Home

De geschiedenis bewijst: het kapitalisme is van alle markten thuis en vindt zichzelf steeds opnieuw uit

Wereldgeschiedenis Het einde van het kapitalisme is al vaak voorspeld. Maar volgens de Amerikaanse historicus Sven Beckert is het zo dynamisch dat het nog steeds nieuwe domeinen van het menselijk leven waar ook ter wereld weet binnen te dringen.

De vloer van de New York Stock Exchange in 1964.

Al sinds de term ‘kapitalisme’ medio negentiende eeuw zijn intrede deed, wordt de ondergang van het systeem voorspeld. Niet alleen door marxisten, die denken dat het kapitalisme aan zijn eigen contradicties zal bezwijken, desnoods nadat het ‘t touw heeft weten te verpatsen waaraan het zelf zal worden opgehangen. Ook pleitbezorgers der „vrije ondernemingsgewijze productie”, zoals het systeem decennia geleden heette, hebben soms twijfels over de levensvatbaarheid. Zo stelde Unilever-topman Paul Polman tijdens de ‘grote recessie’ in 2012 de vraag „of het kapitalisme nog toekomst” had. Verwarring alom. Was Polman stiekem activist, vroeg vakblad The Economist zich af?

Sven Beckert: Capitalism. A Global History. Allen Lane, 1325 blz. € 67,99

Het pakte anders uit. Occupy Wall Street rolde de tentjes op en Polman ging met pensioen. Ruim tien jaar later heerst de internationale van het kapitaal meer dan ooit op aarde. Ondanks kredietcrisis en coronapandemie is het wereldwijde vermogen van de hyperrijken sindsdien verdrievoudigd. Maar dat wil niet zeggen dat Polman zijn vraag voor niets heeft gesteld.

Juist omdat de rijken nog altijd rijker worden – een trend die de Franse econoom Thomas Piketty in 2014 signaleerde in Kapitaal in de 21ste eeuw en in 2020 heeft uitgewerkt in zijn studie Kapitaal en ideologie – blijft het boeken over het neoliberalisme regenen. Nog steeds wordt daarin vaak het einde van het kapitalisme voorspeld. De Franse historicus Arnaud Orain kondigde vorig jaar in De eindigheid van de wereld. Mateloos kapitalisme van de zestiende eeuw tot vandaag bijvoorbeeld aan dat het huidige ‘roofkapitalisme’ zal uitdraaien op oorlog waarin de liberale economische orde zal opbranden.

Afgaande op het oeuvre van de Amerikaanse historicus Sven Beckert is zo’n requiem echter voorbarig. Het kapitalisme is te flexibel om zich voor één gat te laten vangen, betoogt hij in zijn recent verschenen boek Capitalism. A global history. Het kapitalisme is zo dynamisch dat het nog steeds allerlei domeinen van het menselijk leven waar ook ter wereld weet binnen te dringen.

De in Duitsland geboren en getogen Beckert, hoogleraar geschiedenis aan Harvard en gespecialiseerd in de achttiende en negentiende eeuw, werd in 2014 bekend door Empire of Cotton, net als zijn laatste boek ook „a global history”. The New York Times noemde deze monografie een „verbluffende prestatie”, mede omdat Beckert niet alle nadruk legde op technologische innovaties in transport en productie, maar ook aandacht vroeg voor de planters, slaven, arbeiders en industriëlen in Noord én Zuid die de wereld katoentjes bezorgden.

Veertig minuten minder slapen

In Capitalism doet Beckert hetzelfde, maar dan over de hele linie. Beckert, schatplichtig aan de Franse Annales-school die naar de ‘longue durée’ zocht, deinst in dit boek niet terug voor de lange tijdlijn, te beginnen met een handelscentrum in 1150 en eindigend bij de pandemie van 2020, en evenmin voor de geografische breedte, die reikt van zilvermijnen in Peru tot het kantoor van de KNAW aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam.

Wat is kapitalisme? Volgens Beckert is het niet simpelweg een vrije goederenmarkt die wordt geleid door een ‘onzichtbare hand’, zoals de Schotse verlichtingsfilosoof Adam Smith (1723-1790) dacht. Kapitalisme is ook geen religieus fenomeen, zoals de Duitse socioloog Max Weber (1864-1920) betoogde door het succes ervan te koppelen aan de protestantse ethiek die eist dat de mens met zijn talenten woekert. Nee, kapitalisme is een permanent monetair proces, dat aan het eind van de middelleeuwen de klassieke lokale (ruil)handel in goederen wist te verdringen, valuta steeds meer een centrale plaats gaf in de economie en vervolgens een vlucht kon nemen toen Europa in de zestiende en zeventiende werd overspoeld met zilver en ander edelmetaal uit Latijns-Amerika.

Kapitalisme is een wereld waarin geld geen ruilmiddel meer is, maar een doel op zich. „Kapitalisme is een vorm van economische leven waarin kapitaalbezitters de productie van goederen niet organiseren omdat ze die goederen nodig hebben of willen hebben, maar omdat ze hopen zo meer kapitaal te produceren”, aldus Beckert. Alles is in potentie dus handelswaar. Ook de mens zelf. Het kapitalisme zoekt steeds weer naar „nieuwe levenssferen om te koloniseren”. Zelfs de tijd wordt daaraan onderworpen, betoogt Beckert met een statistiek dat de Zwitsers in 2011 dagelijks 40 minuten minder sliepen dan in 1983.

Door die „noodzaak tot expansie” is het kapitalisme politiek van alle markten thuis. Het is een ondogmatische ideologie. Het kan in een democratische omgeving gedijen, zoals na de Tweede Wereldoorlog in Europa of Amerika, maar net zo goed onder dictatoriale omstandigheden, zoals in China of Rusland in de afgelopen decennia.

Volgens de traditionele geschiedschrijving ontwikkelt het kapitalisme zich vooral vanuit innovatieve machtscentra in Europa. Volgens Beckert is deze eurocentrische blik te beperkt omdat die blind is voor de sociale, ecologische en culturele gevolgen ervan. Kapitalisme is een „globale orde met een verbijsterende diversiteit” aan lokale varianten, een „veelkoppige hydra”, aldus Beckert.

Het is dan ook geen toeval dat hij zijn boek begint in de bruisende Arabische handelsstad Aden aan de Rode Zee in de 12de eeuw en eindigt op de staatloze ‘soevereine’ archipel Seasteads, een 21ste-eeuwse antidemocratische utopie van Duits-Amerikaanse hyperfuturist Peter Thiel. Het eiland is volgens Beckert dé metafoor voor het kapitalisme: het begint in een enclave om zich ten koste van omliggende gemeenschappen steeds meer ruimte toe te eigenen.

Van Mongolen tot Musk

Beckert verdeelt het krappe millennium kapitalisme in vier periodes.

In de opbouwfase (vijftiende-achttiende eeuw) wordt het platteland gecommercialiseerd vanuit de steden. Daar begint de manufactuur zich tot industriële bedrijvigheid te ontwikkelen en ontstaan handelscentra die het achterland verbinden met wereld. Met de eerste aandelenbeurs ter wereld speelt Amsterdam een cruciale rol. De Republiek kan zich in de zeventiende eeuw met recht een „model kapitalistische natie noemen”, schreef Karl Marx al.

Het kapitalisme krijgt tempo door de „great connection”, zoals Beckert de handelsvaart noemt die Europa vanaf 1450 verbindt met Azië, Amerika en Afrika. En omgekeerd trouwens. Want net als Surat, Londen en Caïro is ook Amsterdam geen geïsoleerd centrum maar een „coproductie”, namelijk van de Caribische eilanden, de landerijen in Oost-Europa, de archipels in Zuidoost-Azië en het Hollandse platteland.

De stoommachine en andere technische vernieuwingen uit de eerste industriële revolutie leiden in de negentiende eeuw tot een „grote sprong” die uitmondt in een massa-industrieel kapitalisme. Burgerlijke vrijheid is hierbij geen noodzakelijke voorwaarde. Integendeel. In de twintigste eeuw vervaagt het onderscheid tussen vrije en onvrije arbeid juist. Waar autofabrikant Henri Ford de werknemers met productieprocessen kan disciplineren, exploiteert het kapitaal in nazi-Duitsland en fascistisch Italië zijn ondernemingen volgens de auteur juist via dwangarbeid.

Een portier veegt de rommel op na een drukke dag op de New York Stock Exchange in 1938.

Na de Tweede Wereldoorlog lijken de verzorgingsstaat in het Westen, de dekolonisatie van het Zuiden en het communisme in het Oosten het kapitalisme wat te kunnen temmen. Maar na de ‘trente glorieuses’, zoals de Franse econoom Jean Fourastié de periode tot 1973 noemde, dient de fase van het neoliberale kapitalisme zich onweerstaanbaar aan. De overheid faciliteert die ontwikkeling met overheidsbezuinigingen, deregulering, privatisering en liberalisering. Deze anti-keynesiaanse hervormingsagenda zal een halve eeuw later leiden tot een nieuwe vorm van het ouderwetse staatsmonopoliekapitalisme, waarin Big Tech met de Amerikaanse politieke staatsmacht is verweven zoals de VOC dat met de Republiek was.

Na meer dan duizend pagina’s sta je paf. Zoveel kennis van de Mongolen tot Musk, zoveel lef om lijnen te trekken van Anton de Kom naar de bankierbroeders Barclay, zoveel ponteneur om alle klassieke denkers onbekommerd te gebruiken: Beckert durft.

De ondergang van het Oostblok

Toch roept Capitalism vragen op. Bij mij dienden die zich aan na de hoofdstukken waarin Beckert tijdvakken en territoria behandelt waarin ik me iets beter thuis voel: Rusland, Sovjet-Unie en Oost-Europa.

Het Russische Rijk benadert Beckert vanuit een louter territoriaal perspectief: (landbouw)grond die smeekt om expansie. Hij gaat nauwelijks in op de na-ijlende ontwikkeling van lijfeigenschap in dit imperium en de verschillen met de horigheid in andere Europese rijken. Van de slaven op de plantages in Amerika tot de lijfeigenen van de Russische adel tot de horige boeren op de feodale landerijen in het Pools-Litouwse Gemenebest of het Habsburgse Rijk: het lijken bij Beckert allemaal dezelfde vormen van onvrije arbeid, hoewel de historische variaties tussen bijvoorbeeld lijfeigenschap en horigheid tot nu toe doorwerken in Rusland, Oekraïne en Belarus.

Beckert besteedt echter amper aandacht aan de ontwikkeling van het communisme als antipode van het kapitalisme. De theorie van het alternatief krijgt met verwijzingen naar Karl Marx, Friedrich Engels en Antonio Gramsci ruim baan, de praktijk niet of nauwelijks.

De moorddadige kapitaalsaccumulatie via de zware industrie, die Jozef Stalin in de jaren dertig afdwong met de collectivisatie van de landbouw en de liquidatie van de vrije boerenstand in met name Oekraïne, komt niet aan bod. De verburgerlijking van het ‘reëel bestaande socialisme’ onder Leonid Brezjnev in de jaren zestig-zeventig lijkt taboe.

Voor het maoïstische model in China heeft Beckert evenmin belangstelling. Het pad naar het kapitalisme onder partijtoezicht, zoals Deng Xiaoping vanaf 1976 uitstippelde, is voor hem relevanter, zoals hij ook het hyperkapitalisme in Cambodja anno 2020 meer aandacht schenkt dan het terroristische boerencommunisme van de Rode Khmer vijftig jaar geleden.

De ondergang van het Oostblok komt er nog bekaaider af. In drie alinea’s behandelt Beckert de onttakeling van de Sovjet-Unie en in één alinea de ommekeer in Polen: nog geen halve pagina op een totaal van 1325 bladzijden. Van de ene op de andere dag is het volgens hem gedaan met het systeem en grijpen partijbazen hun kans zich in een „cliëntelistisch kapitalisme” te verrijken.

Dit gebrek aan belangstelling is raar. Want het communisme was driekwart eeuw wel degelijk een alternatief model dat na de Tweede Wereldoorlog buiten het Westen weerklank vond en in de jaren zeventig een derde van de wereld omspande, zoals de auteur notabene zelf opmerkt.

Net zo curieus is het dat Beckert slechts in „vogelvlucht” interesse aan de dag legt voor de democratisch kapitalistische verzorgingsstaat, die in de loop van de ‘trente glorieuses’ – in Zweden de rekordåren, fraai verbeeld in de Netflix-serie The Restaurant (Vår tid är nu) – in Europa zijn climax bereikt. Gebaseerd op samenwerking tussen kapitaal en arbeid onder auspiciën van de staat, schiep Europa een ‘sociale markteconomie’ die het uithangbord van de EU zou worden.

Beckert erkent dat dit Wirtschafswunder de levensstandaard heeft verbeterd en de sociale ongelijkheid verminderd. Maar de politieke keuzes, die dat mede mogelijk hebben gemaakt, laat hij onderbelicht. De verzorgingsstaat is meer het gevolg van de, uit Amerika overgewaaide, massaproductie in pakweg de auto-industrie dan van het beleid van Ludwig Erhard, Clement Attlee, Olof Palme laat staan Willem Drees, die niet of nauwelijks worden gememoreerd.

Ten bewijze dat het kapitalisme tot alles bereid is als het geld maar rolt, haalt Beckert daarom Friedrich Hayek (1899-1992) aan. De geestelijk vader van de neoliberalen, die graag in Chili kwam maar in het Schwarzwald stierf, zei ooit: „Persoonlijk prefereer ik een liberale dictatuur boven een democratische regering die liberalisme ontbeert”.

Generaal Augusto Pinochet als heraut van de toekomst van het kapitalisme boven de Duitse sociaaldemocraat Helmut Schmidt of christendemocraat Helmut Kohl, die in dezelfde periode personificaties waren van het Rijnlandse model: hier verwordt een ‘global history’ tot bluf. Nietszeggende branie zelfs. Want als alles kapitalisme is, is niets meer kapitalisme.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Geschiedenis en archeologie

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next