”

Twee dagen na dit interview gaat Iwan Baan naar Sri Lanka om voor een aankomende tentoonstelling en boek van het Vitra Design Museum het werk van de modernistische architect Geoffrey Bawa te fotograferen, dan door naar China „voor een paar projecten”, daarna naar Los Angeles waar zijn reizende tentoonstelling over de opmerkelijke overeenkomsten tussen Rome en Las Vegas neerstrijkt, „nog een paar dingen in Amerika”, en weer terug naar Amsterdam. Een rondje rond de wereld in drie weken.

Ga je niet te snel weer weg?

„De trip naar Azië kon ik niet langer uitstellen, en het zijn allemaal projecten die ik niet wil laten schieten. Op een bepaalde manier is het ook fijn om weer aan het werk te gaan. Dat zou Joachim ook doen, hij kon ook nooit stoppen.”

Hoe was jullie band?

„Ik was veel op reis, maar ik had hem altijd onder de sneltoets. Dan hadden we het over waar we mee bezig waren, of hoe we iets zouden aanpakken. Hij was ontwerper en creatief directeur voor mode- en designmerken en had de laatste jaren ook het fotograferen weer opgepakt. Van de vier jongens thuis waren wij twee het meest visueel ingesteld. We waren altijd aan het kijken en maken. Ik ging fotografie studeren, hij grafische vormgeving, en allebei zijn we van de opleiding afgegooid. Hij heeft een paar van mijn boeken en tentoonstellingen ontworpen. Hij had een ongelofelijk netwerk, dat bleek ook weer bij de uitvaart. Met zijn site en nieuwsbrief Another Something heeft hij veel beginnende makers een podium gegeven.”

Toen Iwan Baan ruim twintig jaar geleden begon met het fotograferen van architectuur, onderscheidde hij zich door niet de gebouwen centraal te stellen in zijn foto’s, maar de mensen die er gebruik van maken. Hij maakte een fotoboek over de ‘Torre David’, een door de financiële crisis nooit afgebouwd kantoor van 45 verdiepingen in het centrum van Caracas, Venezuela, waar honderden families hun appartement in bouwden (Torre David, 2012). Zijn boek over de steden Brasilia, Brazilië, en Chandigarh, India, ontworpen door respectievelijk Oscar Niemeyer en Le Corbusier, heet Living With Modernity (2010), en laat dus zien hoe de inwoners, zestig jaar na de bouw, in de architectuur léven – hoe ze erop luieren, erin les krijgen of ervoor snacks verkopen. Baan gaat ook langs plekken waar helemaal geen architect aan te pas komt, zoals de drijvende sloppenwijk Makoko in Lagos, Nigeria, of de traditionele kleiwoningen waar nauwelijks licht binnenkomt in Tiébélé, Burkina Faso.

Traditionele kleiwoningen in Tiébélé, Burkina Faso (2021)

Las Vegas, Verenigde Staten (2022)

„Iwan is veel meer dan een briljante fotograaf”, zegt Steven Holl, die gebouwen ontwierp voor kunstinstellingen als het Kiasma in Helsinki, het Museum of Fine Arts in Houston en het John F. Kennedy Center in Washington. „Hij stopt menselijkheid en humor in zijn foto’s. In een wereld die ontwricht wordt door tirannen, belichaamt Iwans werk empathie.”

„Iwan wil ten diepste weten hoe mensen hun leefomgeving vormgeven”, zegt Nicole Ex, hoofdredacteur van het Nederlandse kunsttijdschrift See All This, waarvan Baan in 2021 één editie gasthoofdredacteur was. Ze noemt hem „de ultieme observant”: „Ik zie in zijn werk een terughoudendheid, alsof hij steeds een stap terug doet. Hij hangt er vaak letterlijk boven voor een bird’s-eye perspective. Als hij een interieur fotografeert, laat hij ook het uitzicht zien dat dat interieur heeft.”

Holl herinnert zich hoe Baan de bouw van zijn Linked Hybrid-gebouwen, acht torens met woningen en winkels, verbonden via luchtbruggen, in Beijing in beeld bracht: „Op één foto waren de bouwvakkers een halve koe aan het klaarmaken voor de lunch – de architectuur fungeerde als achtergrond.” Een belediging voor zijn werk vindt hij dat niet. „Iwan kiest alleen goede architectuur. Hij wijst veel verzoeken af. Een goede kunstenaar meet je niet af aan wat hij doet, maar aan wat hij niet doet.”

„De belangrijkste overweging om een opdracht aan te nemen is of ik een verhaal kan vertellen”, zegt Baan. „Waarom staat de architectuur op die plek en niet ergens anders? Wringt het met iets dat erbij in de buurt staat? Omdat ik het predicaat ‘architectuurfotograaf’ heb gekregen, krijg ik vaak verzoeken om een generic hoofdkantoor te fotograferen. Maar ik wil niet architectuurfotograaf genoemd worden.”

Hoe dan wel?

„Documentairefotograaf, denk ik. Ik vertel verhalen over mensen en hun leefomgeving.”

Wat denk je dan dat architecten zien in jouw foto’s?

„In de vorige eeuw was architectuurfotografie een specialisatie waarbij fotografen met enorme camera’s rondzeulden, statieven, lampen en assistenten gebruikten, en uren, dágen wachtten op het perfecte licht. Ze haalden alle oneffenheden weg. Een soort productfotografie voor architectuur. Ik deed wat ik altijd doe: ik loop rond en snap erop los. Op een superintuïtieve manier kijk ik wat er gebeurt. Wat doen mensen op deze plek? Hoe werkt het? Hoe werkt het niet? Later destilleer ik daar een visueel verhaal uit. Ik werk zo klein en licht mogelijk. Dan krijg je meer immediacy.”

Welke camera gebruik je?

„Een 35mm digitale camera, tegenwoordig een Canon R5 Mark II.”

Je hebt eens gezegd dat je best met een iPhone op stap zou willen.

„De beste camera is de camera die je bij je hebt. Vorig jaar heb ik het nieuwe Grand Egyptian Museum, een van de grootste musea ter wereld, met m’n iPhone gefotografeerd, omdat een generaal daar ineens ‘professioneel fotograferen’ verbood. Dat zijn toch de officiële persfoto’s geworden.”

CCTV in Beijing, China (2011)

Je reist ook figuurlijk met weinig bagage: je zoekt weinig op over een bestemming, las ik.

„Ik probeer zo onbevangen mogelijk in de situatie te stappen. Zodat ik helemaal open sta voor wat er anders is, wat er schuurt.”

Is dat nog van deze tijd? Eventjes in en uit een land stappen, zonder je in te lezen over de context?

„Ik snap je vraag. Hoe voorkom je dat je niet die antropoloog bent die alleen het meest exotische laat zien? Maar ik ben juist op zoek naar de normalcy, de alledaagsheid, van plekken. In mijn boek Rome – Las Vegas [2024] laat ik de banaliteit zien. De steden verschillen tweeduizend jaar, maar hebben dezelfde intensiteit, dezelfde ambitie om importance aan hun omgeving te geven.”

Voor je boek Momentum of Light uit 2021 fotografeerde je traditionele woningen in Burkina Faso. Heb je toen niet gehoord: waarom heb je geen lokale fotograaf gevraagd?

„Jazeker wel.”

En wat zeg je daar dan op?

„Ik kom daar als buitenstaander, waardoor ik eerder dingen zie die mensen zelf for granted nemen. Mijn luchtfoto’s over Houston, een stad die de meeste mensen vanuit de auto zien, brachten een enorme discussie op gang. Ineens was de absurditeit en fragiliteit zichtbaar: woonwijken vlak naast olieraffinaderijen, enorme, 25-baans snelwegen, tientallen identieke villa’s rond een aangelegd meer, en alles gebouwd in een delta waar eens in de zoveel tijd een storm overheen raast. In mijn werk probeer ik te laten zien hoe plekken zich op een hele specifieke manier hebben ontwikkeld. Ik zie waarschijnlijk ook veel dingen over het hoofd in Nederland.”

Snelwegen in Houston, Verenigde Staten (2020)

Vergeleken met de monumentale architectuurfotografie uit de vorige eeuw, lijk jij architectuur juist kleiner te maken.

„Ik weet niet of ik het kleiner maak, ik probeer architectuur vooral in haar context te zien.”

Wat zegt dat over hoe we naar architectuur zijn gaan kijken?

„Ik denk dat mensen een beetje klaar waren met die ideale esthetiek.”

Kijken we nu minder tegen gebouwen op?

„Kijk naar die foto achter je” – aan de muur hangt een luchtfoto van Las Vegas, maar dan ingezoomd, zodat het hele kader in beslag wordt genomen door gebouwen – „dit is hoe architectuur tegenwoordig is. Alles zit boven op elkaar. Las Vegas is een extreem voorbeeld natuurlijk, je hebt er de hele architectuurgeschiedenis op de strip zitten, van de piramides tot de Eiffeltoren. En alles is screaming for attention. Het verdwijnt in een wolk van alledaagsheid. Maar ik heb natuurlijk een grote bewondering voor architecten. Jarenlang aan een project werken, ik zou het niet kunnen.”

Geen geduld voor.

„Absoluut niet. Architecten zijn jaren bezig om een ideaalbeeld te creëren. Maar op het moment dat zij die plek verlaten, wordt het overgenomen door de echte wereld en valt dat ideaalbeeld soms in duigen. Dan gaan mensen erin leven, krijgt de plek een identiteit.”

Tot twintig jaar geleden hield je je nooit met architectuur bezig.

„Veel pivotal moments in mijn leven waren min of meer toevallig. Het moment dat ik de architectuur in ben gestapt, of de fotografie. Op mijn twaalfde verjaardag kreeg ik mijn eerste camera, de camera van mijn oma. Al was ik denk ik wel onbewust voorbereid op die momenten. Ik had alleen nog het duwtje nodig.”

Waarom gaf jouw oma haar camera?

„Het kijken, de wereld observeren, zat er altijd al in. Ik was veel aan het tekenen en schilderen. Ik ben slechter met woorden. Dat die camera je ook een reden geeft om je neus ergens in te stoppen, om op een plek te zijn waar je niet ‘hoort’ te zijn, leerde ik al vroeg. Ik was ook altijd geïnteresseerd in techniek. Elke fotograaf is een beetje een nerd. Voor mijn eindwerkstuk op de middelbare school bouwde ik zelf een camera. Hij werkt nog steeds. Ik had ook een eigen doka, waarin ik alles afdrukte, in kleur en zwart-wit.

„De kunstacademie vond ik daarom een beetje saai. Je leerde een foto perfect afdrukken in de doka, net zoals het honderdvijftig jaar daarvoor ook werd gedaan. Ik was geïnteresseerd in de nieuwe, digitale wereld, maar dat was op school totaal verboden. Het was 1995, 1996, de digitale camera was redelijk rudimentair, waarbij je de pixels nog kon tellen, maar ik vond het fascinerend wat daarmee kon. Ik ging stage lopen bij fotograaf Joost Guntenaar in Amsterdam, een pionier in de digitale wereld. Daarna kon ik in New York stage lopen. Het was de eerste keer dat ik in een vliegtuig stapte.”

Wat trok je aan in New York?

„Ik was erg beschermd opgegroeid. We gingen naar de vrije school, mijn vader was priester bij een antroposofische kerk. Op mijn negentiende dacht ik: ik ga het even helemaal anders doen. Met de kunstacademie had ik afgesproken om het laatste jaar vanuit New York te doen, zo veel fysieke lessen waren er toch niet meer. New York was een eyeopener voor mij, hoe mensen daar leefden en werkten. Je moest alles zelf uitvogelen, alles zelf doen. Met e-mail was foto’s sturen net te doen. Ik had afgesproken dat ik mijn afstudeerproject op een website mocht presenteren, maar toen puntje bij paaltje kwam, zei de academie: wij kijken niet naar een beeldscherm, daar kun je geen foto’s op beoordelen, kom volgend jaar maar terug. Dat heb ik nooit meer gedaan. Ik had al genoeg werk.”

Ooit spijt van gehad?

„Nee, niemand heeft ooit naar dat papiertje gevraagd. Ik heb alleen maar een zwemdiploma.”

En de middelbare school, toch?

„Nee. In het laatste jaar kreeg ik een zware buikvliesontsteking, ik heb een paar weken in het ziekenhuis gelegen. Daarna liep ik achter, maar ik was al aangenomen op de kunstacademie en ik kon daar meteen terecht.”

Wat voor werk deed je in New York?

„Natuurlijk wilde ik de kunstkant op, maar niemand zit op je te wachten, en New York is niet de goedkoopste plek. Dus je neemt alles aan. Ik werkte voor reclamebureaus, tijdschriften en een uitgever. Een keer vroeg een Nederlands bureau om lucht-footage van New York voor een commercial. Het was de eerste keer dat ik in een helikopter zat. Fantastisch. Daarna vloog ik met het filmmateriaal naar Amsterdam, en op het moment dat ik landde vlogen die vliegtuigen in de Twin Towers. Mijn materiaal hebben ze dus nooit kunnen gebruiken, maar ik wist: dit perspectief wil ik onderzoeken.”

Wat was er zo fantastisch aan de helikopter?

„Het is voor mij een manier om verbanden te leggen, to make sense of the world around me. In een helikopter kun je je in een driedimensionale ruimte positioneren en alle facetten van een stad samenbrengen. Ik had alleen nog niet veel opdrachtgevers voor dat soort fotografie, tot ik drie jaar later Rem [Koolhaas] tegenkwam.

„Een vriend was met een tentoonstelling bezig voor hem, The Image of Europe in Brussel. Ik had een voorstel gestuurd hoe ik dat in beeld zou brengen, en toen zei Rem: kom maar langs op het kantoor van OMA in Rotterdam. Ik had nauwelijks een idee wie Rem was. Daar vroeg hij of ik de volgende dag naar Chicago kon vliegen om zijn campusgebouw voor de Illinois Institute of Technology te fotograferen dat net klaar was.

„Dat kantoor van OMA was weer een eyeopener voor mij. Ik zag dat ze daar niet alleen bezig waren met architectuur, maar met een manier om naar de wereld te kijken, naar steden vooral. Rem gaf me carte blanche: zie maar waarmee je terugkomt. In Chicago maakte ik foto’s van hoe de studenten op die campus bewogen, hoe de campus werkte. Daarna vroeg hij of ik ook andere projecten wilde vastleggen van OMA. Daar ben ik niet meer mee gestopt. Ik merkte dat ik in architectuur al mijn interesses kwijt kon: de wereld ontdekken, kijken hoe mensen leven, hoe een omgeving wordt vormgegeven.”

De Torre David, een niet-voltooid en toch bewoond kantoor in Caracas, Venezuela (2012)

Heb je ooit onenigheid met een architect over hoe je een gebouw in beeld hebt gebracht?

„Zaha Hadid werkte altijd met Hélène Binet, een fantastische Zwitserse fotografe, maar van de oude stempel. Hadid vroeg mij natuurlijk omdat ze eens een ander beeld van haar werk wilde laten zien, maar in het begin hadden we daar wel discussie over. Een keer vroeg ze of ik de vuilnisbakken kon wegshoppen, terwijl die voor mij juist dat alledaagse lieten zien. Dus die ga ik niet weghalen.

„Je ziet wel dat van alle foto’s die ik maak, de meer standaard foto’s door de opdrachtgever naar architectuurmagazines worden gestuurd. Daarom is mijn boekproductie belangrijk voor me.”

En groot.

Lacht. „Ik heb aan zo’n honderd boeken meegewerkt, vaak in samenwerking met een architect of universiteit, een stuk of tien zijn er van mij alleen. Daarin kan ik mijn eigen verhaal vertellen.”

Beroemd werd Iwan Baan in 2012. In oktober van dat jaar zat hij in New York toen orkaan Sandy overtrok, waarna een groot deel van de stad dagen zonder stroom zat. New York Magazine belde hem voor een luchtfoto van Manhattan dat half in het donker zat. Baan had toevallig zijn nieuwste, meest lichtgevoelige camera mee. Tussen de 2.500 foto’s die hij schoot bleek hét beeld te zitten dat de impact van de ramp samenvatte en de kwetsbaarheid van de stad liet zien, eigenlijk slechts een kluit gebouwen omgeven door water. New York Magazine plaatste hem op de cover, het MoMA verkocht de foto daarna als poster om geld op te halen voor de slachtoffers.

Hoe maak je een foto uit een helikopter?

„Met de deur open, in een harnas van riemen. Door de trillingen moet je met een zo kort mogelijke sluitertijd werken. Je schiet bursts, veel foto’s achter elkaar, dan zit er altijd wel een scherpe tussen. Ik zit naast de piloot, zodat je precies kan aangeven waar je wil vliegen.”

Wat kost zoiets?

„Alles tussen de 400 en 15.000 euro per uur. Hangt ervan af wat er beschikbaar is en hoe ingewikkeld het is om een helikopter of vliegtuigje te krijgen. In de VS is alles private, je belt een piloot en tien minuten later hang je bij wijze van spreken in de lucht. Op andere plekken moet je soms met een klant werken die de juiste connecties heeft bij de civil service of politie.”

Werk je ook met drones?

„Ik reis tegenwoordig met een drone, maar op veel plekken, zeker in steden, zijn de mogelijkheden beperkt. Hij mag vaak niet hoger dan 120 meter. Als je een klein huis moet fotograferen is dat voldoende, maar mijn werk gaat meestal over de relatie van het gebouw met de stad, over het landschap, over de weidsheid en de grootsheid.”

Zijn kinderen Noah (11) en Elia (7) komen het kantoor binnen gerend, ze zitten achter elkaar aan met waterpistolen. Baan neemt de hijgende jongste op schoot, legt ondertussen de oudste uit hoe een lichtmeter werkt. Noah maakt een paar foto’s van het bezoek, vervolgens neemt zijn vrouw, Jessica Collins, ze mee naar de speeltuin; het is vakantie.

Hoe hebben Jessica en jij elkaar ontmoet?

„In 2012 in Hongkong. Zij werkte daar voor een branding agency, ik was er voor een opdracht. Daarna zijn we drie jaar fulltime gaan reizen. Ik had ook even geen huis, mijn huis in Amsterdam was afgebrand. Zij kon als schrijver overal ter wereld werken, we hebben samen aan projecten en boeken gewerkt.”

En hoe ging dat toen er kinderen kwamen?

„Zeker Noah, die in 2015 werd geboren, hebben we de eerste jaren overal mee naartoe gesleept. Toen de tweede kwam, namen we ook een au pair mee. Dat werd een hele vliegende karavaan. Ik probeerde steeds een plek te vinden waar we een paar weken konden zitten. Dan had ik een soort basis vanwaar ik andere dingen deed. Zo zaten we elke paar weken op een ander continent. Daarnaast hadden we twee bases: een huis in upstate New York, en hier boven dit kantoor. Elke zes tot acht weken wisselden we van plek. We hadden een school daar en een school hier. Met Covid hebben we anderhalf jaar hier gezeten, en toen twee jaar in Amerika. Vorig jaar hebben we ons huis in New York verkocht. Dat stond midden in de natuur, dat was fantastisch voor jonge kinderen. Maar het werd steeds moeilijker met school, en je bent daar de hele tijd taxichauffeur. Hier kan Noah gewoon op zijn fiets springen.”

En hoe bevalt het om op één plek te wonen?

Lange stilte. „Ik mis onze plek in Amerika heel erg. Maar het is voor onze familie nu het meest logisch om hier te zitten, ik sta binnen twintig minuten op Schiphol. Uiteindelijk maakt het niet zo veel uit waar ik zit, zolang de connections er maar zijn.”

Iwan Baan in zijn kantoor. De jas is onderdeel van een van de laatste projecten van zijn overleden broer Joachim Baan, ‘De Polder’, een samenwerking tussen Joachims platform Another Something, de dam foundation en Lennard Kok.

Wat mis je aan de VS?

„Ik haal er makkelijker inspiratie vandaan. Uit de absurditeit van de plek, de variëteit in subculturen, steden, landschappen. En het dwingt me om groot te dromen. Nederland voelt toch altijd heel klein, een beetje benauwd, ‘doe maar gewoon’. Iedereen zit te kijken naar wat je aan het doen bent.”

Van al je fotoboeken gaat er slechts één over Nederland, over de architectuur van Willem Dudok.

„De Dudok Stichting had dat al lang geleden aan mij gevraagd. Ik kende zijn werk goed, in de omgeving van Hilversum waar ik ben opgegroeid staan veel gebouwen van hem. Maar ik was er nooit. Toen kwam Covid, zat ik drie maanden vast in Nederland, dus kon ik dat projectje oppakken.”

Heeft je dat project Nederland meer doen waarderen?

„Kijk, het is natuurlijk heel prettig wonen hier. Daarom kozen we er ook voor om terug te komen met de kinderen. Maar juist de edges interesseren me, de plekken waar dingen niet werken, de fragiliteit van het systeem waarin we werken, wonen, leven, dat we allemaal for granted nemen. Hoe snel dat matje op veel plekken er weer onderuit getrokken kan worden, zonder dat we ons dat realiseren. In Nederland is alles fantastisch geregeld, en nog maken mensen zich druk. Er is een soort zelfgenoegzaamheid in Nederland waar ik moeite mee heb.”

Je vond je opvoeding te beschermd, je opleiding te saai, Nederland te benauwd. Je lijkt op zoek naar onrust.

„Ik ben nieuwsgierig naar dingen buiten mijn bubbel. Iemand die in Nigeria in een zelfgebouwd hutje woont vindt dat heel normaal. Die waanzinnige variety vind ik fascinerend om te zien.”

Hoe heb je de afgelopen twintig jaar de architectuur zien veranderen?

„De wereld is conservatiever geworden, er wordt minder geëxperimenteerd. Jonge architectenbureaus krijgen niet meer de mogelijkheden die Frank Gehry en Zara Hadid kregen. Er zijn meer regels over wat je mag bouwen, hoe je mag bouwen. Het moet allemaal zo efficiënt mogelijk. Het gros wordt nu bij wijze van spreken ontworpen in een Excel-sheet. De rol van een architect wordt steeds meer gereduceerd tot het kiezen van een paar materialen en kleuren in een catalogus, waarna alles wordt geshipped uit dezelfde fabrieken in China en Turkije. Het wordt minder en minder architectuur.

„Het extreme voorbeeld daarvan is dan wel weer interessant, zoals de Pearl River Delta in China, nu een van de meest verstedelijkte gebieden ter wereld. Die heeft afgelopen decennia een waanzinnige groeispurt doorgemaakt. Vorig jaar ben ik er met Rem geweest, om zijn belangrijkste projecten in China opnieuw te fotograferen voor een tentoonstelling in China, zoals de CCTV-toren in Beijing, de Shenzhen Stock Exchange, het Times Museum in Guangzhou. Het was voor het eerst dat ik in China vanuit de lucht kon fotograferen. Toestemming is daar altijd erg lastig.

„Het was een reis met zijn oud-Harvard-studenten, met wie Rem dezelfde trip dertig jaar eerder had gemaakt. Wat toen nog half countryside was, is nu een conglomeraat waar 90 miljoen mensen wonen. High-rises, zo ver je kijkt. Dan zie je de betrekkelijkheid van de architecten die daar allemaal bezig zijn geweest. Coop Himmelblau, Rem Koolhaas en Steven Holl hebben daar hun grootste projecten kunnen neerzetten, die nu in een zee van eenvormigheid zijn opgeslokt.”

Nicole Ex zei dat je het nu zwaarder vindt om te reizen.

„Begin deze eeuw was de globalisering op zijn hoogtepunt, China was de grote belofte, dat zou helemaal opengaan. Nu zijn een heleboel landen dicht door oorlog en protectionisme. Ik was in Rusland bezig met een boek over constructivisme toen het Oekraïne binnenviel. Dat project heb ik opzij moeten leggen. Ik ben vijftien jaar geleden vaak in Mali geweest, dat is niet meer veilig, net als Burkina Faso en grote delen van Nigeria. Het Midden-Oosten zit nu dicht. Daarnaast zijn er meer visumrestricties bijgekomen. De wereld is weer totaal in zichzelf gekeerd.”

Iwan Baan

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC In Beeld

De mooiste fotografie en de beste tips geselecteerd door de fotoredactie

Fotografie

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next