Matthäus-Passion Ralph Meulenbroeks is hoogleraar Wetenschappelijke Geletterdheid en hoofd van het Utrechtse Freudenthal Instituut én musicus. In de periode voor Pasen speelt hij viola da gamba in Bachs passies, de Matthäus en de Johannes-Passion. „Ik zet met nooit afnemend ontzag het intro in. Het is begonnen.”
Ralph Meulenbroeks op de gamba tijdens de repetitie van de Matthaus-Passion.
Wanneer ik de zware deuren van de grote zaal van Musis Sacrum in Arnhem op een kier duw, hoor ik de geruststellende klanken van ‘Ruht wohl‘. Terwijl ik – niet helemaal succesvol – mijn uiterste best doe om geluidloos binnen te komen met mijn grote instrumentkoffer op mijn rug, kijk ik nieuwsgierig om me heen. Gelukkig. Veel bekende gezichten hier, bij de zangers en bij het orkest Phion, dat ik innerlijk nog steeds ‘Het Gelders Orkest’ noem.
Dertig jaar geleden speelde ik al met sommige van deze musici. Als contrabassist, voordat ik overstapte op de gamba. Met dat uiterst kwetsbare zevensnarige instrument kwamen ook de passies van de grote J.S. Bach werkelijk in mijn leven. Na zo’n 250 uitvoeringen blijft het elk jaar een spannend en intens kantelpunt richting de lente en het licht. Want in Nederland spelen we de passies uitsluitend in de paar weken vóór Pasen.
Dirigent Bas van den Heuvel en ik zaten op dezelfde school en hebben de laatste jaren veel gedeeld. Mijn moeder overleed drie jaar geleden in de Goede Week. Bas was zo discreet om me daarmee pas na het concert te condoleren. En dit jaar vertelt hij over zijn eigen confrontatie met de oneindigheid: hij is net hersteld van een openhartoperatie.
Zo’n gesprek helpt om de gevoelens te kanaliseren die met deze muziek verbonden zijn. In de aria ‘Es ist vollbracht’ is geen ruimte voor iets anders dan het grootste respect voor de pijnlijk mooie noten en de boodschap die ze overbrengen over dood en opstanding. Ik zet met nooit afnemend ontzag het intro in. Het is begonnen.
Deze passietijd komen de verschillende aspecten van mijn leven sterk samen. Mijn oratie als hoogleraar wetenschappelijke geletterdheid is pas twee weken geleden en mijn taken als hoofd van het Freudenthal Instituut vergen veel. De wekker gaat zoals altijd om zes uur. Bij wijze van uitzondering ga ik vandaag met de auto.
Tussen de vier besprekingen op de universiteit en de avondrepetitie in Castricum kan ik nog net de 390e Dies Natalis van de Universiteit Utrecht meemaken. En daar tref ik naast veel hoogleraren ook een herinnering uit een ver verleden: de zoon van wijlen Brian Pollard, de prachtige fagottist met wie ik ooit in het Concertgebouworkest speelde, blijkt het studentenorkest te dirigeren. Ze spelen Paul Dukas. Na een groot crescendo op driekwart van het stuk begint het hooggeleerde gezelschap plompverloren te applaudisseren. Het orkest speelt na een ongemakkelijk moment dapper door. Met een ontwapenend: „Tja, hoe praat ik me hier uit?” redt de volgende spreker het decorum. Enigszins.
In de auto richting Castricum eet ik een bakje koude groenten. Ik herinner me de kerk. Het kinderkoor loopt vrolijk naar buiten. Hun gedeelte van de repetitie zit erop en ze lonken naar de koekjes die al klaarliggen voor de grotemensenpauze. En dan hoor ik de stem van Jan van Elsacker, voor mij de mooiste evangelist die ik elk jaar wel ergens tegenkom. Ik ben weer thuis.
Of toch niet? Het orgel bleek gisteravond een kleine 1 procent lager gestemd te staan dan normaal. Voor de uitdijsnelheid van het universum is dit een prachtige nauwkeurigheid. Bij muziek is 1 procent kraaiend vals. Blazers kunnen zo laag niet stemmen en bleven op 440 Hz. De hele avond was het thema ‘stemming’ – altijd al een issue met de gamba – zeer aanwezig.
Ik voel me enigszins brak. Ook na de dag van 19 uur kon ik niet echt uitslapen. Vandaag een concertdag. Thuis wat lezen, wat schrijven, wat spelen, een boodschap, een enkele online bespreking (lerarentekort, een onderzoeksvoorstel, samenwerking met de universiteit in Bandung). Het lichaam zoekt instinctief de rust: alles in dienst van die twee keer vijf à zes minuten die de gambasolo’s in de Matthäus rijk zijn. De vergelijking met een sprinter dringt zich op. Er is één milliseconde waarop het moet beginnen. Ik heb daar geen enkele invloed op. Geen tijd om op te warmen. De razend moeilijke noten van ‘Komm, süsses Kreuz’ moeten op dát ene moment komen.
De gamba-aria’s in de Matthäus zitten in het tweede deel. Het eerste deel is een niemandsland waarin ik als enige niets te doen heb. Dat leidt onvermijdelijk tot een reeks kleine tradities: een korte meditatie, een beetje t’ai chi, rustig de lakschoenen aan. Spelen kan niet, omdat de gamba in de kerk ligt om te acclimatiseren. Ik heb menige sacristie op deze manier leren kennen. „Bent u de reservedirigent?” vraagt één van de vrijwilligers die de koffie zet.
Wanneer de pauze begint, kom ik als een razende in actie om de stemming van het orgel te controleren en de snaren op de goede spanning te brengen.
Ralph Meulenbroeks harst zijn strijkstok voor de repetitie.
Ralph Meulenbroeks controleert de stemming van het orgel.
De dirigent koos zeer lage tempi, gisteren, wat tot een waardige uitvoering leidde. Ben je als musicus wel eens ooit tevreden over een uitvoering? Ik in elk geval niet. Ook al speelde ik het stuk foutloos, er is altijd wel ergens iets dat beter kon. Voldoening én onvrede.
Vandaag is een rustdag. Tijd om uiterst prozaïsche en meditatieve dingen te doen. Ramen wassen. Kleding wassen. Overhemden strijken. Inkopen doen. Beetje studeren. Bakjes groenten maken voor volgende week. En alvast wennen aan de zomertijd. Ik mis mijn lieve Lydia die met schoonfamilie op wintersport is.
Thuisgekomen kijk ik terug op een mooie uitvoering van de Johannes in Musis Sacrum. Hoewel de eerder beschreven lichte onvrede over mijn eigen spel altijd aanwezig is, heb ik oprecht genoten van het samenkomen met de prachtige alt die vanmiddag ‘Es ist vollbracht’ zong. Er zat veel tijd tussen de repetitie en het concert, maar we vonden elkaar meteen weer, zonder voorrepetitie. Met de lange lijnen, de uiterst schrijnende dissonanten en het jubelende middendeel werd het echt Palmzondag.
Meestal ga ik na concerten graag zo snel mogelijk naar huis. Maar deze zondag sloot ik af in een pannenkoekenhuis met mijn goede vriend en dominee Gert, die bij het concert was. We bespreken zeker ook even de dissonanten, maar vooral de overeenkomsten tussen intrinsieke motivatie en genade.
En zo ga ik de Goede Week in. Via nog vier passies op weg naar Pasen. Alle goeds!
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden