Ongelijkheid Jongeren in Nederland zijn ongelukkiger dan voorgaande generaties. Social media helpt niet, ziet Hans Stegeman, maar de onderliggende oorzaak is ons economisch systeem.
Nederland staat op de zevende plek in het World Happiness Report dat kortgeleden verscheen. Goed nieuws, tot je verder leest. We behoren, net als veel andere rijke landen, nog steeds tot de gelukkigste landen ter wereld. Toch zijn in veel van deze landen jongeren de minst gelukkige generatie in decennia. Een signaal dat niet te negeren is.
Hans Stegeman is hoofdeconoom bij Triodos.
De standaardverklaring wijst naar sociale media. Die spelen inderdaad een rol en jongeren worden er ongelukkiger van, zeker in rijke landen.
Sociale media zijn schadelijk voor het geluk van met name pubers, maar de effecten zijn niet voor iedereen gelijk. Wie intensief online is in een wereld vol andere intensieve gebruikers, ervaart meer sociale vergelijking, minder echte ontmoetingen en meer verdringing van offline contact. Voor een generatie die volledig in dit digitale ecosysteem opgroeit, zijn die effecten het sterkst negatief, juist omdat sociale vergelijking en identiteitsvorming in die levensfase sterker spelen. Bij babyboomers is het licht positief.
Wat sociale media eigenlijk doen, zijn de factoren ondermijnen die het sterkst samenhangen met geluk: interpersoonlijk vertrouwen, sociale cohesie en de frequentie van echte ontmoetingen. Die dalingen zijn het grootst bij jonge vrouwen en bij jongeren uit lagere sociaaleconomische milieus. Wie zijn vriendschap verplaatst van de kroeg naar Instagram verliest de kwaliteit van verbinding, ook al neemt de kwantiteit toe. Sociale media versterken de ongelijkheid die al bestaat: wie thuis minder steun heeft, is ook online kwetsbaarder. Dalend vertrouwen bij jongeren is niet alleen een jongerenprobleem. Het is de vroege boekhouding van een samenleving die haar eigen fundament uitholt.
Maar dat is slechts een deel van het verhaal. TikTok en Instagram bestaan ook in Latijns-Amerika of Zuidoost-Azië, waar jongeren niet ongelukkiger of juist gelukkiger worden. Dat verschil laat zien dat sociale media geen afdoende verklaring is. Wie verwacht het beter te krijgen dan zijn ouders, kijkt anders naar de wereld dan wie onzekerheid ervaart en achteruitgang verwacht. Daar wringt het.
De Nederlandse cijfers zijn exemplarisch voor wat er in veel rijke landen gebeurt. In 1997 waren jongeren de gelukkigste Nederlanders: 91 procent noemde zichzelf gelukkig. In 2025 is dat 84 procent. Bij alle andere leeftijdsgroepen bleef het geluk stabiel of steeg het. Jongeren gleden van koploper naar hekkensluiter.
Hetzelfde patroon zie je bij mentale gezondheid. In 2013 was 87 procent van de 18- tot 25-jarigen tevreden met de eigen psychische gezondheid. In 2025 is dat 72 procent: een daling van vijftien procentpunt in twaalf jaar, drie keer zoveel als bij andere leeftijdsgroepen. Dat gebeurt niet in een arm land. Dit gebeurt in een van de rijkste landen ter wereld.
Onder die social media bovenlaag zit dan ook een dieper probleem: de economie zelf. Al in de jaren zeventig liet Richard Easterlin zien dat meer economische groei boven een bepaald niveau niet automatisch tot meer geluk leidt. Recente studies bevestigen dat: in rijke landen is economische groei nauwelijks nog verbonden met stijgend welzijn. Wat telt is niet de omvang van de koek, maar de verdeling en de zekerheid.
De zogeheten Great Gatsby Curve van Miles Corak maakt dat zichtbaar. Die laat zien dat landen met meer inkomensongelijkheid ook minder sociale mobiliteit kennen. Hoe schever de verdeling in de ene generatie, hoe kleiner de kans dat kinderen het verder schoppen dan hun ouders. De naam verwijst niet toevallig naar de roman: hoe rijker de bovenlaag, hoe hoger de muren. Wie niet gelooft dat inspanning loont, verliest iets fundamenteels: het gevoel van regie over het eigen leven. En precies dat staat bij jongeren in rijke westerse landen structureel onder druk.
Slechts 30 procent van de werknemers jonger dan 30 jaar heeft een vaste baan, tegenover bijna 90 procent bij zestigers. Jongeren beginnen hun loopbaan in een economie die op hun onzekerheid draait. Het sociale vangnet is tegelijk dunner geworden. Regelingen zijn versoberd, toegang is lastiger. Wie pech heeft, valt sneller en dieper.
Op de woningmarkt is het verhaal vergelijkbaar. Huizenprijzen zijn in reële termen verdrievoudigd. Wie in de jaren negentig kocht, bouwde vermogen op. Wie nu begint, betaalt die vermogensopbouw via huur of hypotheek aan de vorige generatie. CPB-onderzoek toont dat de vermogenskloof groter wordt: in 2022 hadden huurders gemiddeld 3.500 euro aan nettovermogen, kopers 135.000 euro.
Daarbij verstart de economie zelf. Recent CPB-onderzoek laat zien dat het proces van creatieve destructie, waarbij nieuwe bedrijven oude verdringen, in Nederland sinds 2007 verzwakt. Innovatie concentreert zich steeds meer bij grote gevestigde ondernemingen. Voor jongeren die willen beginnen of doorbreken, zijn de gevestigde belangen sterker dan ooit. Dat beeld is niet uniek voor Nederland. Ook in landen als de VS, het VK en Australië wijzen studies op minder bedrijfsdynamiek en meer concentratie van economische macht. Tegelijk zijn arbeidsmarkten flexibeler geworden, is de woningmarkt sterker vermarkt en is sociale zekerheid afgebouwd. In landen waar die ontwikkelingen minder ver zijn gegaan, is het beeld gunstiger. Dat patroon is te consistent om toeval te zijn.
Het toenemend ongeluk van jongeren is het resultaat van hoe we onze economie hebben ingericht. En dat kan worden herzien.
Meer zekerheid aan het begin van het arbeidsleven: stabiliteit als norm, niet flexibiliteit. Een woningmarkt die draait om wonen, niet om rendement. Minder belasting op arbeid, meer op vermogen. Meer ruimte voor nieuwkomers in plaats van bescherming van gevestigde posities. En gerichte begrenzing van sociale media voor pubers, als beleid gebaseerd op bewijs. Australië deed het. Denemarken, Nederland en Frankrijk overwegen het.
We staan nog hoog op de ranglijst van geluk. Maar een land waarin jongeren dat niet meer geloven, is al aan het dalen.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen