Toen de Hongaarse Opstand werd neergeslagen vluchtte het gezin van Joska Lang. Ze werden aan de andere kant van de grens met open armen ontvangen. ‘Ik voel me in mijn hele lijf Europeaan.’
is journalist van de Volkskrant en schrijft over cultuur en maatschappij.
Op de eettafel in zijn kleine huis aan een gracht in Edam ligt een kwart A4’tje waarop Joska Lang (80) een paar Hongaarse woorden heeft gekrabbeld; punten waarover hij het in dit interview in elk geval wil hebben. Bovenaan staat: Orbán. Want als Lang het in Brussel voor het zeggen zou hebben, had hij Hongarije allang uit de Europese Unie gezet.
‘Ik vind het nogal hypocriet dat Orbán wel Europees geld aanneemt, maar tegelijkertijd constant zijn veto uitspreekt in Brussel. Wat dat betreft is Orbán geen haar beter dan de oude communisten die de Hongaren jarenlang onderdrukten: hij claimt voor het volk te zijn, maar vult net als de vroegere dictators vooral zijn eigen zakken.’
In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?
De grootste frustratie van de gepensioneerde automonteur is de vriendschappelijke relatie tussen Orbán en Poetin. Lang, die als kind in 1956 met eigen ogen zag hoe de Hongaarse Opstand bloedig werd neergeslagen door de Sovjet-Unie, vindt dit onbegrijpelijk. ‘Ik overweeg om Orbán een brief te schrijven en hem te vragen of hij zijn eigen geschiedenis wel kent. Want als je weet dat duizenden Hongaren hun leven hebben gegeven voor de vrijheid van Hongarije, hoe kun je dan nu met de Russen in zee gaan?’
Waar bent u opgegroeid?
‘In Mosonmagyaróvár; een kleine stad vlak bij de Oostenrijkse grens. Mijn moeder stond er alleen voor. Om rond te komen had ze twee banen: ze werkte van zes uur ’s ochtends tot in de middag als kokkin in een crèche en ’s avonds verkocht ze kaartjes in de bioscoop. Ik werd door mijn oma opgevoed, en na haar dood door mijn ooms. Mijn biologische vader is onbekend. Ik vermoed dat hij een Hongaarse militair was, maar ik heb mijn moeder er nooit naar durven vragen, want ik wilde haar niet kwetsen. Bovendien had ik geen vaderfiguur nodig; ik had mijn ooms.
‘Toen ik 10 jaar was, trouwde mijn moeder met mijn stiefvader. Ik mocht hem niet, maar hij was wel een slimme man en stamde af van een rijke herenboerenfamilie. Hij had een goede kantoorbaan als gemeentesecretaris totdat de communisten hem degradeerden tot ijzergieter.’
Waren jullie communistisch?
‘Mijn moeder hield zich niet bezig met politiek en was alleen gericht op de dagelijkse zorg voor haar gezin. Kijk, een communist kan op papier best een goed mens zijn. Maar de Sovjet-Unie had er een ontzettend hard systeem van gemaakt, dat erop gericht was de bevolking voortdurend bang te houden.
‘Met een oom luisterde ik stiekem naar Radio Vrij Europa en de BBC. Hij drukte mij op het hart dat ik daarover op school tegen niemand iets mocht zeggen. Want de ÁVH, de Hongaarse geheime dienst, gedroeg zich als een soort Gestapo.
‘Mijn jongste oom werkte in een metaalfabriek en had eens een opmerking over het regime gemaakt. Zijn chef verlinkte hem. Diezelfde avond nog werd hij thuis door de geheime dienst opgehaald en bont en blauw geslagen. ‘Niet meer doen hè jongen’, zeiden ze toen ze hem vrijlieten.
‘Een katholieke priester uit onze stad werd na een kritische preek opgehaald. Hij is nooit meer teruggezien.’
Wat kreeg u mee van de Hongaarse Opstand in 1956?
‘Ik was toen 12. Op Radio Vrij Europa werd gezegd dat de Amerikanen de Hongaren militair zouden komen helpen als zij zich zouden verzetten tegen de communisten. Maar toen de Hongaren daadwerkelijk in opstand kwamen en massaal werden neergemaaid, deden de Amerikanen helemaal niets; ze stuurden nog niet eens een pistool.
‘Op een dag trok er ook een menigte door onze stad; grotendeels jongeren die op weg waren naar de kazerne van de geheime politie om daar verder te demonstreren. Ik sloot me aan, zong mee, en riep de strijdleuzen die zij ook riepen: Ruszkik haza, Russen naar huis’.
‘Toen ik bij de kazerne aankwam, stond er al een grote groep. Kort daarna klonken er schoten. Soldaten van de ÁVH waren vanuit de kazerne uit het niets op de menigte gaan schieten. Ik zag mensen op de grond vallen. Binnen enkele minuten waren er zo’n tachtig doden. Gelukkig stond ik achteraan. Ik draaide me om en rende weg, terug naar huis’.
‘Ik heb thuis satelliettelevisie en volg het wereldnieuws. Begin dit jaar keek ik naar de vreedzame demonstraties in Iran en zag hoe ongewapende mensen in opdracht van het regime werden doodgeschoten. Ik was ineens in tranen. De herinneringen kwamen weer boven.’
Lang grijpt naar een zakdoek. ‘In de dagen na de massaslachting heb ik goede mensen zien veranderen in beesten. Meerdere soldaten werden gelyncht. En dat is nu juist wat een politiestaat zo meedogenloos maakt. Die jongens schoten natuurlijk niet uit zichzelf op onschuldige mensen; ze voerden slechts bevelen van hogerhand uit. Ik heb een van die soldaten helemaal kapotgeslagen zien hangen, aan een touw in een boom’.
‘Heel even leek de opstand te lukken. De Sovjetgezinde regering trad af. Imre Nagy werd weer premier en wilde hervormingen doorvoeren. Legerleider Pál Maléter sloot zich bij hem aan. Maar al snel werden beide mannen door de Sovjets gearresteerd. Twee jaar later werden ze na een schijnproces ter dood veroordeeld en geëxecuteerd’.
‘Op een ochtend begin november werd ik plotseling wakker van een enorm gerommel op straat. Het was het geluid van tanks van het Rode Leger, die door de Sovjet-Unie waren gestuurd om de opstand voorgoed neer te slaan. Vanaf de stoep keek ik een paar soldaten recht in de ogen. Ik weet nog dat ik ze helemaal niet op doorsnee-Russen vond lijken. Ze zagen er eerder Chinees uit, of Mongools’.
‘Mijn stiefvader – die zich jarenlang vernederd had gevoeld door de communisten – nam spontaan de beslissing te vluchten’. Mijn moeder, stiefvader, halfbroertje en ik vertrokken halsoverkop, we hadden alleen de kleding bij ons die we droegen.’
Hoe kwam u in Nederland terecht?
‘We zijn met een gewone lijnbus naar een dorp gereden. Daar hebben we, samen met zo’n twintig andere vluchtelingen, een boer gevraagd om ons naar de Oostenrijkse grens te brengen. Die boer heeft al ons Hongaarse geld opgestreken. Hij wist: eenmaal over de grens had niemand er nog iets aan. Op een open kar achter een tractor werden we ’s nachts door de landerijen naar Oostenrijk gebracht. Te voet staken we de grens over en bij de eerste de beste boer vroegen we of we in de stal, tussen de koeien, mochten slapen’.
‘De Oostenrijkse regering liet bussen rijden om de vele vluchtelingen bij de grens op te pikken. In zo’n bus werden we naar een militaire kazerne in Wenen gebracht waar we ongeveer twee weken werden opgevangen.
‘In heel Europa was er sinds de Tweede Wereldoorlog grote behoefte aan arbeiders voor de wederopbouw, en in de kazerne stonden bureaus uit allerlei landen opgesteld om Hongaren te werven. Je hoefde alleen maar in de rij te gaan staan van het land waar je naartoe wilde. Zo is een groot deel van mijn familie volledig versnipperd geraakt. Ooms en tantes vertrokken onder andere naar Canada, Amerika, Zwitserland en Australië. Hoewel mijn moeder al Duits sprak, koos mijn stiefvader voor Nederland’.
‘We kregen een vergunning om met de trein naar Nederland te reizen en werden opgevangen in de Jaarbeurs in Utrecht. Koningin Juliana kwam speciaal naar de opvanghal om de Hongaren een hart onder de riem te steken. Ik kreeg zelfs een hand van haar’.
‘Vanuit Utrecht werden we tijdelijk ondergebracht in een zomerhuisje op een vakantiepark in Brabant. Daar kwamen Nederlandse bedrijven langs om te informeren naar de beroepen van de vluchtelingen. Zo kwamen we in de Amsterdamsebuurt in Haarlem terecht, waar we een gloednieuwe en volledig ingerichte flat toegewezen kregen.
‘De eerste weken had ik last van nachtmerries. Ik woonde in Hongarije vlak bij bossen en de Donau, en in Haarlem kwam ik op vierhoog terecht. Ik had angst voor de hoogte’.
‘Mijn moeder ging meteen aan de slag als schoonmaakster en kokkin bij rijke Bloemendaalse gezinnen. Mijn stiefvader begon in de kousenfabriek, totdat de werkgever van mijn moeder – directeur bij een groot Amerikaans bedrijf – hem een opleiding tot laborant en een baan aanbood. Hij had mazzel.’
Hoe leerde u de Nederlandse taal?
‘Nederlands is zo anders dan Hongaars. Op de katholieke basisschool werd ik een klas teruggezet. Omdat ik veel lessen niet goed kon volgen, kreeg ik privéles van een gepensioneerde broeder. Hij gaf taalles door de woorden letterlijk uit te beelden. Dan pakte hij bijvoorbeeld een stoel, wees en herhaalde hij een paar keer: ‘Stoel. Stoel.’ Of dan ging hij languit op de grond liggen: ‘Liggen.’
‘Uiteindelijk leerde ik de taal – en alle scheldwoorden – het beste op straat.’ Ik ben een makkelijke prater en maakte snel vriendjes en vriendinnetjes.
‘Na de basisschool was mijn Nederlands toch nog niet goed genoeg om naar de technische school te gaan. Ik wilde automonteur worden. In Boedapest had ik bij de Amerikaanse ambassade Chevrolets zien staan en toen wist ik: die dingen wil ik kunnen maken. Ik moest eerst naar het voortgezet gewoon lager onderwijs; daarna kon ik pas naar de lts. Uiteindelijk heb ik in de avonduren al mijn monteursdiploma’s gehaald.’
Joska Lang werpt een vlugge blik op zijn briefje. ‘O ja, ik wil ook nog zeggen hoe blij ik ben met mijn lieve vrouw Marijke, we zijn zestig jaar samen.’
Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?
‘Op een dansschool in Haarlem. Ik vroeg haar ten dans en vervolgens bood ik aan om haar naar huis te brengen. Onderweg vertelde ik waar ik vandaan kwam en Marijke vroeg me iets in het Hongaars te zeggen. Ik antwoordde: Szép lábak.’
En dat betekent?
‘Mooie benen. Kort daarna kregen we verkering. En drie jaar later kreeg ik een baan bij een garage aangeboden in Edam, met woning.’
Voelt u zich nog Hongaar?
‘Ik voel me in mijn hele lijf een Europeaan. Ik geloof heilig in de eenheid van Europa, want als eenling ben je zwak, maar gezamenlijk ben je sterk. Zonder die eenheid zou er in Europa allang weer een oorlog zijn uitgebroken.
‘Nog zo’n geweldige verworvenheid van de EU, het vrije reizen. We hebben het hele continent gezien met onze camper. Maar buiten Europa kom ik niet.
‘Ik begrijp niet dat Hongaren niet dankbaarder zijn voor Europa, want zonder de enorme financiële steun en voordelen uit Brussel had het land nooit het huidige welvaartsniveau kunnen bereiken.’
Gaat u die brief aan Orbán echt schrijven?
‘Ach, die wordt toch meteen in de vuilnisbak gemikt. Ik hoop dat Orbán bij de verkiezingen op 12 april wordt verslagen door zijn politieke tegenstander Péter Magyar. Behoorlijk rechts op migratie. Maar wel pro-Europees.’
Hongaarse Opstand
Hongarije kende sinds eind jaren veertig een stalinistisch bewind. Het regime stond onder invloed van de Sovjet-Unie en probeerde controle uit te oefenen op elk aspect van het leven, ondersteund door de geheime politie. Daartegen brak op 23 oktober 1956 in Boedapest een spontaan studentenprotest uit dat uitgroeide tot een landelijke opstand. Op 4 november vielen Sovjettanks het land binnen en sloeg het Rode Leger de opstand neer. Ongeveer 2.500 Hongaren kwamen om.
De rol van de anti-communistische Radio Free Europe is omstreden: het spoorde de bevolking aan om in opstand te komen en suggereerde dat het Westen te hulp zou schieten. Maar westerse landen grepen niet in uit angst voor een conflict met de Sovjet-Unie. Ongeveer tweehonderdduizend Hongaren vluchtten naar het Westen. Eind 1956 arriveerden bijna drieduizend vluchtelingen in Utrecht.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant