Oorlog in Iran Een maand na het uitbreken van de oorlog gaat het dagelijks leven in Iran deels gewoon door. Maar Iraniërs maken zich zorgen over wat er met het regime gaat gebeuren en de aanhoudende bombardementen laten sporen na. „Van elk normaal geluid schrik ik op.”
Mensen verzamelen zich bij een winkelgebied in Teheran waar zondag een raket insloeg.
De euforie die de oorlog bij veel Iraniërs teweegbracht, heeft plaatsgemaakt voor groeiende onzekerheid over de duur en afloop. Een maand na de eerste Amerikaanse en Israëlische aanvallen zijn kantoren en scholen in Iran nog steeds gesloten. De meeste mensen blijven binnen. „We verkeren in een staat van afwachting”, zegt een lerares Engels (40) uit Teheran. Zelf maakt ze af en toe een wandeling, doet boodschappen en kijkt films.
Toch gaat het dagelijks leven deels gewoon door. Winkels voor dagelijkse behoeften zijn open, er zijn geen tekorten. Veel cafés en restaurants hanteren kortere openingstijden. Hoewel internetverkeer met de buitenwereld is geblokkeerd, werken apps voor berichten, eten bestellen, internetbankieren en streaming binnen Iran wel.
Niet iedereen durft naar buiten. „Zolang ik thuis ben voel ik me veilig”, zegt een journalist (48) uit Teheran. „Maar zodra ik naar buiten ga, ben ik bang gewond te raken bij een aanval.”
Een salesmanager (40) uit Teheran blijft op de been door gedisciplineerd te sporten. „Anders ben ik bang dat ik depressief word.”. Het nieuws mijdt ze zoveel mogelijk.
Om veiligheidsredenen worden de Iraniërs die NRC sprak niet met naam genoemd.
De aanhoudende bombardementen laten sporen na. „Bijna elke nacht hoor ik de explosies”, zegt de salesmanager. „Zelfs als ze ver weg zijn kan ik nauwelijks slapen. Van elk normaal geluid schrik ik op.” De lerares omschrijft het geluid als „angstaanjagend”. „De klap nagelt je aan de grond.”
Winkels voor dagelijkse behoeften zijn open. Maar niet iedereen durft naar buiten, uit angst voor aanvallen.
Een software-engineer (25) uit Teheran voelt bij de inslagen op overheidsgebouwen juist opluchting. „Dit zijn dezelfde mensen die ons jarenlang hebben vermoord. Nu incasseren zij de klappen, dat voelt als genoegdoening.”
Hij betwijfelt of luchtaanvallen volstaan. „De VS zet hen [het Iraanse regime] misschien tien jaar terug, maar daarna bouwen ze alles weer op. Hun macht moet op de grond worden gebroken. Pas als we zien dat er iemand achter ons staat — het Iraanse leger, de Amerikanen, de Israëliërs — komt het moment dat we onze revolutie kunnen doorzetten.” Toch gaat hij de straat niet op om te protesteren. „Zonder rugdekking is dat geen protest. Dat is zelfmoord.”
Maar de grootste zorg van de Iraniërs ligt verder weg, in de toekomst. „Ik krijg bijna een hartverlamming bij de gedachte dat de VS een akkoord sluiten met dit regime en wij met hen opgescheept blijven zitten”, zegt de lerares. Een accountant (60) die twee weken geleden uit Iran is gevlucht, vreest dat een overeind gebleven regime uit wraak harder zal optreden.
Nowruz, het Perzische nieuwjaar op 20 maart, verliep soberder dan gebruikelijk. Iran rouwt nog om de doden van de bloedig neergeslagen protesten in januari. „Op straat was geen spoor van muziek of dansende mensen,” zegt de lerares. „We hebben wat sabzeh op tafel gezet — sprieten van ontkiemde gerstkorrels, symbool van nieuw leven — en vrienden een gelukkig nieuwjaar gewenst.”
’s Avonds laat trekt het regime door de straten. Basij-milities —vrijwilligersmilities van het regime — schreeuwen dat ze ‘verraders’ zullen vermoorden. „Waar zijn de mensen die naar Iran International kijken? Kom naar buiten, we slachten jullie af”, hoort de software-engineer hen roepen over een in Londen gevestigde televisiezender die kritisch bericht over het Iraanse regime. Hij beschouwt het als intimidatie. „Diep van binnen weten ze dat wij met velen zijn.”
De journalist (48) uit Tehran omschrijft de aanwezigheid van de Basij: „Ze gedragen zich meer dan ooit als de eigenaars van dit land — en provocerender dan vroeger.”
In het noorden van Teheran rijden aanhangers van het regime in pick-uptrucks met luidsprekers door woonwijken, vertelt een vertaalster (44). „Zo hard dat mijn trommelvliezen pijn doen.” Op pleinen in Teheran, zoals Vanak Square, vinden tot diep in de nacht pro-regimebetogingen plaats, vertelt de docent Engels. Religieuze zangers treden op, soms wordt er eten uitgedeeld en de Basij houdt de wacht.
Ook buiten de hoofdstad laat het regime zich zien. Op het eiland Qeshm, bij de Straat van Hormuz, verschijnen ’s avonds Basij-leden in burgerkleding in woonwijken, vertelt een promovenda internationaal recht (40). Ze scanderen leuzen tegen de VS en Israël. „Ze willen laten zien: wij bestaan nog. Onze stem is luid, en jullie kunnen niets doen.”
De boodschap dat het regime stevig in het zadel zit, wordt ook digitaal verspreid. Via sms-berichten ontvangen burgers nieuws over de oorlog — althans, de versie van de autoriteiten. De software-engineer krijgt berichten over vernietigde Amerikaanse en Israëlische doelen en over terugtrekkende Amerikaanse troepen. „Op de staatstelevisie doen ze alsof Tel Aviv met de grond gelijk is gemaakt, alsof mensen in New York sterven van de honger en alsof vliegdekschepen zijn gezonken. Alles is nep.”
Een beschadigd gebouw in Teheran.
Eigen schade probeert het regime te verbergen. De lerares Engels stuurde NRC een overheids-sms door: „Beste landgenoot, wie foto’s maakt van beschadigde gebouwen kan een agent zijn van de Amerikaans-zionistische vijand. Meld dit onmiddellijk bij het Ministerie van Inlichtingen.”
Dat strenge toezicht maakt het ook risicovol voor bronnen om updates door te sturen. Eén van hen is al geruime tijd onbereikbaar. Via een Nederlandse vriend hoorde NRC dat hij van de Revolutionaire Garde te horen had gekregen dat hij in de gaten werd gehouden vanwege zijn activiteit op Telegram. Daarop heeft hij zijn account verwijderd.
Ook op straat is de controle voelbaar. Omdat politiebureaus en bases doelwit zijn, mijden veiligheidstroepen vaste posten en verplaatsen ze zich vaker door parken en steegjes. Soms moeten voorbijgangers hun tas openen of hun telefoon tonen, zegt de lerares Engels. Op Qeshm zijn checkpoints verplaatst naar tunnels en andere beschutte plekken, vertelt de promovenda.
De kwetsbaarsten betalen de hoogste prijs. Van de naar schatting vier miljoen Afghaanse vluchtelingen in Iran werken velen zonder contract in de bouw — een sector die sinds het uitbreken van de oorlog grotendeels stilligt. Ze hebben geen inkomen en geen sociaal vangnet, zegt Martje van Raamsdonk, werkzaam in Teheran voor de Norwegian Refugee Council in een telefoongesprek. De organisatie verstrekt geld aan Afghaanse vluchtelingen en, sinds kort met toestemming van de overheid, ook aan kwetsbare Iraniërs van wie het huis beschadigd is geraakt door bombardementen, of van wie familieleden in het ziekenhuis liggen.
De Norwegian Refugee Council is een van de weinige buitenlandse hulporganisaties die nog actief zijn in Iran en over een werkende internetverbinding beschikt. Die positie is te danken aan nauwe samenwerking met de lokale overheid, die toestemming geeft voor de activiteiten en helpt bij het coördineren van een internetverbinding. Over de politieke situatie kan Van Raamsdonk daarom weinig zeggen. „We hebben een goede relatie met de lokale overheid — de Nederlandse ambassade kan ons hier niet helpen, dus we moeten ervoor zorgen dat die relatie goed blijft.”
Van Raamsdonk spreekt geen Farsi en heeft geen direct contact met de vluchtelingen, maar hoort via Iraanse collega’s dat veel kwetsbare Afghaanse vluchtelingen en Iraniërs vooral willen dat de oorlog stopt — zij ondervinden als eersten de gevolgen.
Sinds het uitbreken van de oorlog is het internet in Iran grotendeels op slot voor internationale websites, waardoor de meeste Iraniërs nauwelijks contact kunnen leggen met de buitenwereld. NRC onderhoudt contact met mensen die beschikken over een VPN of een simkaart uit de Golfstaten. Ook werkt de redactie samen met Iraniërs in Nederland die via een Iraanse simkaart berichten van familie in Iran kunnen doorsturen.