Thomas Hogeling beschouwt wekelijks de publieke opinie. Wat wordt er gezegd en vooral niet gezegd? Deze keer: het risico van meer middelen naar politie.
„Ben je alleen?”, vraagt mijn vriendin. Ze belt me nooit op dit soort momenten. Ik kan aan haar stem horen dat er iets goed mis is. „Nee”, antwoord ik vanuit een volle kroeg, „wacht, ik loop naar buiten”. Het is 4 augustus 2022, een zomeravond. Mijn broer heeft die ochtend een zoon gekregen met een streptokokkeninfectie, ik vrees dus slecht nieuws over het baby’tje. „Wat is er?”, vraag ik als ik buiten sta. „De politie staat hier met vier man binnen, ze willen weten waar jij bent. En ze zijn op zoek naar een wapen?” Het is al laat en ik heb flink gedronken, dus het duurt even voordat het kwartje valt. „Oooh, wacht, dat kan ik wel uitleggen!”, zeg ik dan veel te opgewekt.
Mijn vriendin geeft de telefoon aan een van de agenten. Ze hebben een bericht van mij op Twitter gezien: „Het pistool is inmiddels binnen, dank allen voor de hulp”. Een gek bericht als je de context niet kent. Het was een verwijzing naar een reactie van schrijver Özcan Akyol, die na een discussie over transrechten moest toegeven dat hij fout zat. Toen ik hem dat liet weten, reageerde hij met „Oké. Dus het is semantisch niet correct weergegeven. Wil je nu een pistool en een paar mensen doodschieten, of wat?” Ik heb nooit begrepen waar die opmerking op sloeg, het zal een soort ironische verwijzing zijn geweest. Het werd in elk geval, zoals je dat mooi zegt, een dingetje. Mijn notificaties ontploften. Tientallen mensen vroegen me of ik een pistool wilde, waarop ik dus het bewuste grapje maakte.
Na mijn uitleg vertrokken de agenten weer, we spraken af dat ik de volgende dag in nuchtere staat met ze zou bellen. De uitleg was simpel: ik beweerde een wapen te hebben, dus dan komen ze langs. Met zwaailichten, ja. Zeker voor recherche zou het niet moeilijk moeten zijn om even naar de context te kijken. Eén klik op mijn profiel en je ziet meteen hoe het zit. Maar dat doen ze dus niet. Toen ik vroeg of ze echt dachten dat ik een pistool bezat, zei de rechercheur dat ze dit vooral deden „om een punt te maken”.
Daar moest ik aan denken toen ik las dat dit kabinet meer middelen aan de politie wil geven voor het doorzoeken en opslaan van informatie van sociale media, om zo verstoring van de openbare orde te voorkomen. Dat lijkt me een slecht idee. Nu al verzamelt de politie op grote schaal persoonsgegevens van demonstranten. Nu al krijgen mensen die nooit iets verkeerd hebben gedaan ‘bezoek’ van politie om ‘een praatje te maken’. En nu al heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid daar kritiek op.
Ik heb het privilege dat ik me zelfs bij zulk politiebezoek geen zorgen hoef te maken. Maar wat als je een ingewikkelder relatie hebt met de overheid? Wat als je activist bent en graag felle taal gebruikt om je boodschap te verkondigen? Vorig jaar wilde een meerderheid van de Tweede Kamer nog Antifa, een niet bestaande organisatie, op de terroristenlijst zetten. Onze overheid blinkt dus niet uit in het inschatten van risico’s.
Het nieuwe wetsvoorstel gaat over openbare bronnen, grote misdrijven zullen daar niet worden aangekondigd. Je kunt je dus afvragen hoe nodig die extra bevoegdheden zijn. Ondertussen dreigt wel een de facto inperking van de vrijheid van meningsuiting. Want hoe vrij durf je je nog te uiten als er nog intensiever dan voorheen wordt meegelezen door agenten die niet eens begrijpen, of niet willen begrijpen hoe een grap werkt?