Archeologie Midden in het middeleeuwse hart van Utrecht ligt een terrein dat ooit drassig was: de Neude. Het plein had „niet alleen een economische, maar ook een politieke functie”.
Een grootschalige renovatie biedt de kans om archeologisch werk te doen.
Aan een hek op de Utrechtse Neude hangt een groot wit doek. „Hier graven archeologen naar de geschiedenis van Utrecht”, staat erop. Achter het hek is een ratjetoe aan stenen funderingen ontbloot. Ook ligt er een dikke laag donkere grond met brokken aardewerk. „Een oude ophogingslaag”, legt Gerben Beeuwkes uit. Hij is leider van de opgraving. In een hoek van het honderd vierkante meter grote opgravingsterrein liggen de resten van een beerkelder, waar troep en poep werden gestort. „Daar hebben we vanochtend veel glaswerk gevonden”, vertelt Beeuwkes. „Onder andere een complete versierde wijnfles. Allemaal vroeg 16de-eeuws.”
Bij een grootschalige renovatie van Café Le Journal aan de Neude worden nieuwe ondergrondse ruimtes aangelegd. En dat biedt de archeologen van Erfgoed Utrecht gelegenheid om diep in de geschiedenis van de stad te duiken. Ze onderzoeken wat hier nog rest van middeleeuws Utrecht en wat in die tijd de rol van de Neude was.
Dit is al de derde keer in korte tijd dat de archeologen op en bij de Neude kunnen graven. In 2018, toen het hoofdpostkantoor tot bibliotheek werd verbouwd, groeven de archeologen er resten van het Sint Ceciliaklooster uit 1400 op. Etensresten in een beerput vertelden dat de zusters genoten van het rijke Roomse leven. En vorig jaar, voorafgaand aan de herinrichting van de Neude en de aanplant van bomen, ontdekten de archeologen steentjes van bestratingen uit 1465 en 1472. Verder stuitten ze op de waterput die Karel V in 1529 heeft laten aanleggen.
De opgraving bij Café Le Journal, links van het grote dak met de zonnepanelen.
De afgelopen decennia – Utrecht heeft sinds 1972 een gemeentelijke archeologische dienst – hebben Utrechtse archeologen op veel plekken in de stad middeleeuwse sporen gevonden. „Maar een echte synthese hebben we nooit gemaakt”, zegt archeoloog Herre Wynia, al zo’n dertig jaar werkzaam bij de dienst. Vraag hem niet waarom. Maar er is goed nieuws: „We zijn bezig met een onderzoeksagenda; ook burgers mogen hun zegje doen; volgend jaar is hij klaar.” Overigens hebben historici wel al het nodige synthetiserend onderzoek gedaan, voegt hij eraan toe.
Eén van die historici is René de Kam, conservator Middeleeuwen bij het Catharijneconvent en één dag in de week werkzaam bij Erfgoed Utrecht. „Momenteel schrijf ik, mede op basis van bouwhistorische en archeologische gegevens, een proefschrift over de organisatie van de publieke werken in Utrecht tussen 1400 en 1535.”
Voor de aanleg van de Neude moeten we ver terug in de tijd, legt hij uit. In 1122, toen Utrecht stadsrechten kreeg, is er een stadsmuur gebouwd om een groot gebied van 135 hectare, dat zeker niet allemaal bebouwd was. „Daarbinnen woonden toen maar een paar duizend mensen, zeker niet meer dan 3.000. Rond 1500 was alles volgebouwd en telde Utrecht ongeveer 25.000 inwoners.” De Neude, toen een drassig terrein, viel binnen de ommuring. Door het terrein meters op te hogen is er een plein van gemaakt. „Utrecht had en heeft nauwelijks pleinen. De Neude werd marktplein en overslag.”
Dat had volgens De Kam te maken met twee belangrijke aanvoerlijnen voor de stad. „Via de noordelijke Oudegracht, de Vecht en de Zuiderzee stond Utrecht in verbinding met de Hanzesteden. En via de Lek, de Vaartsche Rijn [een in 1127 gegraven kanaal] en de zuidelijke Oudegracht kwamen spullen uit het Rijnland, Brabant, Vlaanderen en het Maasland de stad binnen.” De Neude lag er precies tussenin.
Beeuwkes ziet op zijn opgraving dat deze aanvoerlijnen ook de vroege inrichting van de percelen bepaalden. „De huizen waren niet op de Neude gericht, maar op de erachter gelegen Oudegracht en Ganzenmarkt, waar de goederen aankwamen.”
De Neude was mogelijk al vroeg bestraat, denkt De Kam. „Vanaf De Bilt loopt een weg naar Utrecht die rond 1290 op kosten van de stad was bestraat; via de Wittevrouwenpoort eindigde de route op de Neude.” Aan die bestrating zat ook een hygiënische kant. „Hier werden veemarkten gehouden, een bestraat plein is na afloop makkelijker schoon te maken dan een onverhard plein.”
De Neude is rond 1440 ook nog het terrein geweest van riddertoernooien, vertelt Wynia enthousiast. „Er zijn nog rekeningen voor de bouw van de tribunes en de aanvoer van meer dan 300 karrevrachten zand van het Janskerkhof. Helaas zijn we die zandlaag niet tegengekomen.”
Keien (rechts) en een waterput.
Vorig jaar stuitten ze wel op een monumentale waterput die Karel V heeft laten aanleggen. Wynia: „Hij was bekend uit rekeningen, maar we wisten niet meer waar hij lag.” De rekeningen maken ook duidelijk dat Karel V veel geld heeft uitgegeven om een kunstenaar zijn wapen in natuursteen te laten maken. „Dat maakt duidelijk dat het plein niet alleen een economische, maar ook een politieke functie had”, concludeert De Kam. De Habsburgse vorst, die in 1528 de macht in de stad in handen had genomen, wilde met de waterput in het gevlei van de burgers komen.
Beeuwkes komt nog even terug op zijn vondsten in een beerkelder. „In Utrecht zijn de beerputten en beerkelders die we opgraven meestal leeg. Het gemeentebestuur verkocht de inhoud namelijk als mest.”
Dat middeleeuwse gebruik heeft lang doorgewerkt, weet De Kam. „Vanwege de opbrengst die de beer opbracht heeft de gemeente de aanleg van het riool lang uitgesteld. Pas in de jaren dertig van de vorige eeuw zijn ze daarmee echt begonnen.”
De Kam heeft tot slot nog een leuk weetje: het stratenpatroon van de Utrechtse binnenstad is nog steeds middeleeuws. Wie nu de kaart van Braun en Hogenberg uit 1572 gebruikt verdwaalt niet. Hij vindt zonder problemen de weg naar de Neude.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin