Home

De pieterman van Het Viswijf is smakelijk, maar dat maakt de stinkende kokkels niet meer goed

Het Viswijf in Den Bosch is in opzet een aardig, toegankelijk eethuis, maar de avond loopt onherstelbare averij op door onenigheid over onwelriekende schelpen.

is culinair recensent van de Volkskrant. Ook schrijft ze over culinaire (pop-)cultuur.

Monseigneur Prinsenstraat 1a,
’s-Hertogenbosch

hetviswijf.nl

Cijfer: 4,5

Toegankelijk visrestaurant met oesters en hele vissen van het ijs (dagprijs), mosselen (€ 28,50), kleine koude (€ 11) en warme visgerechten (€ 16). Open woensdag t/m zondag.

Voor ik uit de doeken doe wat er misging bij Het Viswijf in Den Bosch, moet ik u eerst iets over mezelf vertellen waar ik niet zo trots op ben. Zelfs na dertien jaar restaurants recenseren, ben ik nog een belabberde horecaklager. Ga ik voor mezelf, dan houd ik doorgaans mijn mond of vraag ik de rekening als iets niet in orde is. Ben ik voor de krant uit eten, dan verplicht ik me er iets over te zeggen. Met een goede klacht, op tijd, duidelijk en vriendelijk geventileerd, geef je de ander immers de mogelijkheid een fout te herstellen.

Desalniettemin voelt dit zonder uitzondering stressvol en gênant, vanwege mijn diepgevoelde angst voor zeikwijf versleten te worden – de naam die in mijn eigen horecatijd volop werd gebruikt voor vrouwen die hun saus apart wilden, ergens iets van vonden, of bijvoorbeeld een irritante stem hadden. Ik probeer dit professioneel te ondervangen door me omslachtig te excuseren voor mijn lastigheid, veel toegeeflijk te knikken, paniekerig te stamelen en te glimlachen – kortom, door mijn klacht zo onserieus en ongefundeerd mogelijk te laten klinken.

Ik kan u vertellen: dat is niet de meest productieve manier. Bijkomend probleem is natuurlijk dat ik van zeiken als het ware mijn beroep heb gemaakt. Misschien dat onze centrale klacht bij Het Viswijf beter was opgelost als hij was geuit door een begenadigder klager dan ik. Een ding is zeker: had ik hier voor mezelf gezeten, dan was ik na het voorgerecht opgestapt.

Dit is wat er gebeurde. We gingen naar Den Bosch omdat de menukaart van Het Viswijf mij over de nogal stomme naam had doen heenstappen. Je eet er mosselen met friet, oesters of kleine gerechtjes, en in de ijsbak midden in de zaak ligt een fijn aanbod hele vissen van de dag die je dan uit de pan, van de grill of (voor een meerprijs van € 2) uit zoutkorst kunt bestellen, zoals pieterman, snoekbaars en dorade.

De zaak is gedateerd generiek-nautisch ingericht. De patrijspoortjes met spiegels, banken van bruin skai en oranje gerbera’s maken het zelfs een beetje cafetaria-achtig; waarschijnlijk onderdeel van die laagdrempeligheid. Op een plank zien we een rijtje stoffige viskookboeken die rechtstreeks uit een weggeefkastje lijken geplukt: Ik kook mosselen en een Deltas-achtig fotoboek met Vis & Schelpdieren. Even generiek is de drukke jarentachtigplaylist waarop Jump van Van Halen, Madonna en 99 Luftballons voorbijdenderen. De jonge sommelier, die de bediening op zich neemt samen met een nog jongere ober, ruikt sterk naar Axe of vergelijkbare aftershave. Er is een vrij uitgebreide wijnkaart – de eigenaar heeft ook een wijnbar in de stad – en een aardig rijtje bieren.

Wrattige garnalen

De oesters worden door de jongste ober aan tafel opengestoken: waarom weet niemand, want het is voor geen van de drie betrokken partijen prettig. Hij is vriendelijk genoeg, maar alles duurt ongemakkelijk lang, vooral ook door zijn plichtmatige verhaal dat deels overbodig is (‘oesters komen uit de zee’, ‘Zeeuwse oesters komen uit Zeeland’) en deels niet klopt (‘Fines de Claires worden gespoeld in zoet water’, ‘Platte oesters worden in het wild gevangen’). Vier van de acht prikt hij bovendien kapot. De fritto misto (€ 8) is een lekker vers gefrituurd bordje spiering, kleine octopusjes en pijlinktvis, maar de garnalenkroketten (€ 8) smaken naar kreeftensoep uit blik en zijn gemaakt met roze, wrattige Noorse garnalen. Bij beide komt aangemaakte fritessaus.

Het gaat echt mis bij de kokkels (€ 11), die leeggelopen en stinkend naar een dode schelp op tafel komen in een plas grijs bloemenwater. We sturen ze terug naar de keuken, waarop de sommelier aan tafel komt vertellen dat het zo hoort. ‘Kunnen jullie even omschrijven hoe die lucht was voor jullie, want wij hebben eraan geroken en we denken dat het de witte wijn is.’ Ja, wat zeg je op zoiets. ‘Als u een nieuwe portie bestelt, zal die waarschijnlijk hetzelfde ruiken – maar we maken met plezier iets anders voor u.’

Zenuwachtig glimlachend zeg ik dat ik eigenlijk wel zeker weet dat deze schelpen niet in orde zijn en dat een nieuwe portie dus beter zal ruiken. ‘En zo niet’, zeg ik ‘dan betaal ik er gewoon voor.’ Een geschifte opmerking, zoals alleen de allerslechtste klagers ze kunnen bedenken: waarom zou je in godsnaam betalen voor twéé borden schelpen die je vindt stinken?

Onverminderd vies

Nou ja. Het wordt allemaal nog veel erger als de jongen precies hetzelfde bord dat hij eerder heeft weggehaald opnieuw op tafel zet: dezelfde lege schelpen, dezelfde zielige, krentachtige diertjes, hetzelfde stinkende bloemenwater – inmiddels natuurlijk wel koud. ‘Sorry’, zeg ik, ‘maar dit is hetzelfde bord als daarnet.’ Hij vertelt dan dat hij inderdaad per ongeluk het eerste, teruggestuurde bord opnieuw naar onze tafel heeft gebracht: ‘Keidom, excuses.’

Hij zet een nieuw bord op tafel dat warm is, maar onverminderd vies ruikt. Waarschijnlijk is de hele bubs schelpen ruim tevoren opengestoomd, bedenken we, om dan per bestelling te worden opgewarmd – de geur zit overal doorheen, en het verklaart ook waarom ze er zo extreem armetierig uitzien. De lol is er wel vanaf: we laten het staan. De ober reageert lichtelijk gepikeerd: hij heeft toch zijn excuses aangeboden? Een menselijke fout mag toch gemaakt worden? En blijft bij zijn standpunt dat met de schelpen niks mis is. ‘Oké, excuses aanvaard’, zeg ik. ‘Maar wij willen dit niet meer eten. Laten we verder gaan naar de volgende gang.’

Bij de zeeduivelstaart (€ 16) zit smakelijke knolselderij, uiencompote met kweepeer en nogal uitgedroogde oesterzwammen; het smaakt vooral vlak en opgewarmd. Dat geldt in nog sterkere mate voor de gebarbecuede octopus met pompoen, paprika en muffe doperwtenpuree (€ 16), die wel ooit een grill gezien heeft, maar waarschijnlijk niet vandaag. Smakelijk is de zeer verse pieterman (voor € 15 bovendien een koopje) die we krijgen met een krokant huidje, verfijnd vlokkige textuur en een lekker zuur botersausje; precies het eenvoudige, toegankelijke visgerecht waarvoor we kwamen.

Maar het is te laat om deze avond nog te redden. ‘Ik heb besloten’, zegt de ober bij de rekening, ‘dat u de kokkels toch niet hoeft te betalen.’ Ik weet even niet wat ik moet zeggen. ‘Ja, want u zei dat u ze allebei zou dokken, maar dat hoeft niet. Ik wil er wel bij zeggen dat het meer te maken heeft met het feit dat ú twee keer een vol bord terug naar de keuken heeft gestuurd, dan met iets anders, dat wil ik er wel bij zeggen.’

Doodziek

Ik weet gewoon niet waar ik moet beginnen. Niet alleen neem je iemands klacht niet serieus, en wordt er gerommeld met precies het type product waar mensen bij onzorgvuldige behandeling doodziek van kunnen worden. Er wordt een fout gemaakt die zo bizar en onwaarschijnlijk is dat een minder welwillend persoon er kwade opzet in zou zien – en die zelfs met het royaalste voordeel van de twijfel van een nonchalance getuigt die elk vertrouwen tenietdoet. Ik vind het achteraf ook verbijsterend dat de chef, die onzichtbare vreemde die met z’n blote tengels aan het eten zit dat ik in mijn lichaam moet stoppen, niet even aan tafel is gekomen om de boel uit te praten. En tenslotte wordt ook nog gedaan alsof ons een gunst is verleend omdat we niet voor de onopgegeten schelpdieren hoeven te betalen.

Schandalig! Maar ja: dat heb ik natuurlijk allemaal niet tegen die ober gezegd. Daar kom ik nou mee.

Dit is een rubriek uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next