De Zitting Autodiefstal op klaarlichte dag gevolgd door roekeloos gedrag met een snelheid van maar liefst 140 kilometer per uur: wat valt de jonge vrouw aan te rekenen en wat haar medeverdachte?
Ze draagt een blauwe puffer jas en roze-witte gympen. De 22-jarige A., geboren in Boekarest, woont in Veghel bij haar ouders en werkt fulltime bij McDonald’s. De eerste keer dat ze werd opgeroepen door de Rotterdamse politierechter, kon ze niet komen: ze was in Roemenië.
Naast haar zou de man moeten zitten om wie de zaak draait: de 24-jarige I., verdacht van autodiefstal en roekeloos rijgedrag. Maar hij is niet komen opdagen, en de rechtbank weet ook niet waar hij woont. Zijn zaak wordt niettemin meegenomen. Met een eigen vonnis.
Het draait allemaal om een middag in mei, vorig jaar, in Rotterdam. Een vrouw was boodschappen aan het uitladen uit haar auto en liet de sleutelbos in haar voordeur zitten. Een deurbelcamera legde vast dat een man en een vrouw voorbijliepen. De man keerde terug, pakte de sleutels en reed kort daarna weg met de auto. Later diezelfde dag werden A. en I. aangehouden in die auto.
A. vertelt via haar tolk – een advocaat heeft ze niet – dat I. haar had verteld dat een familielid hem een auto zou lenen. Ze was in de veronderstelling dat de gestolen sleutel en bijbehorende voertuig aan dat familielid toebehoorden.
De rechter: „Maar op de beelden loopt u eerst samen langs [de voordeur met sleutelbos], hij rent terug en ineens komt hij terug in een auto. Dat is heel gek, toch?”
A.: „Ik stond helemaal niet stil bij wat gebeurde. Ik wist het helemaal niet – maar ik kan niet aantonen dat ik het niet wist.”
Bovendien moest ze wel instappen, zegt ze, omdat hij geen ‘nee’ duldde in hun relatie, die ze als ’toxisch’ omschrijft. „Ik was gedwongen altijd met hem mee te gaan.” De avond ervoor had ze al vergeefs geprobeerd I. te verlaten, zegt ze. Daarnaast zouden foto’s bestaan waaruit zou blijken dat hij haar meermaals heeft mishandeld. En hij zou een mes tegen haar keel hebben gehouden. Acht maanden geleden zag ze hem voor het laatst.
De officier van justitie wijst op een verklaring die ze kort na de aanhouding bij de politie aflegde. „Op een gegeven moment vraagt de politie: wist u dat de auto gestolen was? En u zegt: ja. Nu zegt u weer van niet.”
De diefstal eindigt heftig. Op de A12 bij Bodegraven negeert I. een stopteken van de politie, wordt achtervolgd, bereikt op een gegeven moment een snelheid van 140 kilometer per uur, wijkt uit naar de vluchtstrook en ramt een politievoertuig. De auto komt pas tot stilstand wanneer hij tegen de vangrails knalt. Het voertuig is total loss.
Dát was het moment waarop het kwartje viel, zegt A. Tijdens de achtervolging drong het tot haar door: deze auto was helemaal niet van een familielid, hij was gestolen.
Er is ook een verklaring van de auto-eigenaar. Nooit had ze kunnen bevroeden dat tijdens het uitladen van de boodschappen haar auto zou worden gestolen. Op klaarlichte dag nog wel. Ze is weken kwijt geweest met alles regelen, met de politie en de verzekering. Ze heeft een ongeneeslijke longziekte en kan niet zonder auto, dus ze moest een leenauto hebben. En uit angst heeft ze het slot van haar voordeur vervangen.
„Het spijt me,” zegt A. Ze herhaalt het.
Dan is het woord aan de officier. Die vindt het goed dat A. deze keer wel is komen opdagen. Hij eist vijftig uur taakstraf, minder dan de gebruikelijke tachtig voor autodiefstal. „Ik wil best aannemen dat zijn rol groter is dan de hare”, licht hij toe.
Daarnaast eist hij dat A. samen met I. een schadevergoeding betaalt aan de auto-eigenaar en aan een agent die tijdens de achtervolging niet alleen materiële schade opliep, maar ook een hersenschudding en spierletsel.
Voor de diefstal van de sleutelbos wordt A. vrijgesproken. Het is niet bewezen dat ze de sleutels uit het slot heeft gehaald – dat lijkt de medeverdachte te hebben gedaan. Maar voor de autodiefstal ligt het anders. „Als hij terugkomt met een auto en u stapt daarin, dan weet u dat die gestolen is”, zegt ze. Bovendien heeft A. eerder zelf verklaard dat ze het wist.
Uiteindelijk krijgt ze een taakstraf van vijftig uur. Als ze die niet of te laat uitvoert, komt ze 25 dagen vast te zitten.
Haar 24-jarige medeverdachte wordt – in diens aparte zaak – „roekeloos rijgedrag” aangerekend. „Dat hij zich niet laat vinden, vergt gevangenisstraf, dus zal ik hem één maand opleggen.” Verder moeten I. en A. samen 450 euro betalen aan de auto-eigenaar, voor haar eigen risico. I. betaalt daarbovenop 1.708 euro aan de verwonde politieagent.
Dan volgt het standaardzinnetje: als A. het niet eens is met de uitspraak, kan ze hoger beroep aantekenen. In dat geval wordt haar zaak opnieuw bekeken door een hogere rechter. De rechter legt uit dat de uitspraak pas automatisch definitief wordt als A. binnen twee weken, de voorgeschreven bedenktijd, besluit daarvan af te zien. ”U heeft geen advocaat”, zegt de rechter, „dus ik vind het beter als u daar eerst goed over nadenkt.”
In deze rubriek beschrijven verslaggevers elke week een rechtszaak.