Home

In Tokio hoor je zelfs in de wasserette jazz en dat is niet zo gek als het lijkt

Japan Zijn eerste twee romans schreef Haruki Murakami terwijl hij een jazzclub runde. Zijn Jazzportretten is een weerslag van een levenslange fascinatie.

Duke Ellington.

Een paar jaar terug verzeilde ik, op zoek naar een jazzclub in Ginza, Tokio, met mijn echtgenote in een nietszeggende blokkendoos met op elke verdieping een pijpenla van een horecagelegenheid. Het enige dat dat van buiten verried was een bescheiden bord bij de ingang. Begane grond: udon, eerste verdieping: soba, tweede: een cocktailbar, derde: jazzclub Dream. Een trappenhuis van grijs beton leidde langs raamloze deuren die verborgen werelden afschermden.

Haruki Murakami: Jazzportretten. Met illustraties van Makoto Wada. Vert. Luk van Haute.

Atlas Contact, 240 blz.€ 24,99

De aankleding van Dream bleek sober: een toog met plaats voor acht, een oude vleugel, een contrabas die in een hoek was geparkeerd, een paar afbeeldingen uit Carole Reiffs fotoboek Nights in Birdland. Er was geen drankkabinet, zodat bij elke bestelling een van de drie barvrouwen in een voorraadkast verdween om met peperdure whisky terug te keren. Achter de piano zat een door de tijd gekrompen grijsaard ‘As Time Goes By’ te spelen. Dit was eigenaar Matsuda, op dat moment al vijfentachtig.

Het personeel deed lacherig – ze zagen hier nooit toeristen. Die zaten allemaal in de jazzbar van het Park Hyatt Lost in Translation na te spelen, wat wij ook hadden gedaan. Mijn echtgenote vermoedde dat Dream geen jazzclub was, maar een als zodanig vermomd bordeel. Er zitten alleen maar mannen, zei ze. En die barmeiden zijn veel te mooi. Wat gebeurt er in die voorraadkast? Ik wees erop dat er wel degelijk twee vrouwen aan de bar zaten. Niettemin, zei ze.

Een van de barvrouwen legde in redelijk Engels uit dat we ons nietsvermoedend gecommitteerd hadden aan een fikse cover charge. Of we dat wel wisten? Zijzelf was in het dagelijks leven musicalster, haar collegae waren fotomodel en gospelzangeres. Ja, Matsuda had een zekere hand van kiezen. Er kwam een in coltrui gestoken man binnen, een befaamd musicus die een borrel achteroversloeg, mijn echtgenote Revka het restant van zijn fles Hibiki schonk en weer vertrok. De Japanner naast ons bleek de directeur van een multinational – die had zijn personal assistent meegetroond, een bleu meisje dat zich moest laten welgevallen dat haar baas toespelingen maakte op de „diensten” die ze hem zou gaan verlenen op zakenreis. Toen hij even naar de wc was, probeerden we haar tot vluchten te bewegen. Ze zei, bedrukt: „I went to a bad university. This is my only chance in life.”

Philip Arneill: Tokyo Jazz Joints.

Kehrer Verlag, 168 blz. € 45,-

Aan het eind van de avond kwam Matsuda een praatje met ons maken, puffend op zijn pijp. Where from? Oranda? Hij begon over Rita Reys en Ann Burton, met wie hij nog gejamd had. Uit de boxen klonk Billie Holiday: een gebarsten stem, door het leven geschroeid. Voor even was alles perfect.

Ik werd aan die avond herinnerd door twee recente boeken: een nieuwe editie van Philip Arneills Tokyo Jazz Joints en Haruki Murakami’s Jazzportretten. Arneills boek is de weerslag van een al tien jaar lopend fotoproject waarin hij probeert de honderden Japanse jazzcafés te documenteren, Murakami’s boek bestaat uit een verzameling geïllustreerde beschouwingen over jazzmusici. In de jaren zeventig baatte Murakami zelf jazzcafé Peter Cat uit, waarvan wat meubilair en een deel van de platencollectie ter beschikking zijn gesteld aan de Haruki Murakami Library aan de Waseda Universiteit.

De diepe liefde die Japanners voor jazz voelen is een wonderlijk fenomeen. Nergens ter wereld bestaat zo’n levendige markt voor re-issues en zelfs in de wasserette hoor je Coltrane. Terwijl het van oorsprong een zuiver Amerikaanse muziekvorm is, ontwikkeld door nazaten van tot slaaf gemaakten. Jazz was de soundtrack van de roaring twenties, een onlosmakelijk deel van de Harlem Renaissance, het joeg zichzelf op tot bebop, vond zijn cool aan de westkust, had grote invloed op Beat-schrijvers die spontane ‘bop-prosodie’ beoefenden. Jazz is muziek als gespreksvorm, zoekend, improviserend, soms uitdagend, geil, competitief, verhit, relaxed. Het is door schrijvers als Ralph Ellison en Langston Hughes vergeleken met het leven zelf, dat evengoed zou bestaan uit soleren over akkoordwisselingen. Maar waar in het westen de muziekvorm in hoge mate gestold is, of verworden tot behang, is het in Japan springlevend. Hoe kan dat?

Esthetische kenmerken

De in Amsterdam woonachtige pianiste Atzko Kohashi wees in een artikel voor All About Jazz op esthetische kenmerken die aansluiten bij de Japanse cultuur. Ze haalt Bill Evans aan, die in zijn liner notes bij Kind of Blue refereerde aan sumi-e, een type schilderkunst waarbij de schilder met heel precieze intentie lijnen zet „op dun, strak gespannen rijstpapier, met een speciale penseel en zwarte waterverf, op zo’n manier dat een onnatuurlijke of onderbroken streek de lijn zal vernietigen of door het papier heen zal breken. Uitwissen of veranderingen zijn onmogelijk”. Diezelfde geest huist in jazzimprovisatie: geen correcties, geen tweede poging, waarachtig zijn in het moment. Tegelijk wijst Kohashi op Ichigo-Ichie, dat spreekt van het unieke, eenmalige van elke ontmoeting die je terugziet in jazzoptredens. En op het belang van ma, de functionele tussenruimte die meer is dan stilte. In jazz, schrijft ze, is de timing van stilte – of vertraging – wat zorgt voor de swing en de groove.

Luisteren naar jazz is in Japan een bijna heilig ritueel, meer nog in de piepkleine jazzcafés dan in clubs met live muziek. Het zijn die cafés, de ‘jazz kissa’, die Arneill in kaart heeft gebracht. Hij is begonnen in Tokio en heeft zijn werkveld mettertijd uitgebreid tot uithoeken als Tosu en Hakodate, waar hij cafés fotografeerde met tot de verbeelding sprekende namen als Coltrane Coltrane, Pithecanthropus Erectus, Old Blind Cat, Billie’s Bar en Nefertiti. Het zijn mini-universa waarin tijd niet lijkt te bestaan. Elk ervan geeft blijk van de individuele voorkeuren van de vaak oudere verzamelaars die zo’n zaak bestieren, maar er zijn overeenkomsten: de enorme jazzcollecties en de sublieme hifi-installaties waarin Japan uitblinkt. Het licht is er gedempt, zodat je direct aan Junichiro Tanizaki’s essay Lof der schaduw moet denken, waarin de subtiele Japanse esthetiek wordt afgezet tegen de overbelichte westerse. „Wij vinden schoonheid niet in de dingen zelf”, schrijft Tanizaki, „maar in de schaduwpatronen, in het licht en het donker dat het ene ding bij het andere veroorzaakt.” Jazz lijkt me bij uitstek muziek van de schaduw.

Billy Holiday.

Schrijver en literair agent James Catchpole merkt in zijn voorwoord bij Tokyo Jazz Joints op dat je filosofisch kunt doen over hoe jazz kissa fungeren als „third place” tussen thuisomgeving en werkplek in. „Waar de vaste gast kan ontsnappen aan het overbevolkte, stressvolle stadsleven van Tokio; waar hij (het is bijna altijd een hij) warm begroet kan worden door een morsige eigenaar, waar een fles met zijn naam erop van een plank zal worden geplukt en waar hij even kan luisteren naar een paar briljante jazzplaten om zijn zorgen te vergeten.” Maar zelf denkt Catchpole er niet meer in zulke termen over. „Een blonde rakker en een swingend album op een prima geluidsinstallatie is zijn eigen vorm van paradijs, ongeacht de sociologische betekenis.”

In een jazz kissa is jazz niet de omlijsting van de drank, drank is de omlijsting van de jazz. Het is de bedoeling dat je luistert, niet dat je erdoorheen kletst. Vandaar dat veel eigenaren niet op toeristen zitten te wachten die de etiquette niet kennen. Toen ik in Shinjuku zo’n zaakje binnenliep, verzocht de vijftiger die met zorg elpees uitzocht me géén foto’s te maken en niks op Instagram te zetten. Sterker: hij had liever dat ik mijn vrienden ook niet tipte.

Schrijven aan de keukentafel

Peter Cat was zo’n kissa, vanaf 1974 in de wijk Kokubunji en vanaf 1977 in Sendagaya. Murakami en echtgenote Yoko vernoemden het café naar hun kat en deden alles zelf: van schoonmaken tot koken. Ondertussen deed Murakami er een greep uit een verzameling die op dat moment al 3.000 elpees omvatte. Er waren vaak schulden, maar dat leven gaf Murakami de mogelijkheid de hele dag tegen betaling naar zijn favoriete muziek te luisteren. Ook schreef hij er tussen het werk door aan de keukentafel zijn eerste twee korte romans: Luister naar de wind en Flipperen in 1973.

Jazzportretten is de weerslag van een levenslange fascinatie. In zekere zin schuif je in de Peter Cat aan, terwijl Murakami vanachter de bar platen tevoorschijn trekt. Van elke geportretteerde – variërend van grote namen als Charlie Parker en Billie Holiday tot minder gekende als Jack Teagarden en Anita O’Day – kiest de kastelein één album, dat wordt voorzien van persoonlijke noten. „Ik ben tot nu toe in de ban geweest van allerhande romans en heb me ondergedompeld in allerhande jazz”, schrijft hij. „Maar voor mij is uiteindelijk toch Scott Fitzgerald ‘the novel’ en Stan Getz ‘the jazz’. Nu ik er nog eens over nadenk, zie ik tussen deze twee wel een aantal belangrijke punten van overeenkomst. Uiteraard kun je in de kunst die ze maakten bij allebei gebreken ontdekken. Dat geef ik grif toe. Maar zonder de prijs te betalen voor dergelijke tekortkomingen hadden ze waarschijnlijk nooit de eeuwige stempel van schoonheid kunnen krijgen. Juist daarom koester ik een diepe, onvoorwaardelijke liefde voor hun schoonheid en tegelijk ook voor hun tekortkomingen.”

Jazzportretten is niet een boek voor lezers die literaire hoogstandjes zoeken, technisch willen worden bijgeschoold of op zoek zijn naar diepgravende essayistiek. Het is vooral een boek dat enthousiasmeert en je op het spoor zet van albums die je nog niet kent of nog eens een kans zou moeten geven. Onbedoeld maakt dat het een prima pendant van Tokyo Jazz Joints. Mij herinnerde het bovendien aan de laatste levensfase van mijn dementerende opa, met wie ik uren op de bank zat om zijn nauwgezet gerubriceerde jazzcollectie door te nemen, het enige dat nog werkelijk toegang bood tot het rijk van herinneringen, en dan te luisteren naar wat hij over Fats Waller of The Mills Brothers te zeggen had.

De Murakami’s sloten hun zaak in 1981, omdat Haruki zich volledig op het schrijven wilde richten. Maar toen ik hem in 2013 sprak liet hij doorschemeren dat het zijn droom was weer een jazzclub te openen. Zijn collectie omvatte op dat moment 10.000 albums. Later herhaalde hij dat nog eens in een Q&A. „Als ik als schrijver met pensioen ben, zou ik graag een club openen in Aoyama. In dat geval zal ik een witte jacquet dragen, zoals Humphrey Bogart in Casablanca.”

Wat het runnen van een jazzcafé hem geleerd had, zei hij, was dat je niet moest proberen een allemansvriend te zijn. „Als drie van de tien klanten mijn bar leuk vonden en terugkeerden, was dat genoeg. Dan was de bar levensvatbaar. Hetzelfde geldt voor romans: als drie van je tien lezers je roman mooi vinden, en eentje zo’n roman zelfs herleest, zit je goed.”

Dat klinkt als het soort wijze levensles dat een goede kastelein terloops uit zijn mouw schudt; wijsheid die verkrijgbaar is in de third space van het café, en niet in je Spotify-suggesties.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Japan

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next