Fotograaf Ruben Lundgren heeft een stormachtige carrière achter de rug: hij reisde van Nederland naar Shanghai, en werd recentelijk, na jaren aan experimentatie, senior conservator bij het Nederlands Fotomuseum. In een nieuwe tentoonstelling onderzoekt hij zijn leven en identiteit.
is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over fotografie en de zakelijke kant van de kunstwereld.
Wat als hij op zijn 21ste niet naar Shanghai was afgereisd? Al helemaal omdat het ‘bluf’ was die hem, als jonge fotograaf in opleiding, in de Chinese havenstad had doen belanden voor een afstudeerproject. Dan was mogelijk de keten van gebeurtenissen niet ingezet die leidde tot de drie huidige hoogtepunten in zijn loopbaan. En dit interview, waarin Ruben Lundgren (42) zijn belevenissen in een sneltreinvaart vertelt.
Dat klinkt, samengevat in één zin, ongeveer zo: die paar weken in Shanghai bleken de opmaat te zijn tot een verblijf in China van bijna twintig jaar, waarin hij de documentaire kant van de fotografie exploreerde, creatieve fotoboeken maakte, met een daarvan een belangrijke prijs won, Martin Parr leerde kennen, de beroemde fotograaf, curator en verzamelaar uit Engeland, met wie hij langdurig samenwerkte, waarna hij zelf tentoonstellingen samenstelde en naar bijzondere foto’s speurde, onder meer voor een mysterieus archief van een Brits-Canadese miljardair, op basis van al deze ervaringen een felbegeerde baan in de wacht sleepte (senior curator bij het Nederlands Fotomuseum), terwijl hij ondertussen zwoegde aan een – sterk autobiografisch – fotoboek dat verschijnt bij de nu openende overzichtstentoonstelling van zijn werk in Fotomuseum Den Haag.
Dat boek vergde een hoop zelfonderzoek, waarbij ook iets naar boven kwam waarover hij – ‘met mijn Noord-Hollandse achtergrond’ – nooit praatte: tijdens zijn eerste bezoek aan China in 2004 kocht hij een illegale dvd-box van de Britse tv-serie Queer as folk en keek stiekem naar de belevenissen van de drie homoseksuele hoofdrolspelers.
Uit angst voor ontdekking gooide hij daarna de tien schijfjes weg in een publieke afvalbak, maakte zichzelf wijs dat hij niet gay kon zijn, kwam na terugkomst in Nederland uit de kast en ontdekte, eenmaal geëmigreerd, dat homoseksualiteit in China wordt getolereerd ‘zolang je maar trouwt en kinderen krijgt met een vrouw’.
Dat leidde weer tot bespiegelingen over het begrip ‘schijnwerkelijkheid’, zowel ten aanzien van de manier van leven in China als van het medium fotografie en de consequenties van queer zijn, een thema dat centraal kwam te staan in zijn tentoonstellingsboek.
Tijdens het vraaggesprek verontschuldigt hij zich voor zijn enthousiasme. De sollicitatie vorig jaar bij het Nederlands Fotomuseum en het uitdenken van het autobiografische boek hebben bij hem, zo legt hij uit, een ‘enorm reflectieproces’ op gang gebracht.
‘Ik ben altijd heel intuïtief te werk gegaan. Ik las in de krant dat Shanghai de titel van grootste haven ter wereld had overgenomen van Rotterdam. Ik wist helemaal niets van China. Behalve dan dat ik een Chinese fietsbel had en dat het een communistisch land was waarin veel mensen wonen. In een bui heb ik gezegd: ik ga naar Shanghai.
‘Je verwacht dat er daarna ergens in het proces iemand komt die zegt: ‘Leuk en aardig allemaal, maar dit is gewoon bluf’ en die je dan terugstuurt. Ik dacht de eerste dagen in Shanghai: fuck, niemand heeft me tegengehouden. Dus moet ik nu iets doen.’ Hij maakte een serie van met natuurfoto’s beplakte afrasteringen rond de vele bouwprojecten in de stad, symbool voor de enorme ontwikkeling die het land doormaakte.
Na zijn afstuderen in 2005 maakte hij een vliegende start met zijn studiegenoot Thijs groot Wassink. De twee, opererend onder de naam ‘WassinkLundgren’, kregen onder meer foto-opdrachten van Volkskrant Magazine. ‘Er is chemie tussen Thijs en mij. Plat gezegd: hij is een denker, ik een doener.’
Ze sloegen hun vleugels uit. Lundgren ging in Beijing wonen (waar hij de Chinese taal leerde), Wassink in Londen. Samen maakten ze fotoseries. De meest creatieve daarvan gaven ze in boekvorm uit.
Zoals Empty Bottles (2007), waarvoor het idee toevallig ontstond; op een van de foto’s die ze in de Chinese hoofdstad hadden genomen, bleek iemand te staan die op straat uit geldnood naar lege flessen zocht. De Nederlanders legden her en der lege plastic flessen neer en fotografeerden het moment van oppakken. Dat leverde een wonderlijke reeks op met een serieuze ondertoon: de verborgen armoede in de communistische heilstaat. Het duo won er de prijs voor het beste fotoboek mee op een prestigieus fotofestival in Frankrijk.
Intrigerend was ook Tokyo Tokyo (2010), gevuld met tweeluiken. Ze hadden, al wandelend door de straten van de Japanse hoofdstad, ieder op hetzelfde moment dezelfde tegenliggers gefotografeerd. Doordat elke persoon vanuit twee hoeken was vastgelegd, ontstonden er verrassende perspectieven. ‘WassinkLundgren zet op speelse wijze de ongeschreven regels van de fotografie op hun kop’, jubelde Frits Gierstberg van het Nederlands Fotomuseum (die vijftien jaar later door Lundgren zou worden opgevolgd).
Nog een fotoboek dat in hetzelfde jaar de aandacht trok: Lu Xiaoben, naar de verhaspelde naam die Lundgren kreeg in China. Daar viel hij niet alleen op vanwege zijn Westerse uiterlijk, maar vooral doordat hij met zijn lengte van 2 meter koppen uitsteekt boven zowat de hele bevolking. Hij ontwierp een witte overall waarop een meetlat was afgedrukt en liet zich daarin vereeuwigen met wie dat ook maar wilde. Verbazing en hilariteit waren het gevolg.
Ondertussen hadden Wassink en Lundgren hun Engelse collega Martin Parr leren kennen, die de ‘paus van de fotografie’ werd genoemd vanwege zijn imposante oeuvre en fotoboekenverzameling. Parr, die afgelopen december overleed, had de beste exemplaren in het Westen in kaart gebracht en wilde dat ook doen in het nog onontgonnen China. Hij vroeg Lundgren om te helpen met zoeken.
Dat liep uit op een project van acht jaar. Ze bezochten aanvankelijk markten, totdat Lundgren het Chinees genoeg machtig was om op internet te kunnen handelen. Parr financierde de aankopen, die opliepen tot wel tienduizend euro, bijvoorbeeld voor het boek met staatspropaganda uit 1959 dat voor een exclusieve kring was bestemd. Hun speurwerk was tijdrovend en moeilijk, zegt Lundgren. ‘Als je geen naslagwerk hebt, dan weet je niet waarnaar je op zoek bent.’
‘Ik zat heel erg op één lijn met Parr, want hij was ook een echte doener. Hij had een fotografische motor die dag en nacht aanstond. Daaraan was een zakelijk instinct gekoppeld. En hij durfde beslissingen te nemen, iets wat ik ook bij mezelf herken.’ In 2015 verscheen The Chinese Photobook, waarbij een tentoonstelling werd gemaakt die te zien was in Arles, New York, Beijing en Londen.
Doordat hun onderzoek langer duurde dan voorzien, en Lundgren tot de publicatiedatum van het boek niet al te veel verdiende, raakte zijn geld op. Een accreditatie als fotograaf van de Volkskrant bracht verlichting. Met twee opeenvolgende correspondenten maakte hij reportages.
‘Dat is een fantastische manier geweest om na de kunsthoek de fotojournalistiek te leren kennen, plus de achterkant van het correspondentschap. Dat het hard werken is. Dat je vertrouwen moet winnen, zeker in de Chinese maatschappij. Dat je incognito politiemensen achter je aan krijgt en nummerborden gaat onthouden. Een stukje paranoia treedt je leven binnen.’
Een deel van de beelden die hij voor de Volkskrant en andere opdrachtgevers schoot, vond zijn weg in Real Dreams (2021). Daarin documenteerde hij onder meer de fascinatie van Chinezen voor technologie. ‘De Chinese houding is heel anders dan de Europese. Chinezen zijn nieuwsgierig naar nieuwe technologie en denken: hoe kan ik die gebruiken? In plaats van: is dit wel nodig?’
De ervaringen met Parr, zijn ‘leermeester’, deden hem beseffen dat hij tentoonstellingen wilde maken met werk van andere fotografen. Dat werden er ruim tien, vooral in China, maar ook in Nederland, zoals een veelgeprezen overzicht van hedendaagse fotografie in China.
Hij bracht daarnaast op freelance basis beeldmateriaal bijeen voor het Archive of Modern Conflict in Londen. Dat heeft in 35 jaar tijd een enorme collectie opgebouwd, aanvankelijk van oorlogsbeelden, maar later ook van gevonden foto’s die over een veelvoud van onderwerpen kunnen gaan, van amateurkiekjes tot opnamen met een commercieel doel. De organisatie wordt gefinancierd door de adellijke mediamagnaat David Thomson, die hierover nog nooit naar buiten is getreden.
Lundgren: ‘Ik had een enorme luxe positie, financieel gezien en doordat ik alles mocht verzamelen dat ik interessant vond, zoals beelden van Chinees voedsel. Drie keer per jaar vloog ik naar Londen om mijn mapjes te brengen.’
De Nederlander ging ook voor zichzelf op strooptocht, met als resultaat het als een ouderwets fotoalbum vormgegeven Dream Machine (2023). Dat bevat bij elkaar gezochte portretten uit de vorige eeuw van Chinezen die in een auto of vliegtuig zitten - aandoenlijk doordat het om trucages gaat, de echte vervoermiddelen waren nog buiten het bereik van het gros van de bevolking.
Toen hij vorig jaar hoorde van de vacature voor senior curator bij het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, twijfelde hij geen moment. ‘Ik heb zoveel onderzocht in de fotografie, als maker, uitgever, curator, verzamelaar. Die baan leek de perfecte volgende stap.’ Hij dichtte zichzelf een kleine kans toe, maar werd verkozen.
Door alle drukte – de nieuwe betrekking, de overzichtstentoonstelling, het daarbij verschijnende fotoboek – heeft hij nog steeds geen huis. Hij woont tijdelijk bij zijn moeder in Hoorn en vliegt binnenkort naar zijn voormalige standplaats om zijn Chinese vriend weer te zien. Die verhuist eind dit jaar naar Nederland.
Lundgren heeft zijn tentoonstellingsboek Flowers in the Mirror gedoopt. De titel refereert aan het Chinese spreekwoord ‘Bloem in de spiegel, maan in het water’, dat over de spanning tussen tastbaarheid en illusie gaat. De naam past bij het thema van de fotobundel, schijnwerkelijkheid.
De ontdekking dat hij op mannen valt, bracht een worsteling met zich mee. ‘Maar het is uiteindelijk een zegen. Het stelt je in staat, zo vroeg in je leven, om te leren dat je de werkelijkheid niet voor de gek kan houden. Je kan niet achter een façade door heel je leven gaan. Wat ik nu ga zeggen is psychologie van de koude grond, maar daardoor ben ik mede gefascineerd geraakt door beeldvorming. Hoe zit de journalistiek in elkaar? Hoe de propaganda? Die link had ik nooit eerder in mijn leven gelegd.’
Ruben Lundgren, Flowers in the Mirror, Fotomuseum Den Haag, 4/4 t/m 23/8. Bij de expositie verschijnt een gelijknamige catalogus, The Eriskay Connection, € 42,-.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant