Op het einde van een literaire avond in New York – het gesprek ging over een van mijn laatste romans maar de president van de Verenigde Staten kwam ook ter sprake, wat is een gesprek zonder hem? – stond een vrouw op. ‘Ik heb nog één vraag’, zei ze, ‘misschien is het geen vraag.’
Ze zei dat ze jaren geleden, toen ze 17 was en in Amsterdam woonde, mij een fanbrief had geschreven, waarop ze nooit iets had gehoord. Later, toen ze nietsvermoedend mijn tweede roman begon te lezen, kwam ze haar zeldzame achternaam tegen. Die achternaam had ik verbonden, zei ze, aan een ‘oude, stinkende, mopperende’ hulp in de huishouding. Ze vroeg zich af of het niet tijd werd dat ik de ‘aantrekkelijke, intelligente, getalenteerde, glamoureuze kleindochter’ van die huishoudhulp in een boek zou opvoeren.
De achternaam in kwestie: Meerschwam.
In mijn tweede roman komt inderdaad een personage voor dat mevrouw Meerschwam heet, dat ze stonk was ik vergeten of verdrongen. Maar het leek me aannemelijk.
De vraag was: hoe kom je aan namen voor personages? Ik gaf het antwoord dat ik vaker geef: overlijdensadvertenties. Je plukt een voornaam uit de ene overlijdensadvertentie, een achternaam uit de andere en voilà.
Maar mevrouw Meerschwam kwam als ik eerlijk was niet uit een overlijdensadvertentie.
Mijn moeder sprak indertijd veel over een zekere mevrouw Meerschwam, een hoogbejaarde mevrouw Meerschwam.
Na afloop gaf de jonge mevrouw Meerschwam, die inmiddels ook achter in de veertig was, me een brief waarin ik nogmaals werd opgeroepen van haar een getalenteerd, welriekend, intelligent en aantrekkelijk personage te maken. Er was geen strikte deadline, maar het was wel dringend.
Er werd met niets gedreigd, tussen de regels door echter werd mij duidelijk gemaakt dat het slecht met me zou aflopen als ik niet aan haar wens gehoor zou geven.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant