Europese inflatie De hogere prijzen van gas en olie zorgen voor rap oplopende inflatie in Europa. Tot nu toe blijft die beperkt tot energie en brandstof, maar de hoge energieprijzen verankeren zich makkelijk in de rest van de economie. Moet de centrale bank ingrijpen, ook als de economie daardoor stopt met groeien?
Economen denken dat het een kwestie van tijd is voordat de inflatie ook het winkelend publiek gaat bereiken.
Het kon natuurlijk niet uitblijven. Ruim een maand nadat Israël en de VS Iran aanvielen en de oorlog in het Midden-Oosten het transport van olie en gas via de Straat van Hormuz lamlegde, kruipen de effecten van de energiecrisis de Europese inflatiemandjes in. Het Centraal Bureau voor de Statistiek maakte dinsdagochtend bekend dat het gedaan is met de dalende trend van de Nederlandse inflatie. In plaats daarvan steeg de geldontwaarding ten opzichte van de maand ervoor. Waar in februari de inflatie nog 2,4 procent bedroeg ten opzichte van een jaar eerder, was dat in maart ineens 2,7 procent.
In de eurozone waren de cijfers nog manifester, zo rapporteerde statistiekbureau Eurostat. De inflatie bedroeg in februari nog 1,9 procent op jaarbasis, maar als de eerste snelle raming over maart het bij het juiste eind heeft, bedraagt de inflatie nu in één klap 2,5 procent op jaarbasis. Duitsland sprong van 2 naar 2,8 procent op jaarbasis, Ierland van 2,5 naar 3,6 procent en koploper is nog steeds Kroatië, met 4,7 procent inflatie (was 3,9 procent).
Daarmee schiet de Europese inflatie direct in de gevarenzone: de Europese Centrale Bank heeft als doel de geldontwaarding op ongeveer 2 procent te houden. De ECB zal naar alle waarschijnlijkheid eind april, tijdens haar reguliere rentevergadering, niet anders kunnen dan de rente verhogen, om zo de inflatie te drukken. Dat wordt pijnlijk, omdat mede als gevolg van de energiecrisis ook de groei afremt en een hogere rente geld lenen duurder maakt – en de groei dus nog verder vertraagt. De markten houden rekening met drie renteverhogingen van elk een kwart procentpunt in 2026. Die verhogingen worden al ‘ingeprijsd’ in de oplopende rentes op staats- en bedrijfsobligaties en ook in de stijgende hypotheekrente.
Wat opvalt aan de inflatiecijfers van deze maand, is dat het alleen de energieprijzen zijn die fors de lucht in gingen. In Nederland bedroeg de energie-inflatie in februari nog 0 procent, nu schoot die omhoog naar 6,5 procent. En waar in Europa in februari nog sprake was van een prijsdaling van 3,1 procent ten opzichte van het jaar ervoor, zijn de energieprijzen in maart 4,9 procent hoger dan een jaar geleden. Alle andere sectoren (diensten, voedsel, tabak en alcohol, en industriële goederen) zagen een kleinere prijsstijging in maart dan in februari.
Zowel in Nederland als in de rest van Europa bleef de kerninflatie (zonder energie en voedsel) laag; ze daalde zelfs licht. Ook de inflatie in de dienstensector, die al sinds oktober 2021 boven de 2 procent ligt in heel Europa, bleef haar dalende trend vasthouden. In Nederland daalde die van 4,2 naar 3,8 procent, in Europa van 3,4 naar 3,2.
Dat de kerninflatie daalt, lijkt goed nieuws, vooral omdat de energie-uitgaven maar een klein deel van het besteedbaar inkomen van burgers betreffen (in Nederland ongeveer 6 procent, in de rest van Europa ongeveer 9 procent). Zelfs de huidige forse prijsstijging op energiegebied heeft zo slechts een betrekkelijk kleine invloed op de totale inflatie.
Maar schijn bedriegt. Hogere prijzen van met name energie doen er even over om hun weg naar de rest van de economie te vinden. Sommige specifieke producten hebben zo’n grote invloed op andere, zelfs ogenschijnlijk ongerelateerde goederen, dat ze „systemisch significant” zijn – en energie is daarvan het beste voorbeeld, zo schreef de Financial Times vorige week. Want energie ‘zit’ overal in.
De massale Russische aanval op het oosten van Oekraïne in februari 2022 zette zo’n schokgolf in werking. Destijds vlogen de prijzen van olie en gas omhoog, en die trokken in recordtempo alle andere productcategorieën mee omhoog. In Nederland piekte de inflatie op ruim 14 procent, in Europa op 10,6 procent. De inflatie door de huidige energieschok komt daar niet in de buurt, en de verwachting is dat het deze keer ook niet zover zal komen.
De afgelopen weken hebben verschillende economische instituten – van de ECB en De Nederlandsche Bank tot het Centraal Planbureau en commerciële banken – een berg scenario’s gepresenteerd over de langetermijngevolgen van oorlog in het Midden-Oosten. En hoewel de cijfers uiteenlopen, is de consensus over één ding groot: deze crisis gaat langer duren en dieper worden dan op basis van de huidige cijfers te zien is.
Dat komt vooral door de zogenoemde tweede-orde-effecten: de manier waarop hoge energieprijzen zich verankeren in de economie. Eerst is het alleen de prijs aan de pomp, dan wordt het transport duurder, dan de productie van goederen als bedrijven de hoge energieprijzen in hun verkoopprijzen verwerken. Dan komen de werknemers, die door de hoge prijzen hogere lonen gaan eisen vanwege het verlies aan besteedbaar inkomen. Juist omdat mensen nu beter weten wat de pijn is van inflatie, staan ze meer op scherp dan in 2022 en kunnen deze tweede-orde-effecten sneller optreden, waarschuwde DNB-president Olaf Sleijpen vorige week.
De uiteindelijke ernst van de situatie zal afhangen van de duur van de oorlog en de blokkade van de Straat van Hormuz. Maar de forse sprong in energie-inflatie na één maand oorlog belooft weinig goeds. Want bij inflatie werkt het precies tegenovergesteld als bij vertrouwen: het komt te paard en gaat te voet.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen