Home

Wie wil er nou geen lippenzeges en muiterlongen?

Poëzie De gedichten van Sandrine Verstraete maken bewust van het keurslijf van taal, maar proberen daar voortdurend aan te ontkomen, met alle verbeeldingskracht die de dichteres in zich heeft.

Schilderij van de Letse kunstenaar Indra Grasberga.

De debuutbundel van Sandrine Verstraete (1986) verscheen in 2013. Pas twaalf jaar later volgde kamers, dat onlangs werd bekroond met de prestigieuze Herman de Coninckprijs voor poëzie. Die lange stilte lijkt door te werken in de bundel zelf, waarin duidelijk wordt dat schrijven niet vanzelf gaat, maar telkens opnieuw moet worden bevochten.

Sandrine Verstraete: kamers. Het balanseer, 64 blz. € 24,-

In deze bundel is taal geen vanzelfsprekend instrument. Waar we gewoonlijk, alleen al door de zinsbouw die taal vereist, en met een sturing door persoonlijk voornaamwoorden, uitgaan van een solide ‘ik’, valt dat hier uiteen in meerdere stemmen. Afsplitsingen van de ik-figuur klinken vanuit verschillende plekken en kunnen zich overal bevinden: in verschillende kamers, in een balzaal of in de romp van een walvis. De taal in de bundel is daarbij rijk aan beelden vol kleuren en texturen, alsof alle zintuigen voortdurend op scherp staan. Tegelijk vloeien die beelden in elkaar over.

kamers bestaat uit gedichten in vrije versvorm en keert zich af van conventionele vormen. In vijf afdelingen maakt Verstraete een lichamelijke en geladen, emotionele ontdekkingstocht. Vaak is onduidelijk welke ik-afsplitsing aan het woord is. Dat zoeken naar wie of wat er spreekt, levert een complexe en soms frustrerende leeservaring op, iets waar Verstraete zelf op zinspeelt in het openingsgedicht, met de strofe ‘maar jij bent geen dichter die alles prijsgeeft’:

spreken zoals jij zegt kan ik niet meeral ontvang ik het schrijven als welgekomen houtrot, brand die grond weer woeligmaakt, de kleine ziekte na een vaccinwelke huis- of natuurgod zou mij nog kunnen treffen?ik ben even verdwaald en blind als de dronkaards die achter gesloten deuren een eclips uitbeelden

personages zoals ik willen alles: lippenzeges, muiterlongenmaar ik, ik had alleen de taal geleerd van kinderen die onder tafel slapen

aldus, ik-stem:beter wordt opnieuw een vrouw geboren middenin,volwassen en sterker gewapend – zo dacht ik haaralsof ze rechtstreeks uit de barst in een slapend Benthamhoofd kwam gekropen

Telkens klinkt in deze strofen een ander perspectief. Er is een stem die de dichter toespreekt, mogelijk een vorm van zelfkritiek. Er is een ‘ik’ dat het gedicht zelf lijkt te belichamen, en een ‘ik’ dat vermoeid is van taal en daarin houtrot ziet. Daarnaast zijn er „personages zoals ik”. En ergens moet toch ook de dichter zelf doorklinken, denk ik tijdens het lezen – maar is dat wel zo, en waarom blijf ik verlangen naar een stabiele vertelstem? Deze gedichten maken me ervan bewust dat ook ik gevangen zit in taalstructuren.

Rottend hoofd

Het „slapend Benthamhoofd” is een mooie én groteske verzamelplaats voor het gelaagde of gefragmenteerde bewustzijn dat Verstraete onderzoekt en de taal die we daar (niet) voor hebben. Het hoofd is van de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1748–1832). Zijn opgezette, ‘slapende’ lichaam, nog altijd te zien in een vitrine van University College London, heeft inmiddels een wassen hoofd omdat het oorspronkelijke begon te rotten. Het ‘echte’ hoofd en het evenbeeld werden lange tijd in dezelfde vitrine getoond. Wanneer Verstraete een Benthamhoofd oproept, blijft onduidelijk of ze naar het oorspronkelijke hoofd verwijst of naar het wassen evenbeeld. Juist die onzekerheid is betekenisvol: Verstraete suggereert dat we ons niet blind moeten staren op solide verschijningsvormen, maar dat we alle evenbeelden serieus moeten nemen.

Het Benthamhoofd is ook een verwijzing naar het panopticum: Benthams ontwerp voor een gevangenis waarin één bewaker alle gevangenen kan observeren zonder zelf gezien te worden. Daarmee roept de bundel de vraag op of we onszelf ooit kunnen overzien, en of we dat wel moeten willen. En in een groter verband: zijn we allemaal onderworpen aan taalstructuren? Kunnen we ooit op een vrije manier denken als we onze gedachten en onze schrijfsels laten bedwingen door wat de taalregels toestaan?

Zoals in het panopticum een vorm van permanente observatie ontstaat, is ook in de bundel een ‘ik’ werkzaam dat zichzelf voortdurend bekijkt, corrigeert en uitlegt, zonder ooit tot eenheid te komen. Taal fungeert daarbij als een structuur die een zelfbeeld tegelijk mogelijk maakt en fragmenteert.

Hallucinante ervaringen

De kracht van kamers schuilt niet alleen in de intrigerende denksporen die de bundel volgt, maar ook in hoe die taal klinkt. Verstraete laat haar taal zwieren: weerbarstig, vernieuwend en rijk aan beeld en klank, wie wil er nu geen lippenzeges of muiterlongen?

Wanneer ik me laat meeslepen door die gloeiende taal, verschuift mijn manier van lezen. Begrijpen wordt ondergaan, al blijf ik hardnekkig samenhang zoeken. De bundel verzet zich daartegen: ze vraagt geen interpretatie die alles vastzet, maar een aandacht die zich telkens opnieuw laat verstoren.

De lezer die zich daar niet door laat frustreren, wordt beloond met beschrijvingen van haast hallucinante ervaringen en een barokke beeldtaal. Het is onduidelijk waar de ik-figuur zich precies bevindt, wanneer er wordt gezegd:

in deze buik zal ik jarenlang wakker worden alsof het leven kon worden, de blindenvoor de ramen zijn oker, verspreiden dik licht als overstromingswateralle biologische tongen zijn witgekalkt en slaapwandelend

niets stabielsverlaat onzemonden die niet meer getuigen: wij wachten op bevelen, en resonantie

Licht wordt vloeibaar, dik als overstromingswater; lichaamsdelen worden witgekalkt als muren en lijken zelfs een onderbewustzijn te krijgen: ze slaapwandelen. Niets en niemand heeft een vaste vorm.

Zelfs de betekenis van een ogenschijnlijk eenvoudige mededeling als „monden die niet meer getuigen:” blijft instabiel. Het woord ‘niet’ ondergraaft de werking van de dubbele punt. Waar die laatste een uitspraak aankondigt, ontkent ‘niet’ dat er überhaupt gesproken wordt. Daardoor ontstaat een zin die zowel spreken als (opgelegd) zwijgen suggereert. Ook hier wordt duidelijk dat er een wens is om (tegen) te spreken, maar dat dat niet altijd mogelijk is.

Er komt vrijwel nergens een buitenwereld voor in deze gedichten. Dat zorgt soms voor een benauwde sfeer en doet verlangen naar een opening vanuit de binnenwereld. Zelfs ogen kunnen een (interne) trialoog voeren over een ‘zij’ – vermoedelijk de dichteres:

ogen i: ‘waarom kon ze zelf niet schreeuwen?’

               ogen ii: ‘waarom heeft ze niet harder dan een lichaam geschreeuwd?’

                       ogen iii: ‘alsof ze met stokken aan het dansen werd geslagen’

ogen i: ‘wat verbindt kan terzelfdertijd ook breken’

De ogen kijken niet naar buiten, maar naar het lichaam van de dichteres (waartoe ze vermoedelijk behoren) en hoe dat zich beweegt. Ze zijn er niet erg van onder de indruk. Zelfkritiek is een meerkoppig monster geworden.

De gedichten van Verstraete maken bewust van het keurslijf van taal, maar proberen daar voortdurend aan te ontkomen, met alle verbeeldingskracht die de dichteres in zich heeft. Speels en zwaar tegelijk laten ze zien hoe we onszelf voortdurend proberen te begrijpen en hoe sterk de drang is daaraan te ontsnappen.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next