Vier dagen nadat Chileense generaals in 1973 met een staatsgreep de linkse volksfrontregering van Salvador Allende hadden vernietigd, maakte de PvdA een einde aan het idee om progressief Nederland in één partij te verenigen. Op het eerste partijcongres na de entree van premier Joop den Uyl eerder in mei staken de sociaaldemocraten op 15 september 1973 een mes in de rug van dat „krankzinnige avontuur”, zoals D66-oprichter Hans van Mierlo een Progressieve Volkspartij (PVP) tweeënhalf jaar eerder had genoemd.
Daarmee schond de PvdA de belofte van voorzitter André van der Louw die in een vertrouwelijk overleg, notabene op de dag van de beëdiging van de progressiefste regering aller tijden, had toegezegd dat de partij in een „federatief samenwerkingsverband” zou meegaan. Met 43 zetels in de Tweede Kamer en Den Uyl in het Catshuis had de PvdA ineens geen boodschap meer aan de dertien zetels die PPR (7) en D66 (6) konden inbrengen.
Ruim drie jaar deed de PvdA vervolgens heel progressief. Zelfs in de ministerraad maakte Den Uyl onderscheid tussen zijn „progressieve” meerderheid aan tafel en de „christendemocraten” aan gene zijde. Maar dat was van korte duur. Na 1977 leed de PvdA overwinningsnederlaag op overwinningsnederlaag – uitgezonderd 1994 en 1998 – om in 2017-2021 te verschrompelen tot 9 zetels, amper meer dan de zetels van D66 en PPR die ze in 1973 hoogmoedig had versmaad.
Van Mierlo’s idee om met een „progressieve concentratie” het versnipperde verzuilde bestel op te schudden, was in 1972 opgepakt door oud-eurocommissaris en PvdA’er Sicco Mansholt. Na het alarmerende rapport Grenzen aan de Groei van de Club van Rome concludeerde Mansholt dat milieubehoud en klassenstrijd hand in hand moesten gaan. De klassieke materialistische benadering van de ongelijkheid – „biefstuksocialisme”, zoals PvdA-econoom Hans van der Doel het noemde bood geen soelaas meer. Met de dreigende uitputting van het ecosysteem doemde er een nieuw soort herverdelingsvraagstuk op.
In het overlegorgaan van de drie progressieve partijen zei Van Mierlo het zo tegen Van Louw toen de laatste zich beriep op zijn socialistische geloofsbrieven: „Met het socialisme heeft D66 geen moer te maken. Maar dat wil niet zeggen dat wij niets te maken hebben met mensen die voor zo’n doctrine voelen. Chargerend: voordat je de arbeider een auto afpakt, moet je de man met vier auto’s er drie afnemen”.
Er is een analogie tussen de gesneefde PVP toen en PRO Nederland een halve eeuw later. De beginselen van de fusiepartij mogen niet bijster creatief zijn en meer aandacht schenken aan rechten dan aan plichten, ook PRO wil een „volkspartij” zijn. Werkenden zijn in het programma niet ondergeschikt gemaakt aan bakfietsouders. Zelfs voor het begrip „klasse” deinst de nieuwe partij niet terug. De suggestie dat ze breekt met de sociaaldemocratische traditie van de PvdA – volgens voormalig lijsttrekker Ad Melkert, die de partij in kanteljaar 2002 tevergeefs leidde, zou de term arbeid in het niets zijn verdwenen – is dan ook nostalgie, demagogie, dan wel beide.
Of deze beginselen in de praktijk van de machtsvorming stand zullen houden, is uiteraard de vraag. Op de achtergrond sluimert namelijk veel angst om als radicaal-links te worden afgeserveerd; als niet-ministeriabel.
Of de naam PRO de lading afdoende dekt, is een tweede vraag. Waarom niet gewoon de PVP revitaliseren, zoals Melkert zich afvroeg? De reden dat die naam is gesneuveld, is vermoedelijk prozaïsch. PVP allitereert te veel met PVV en kan in de stembus averechts uitpakken. Bovendien is de domeinnaam pvp.nl al bezet: door de patiëntenvertrouwenspersonen in de psychiatrie.
Begin de dag met de belangrijkste politieke ontwikkelingen uit Den Haag