Home

Musea buigen zich over mannelijkheid. ‘De vraag wat het betekent om man te zijn, heb ik nog nooit gekregen’

Het Noordbrabants Museum in Den Bosch én het Stedelijk Museum in Amsterdam wijden dit voorjaar een tentoonstelling aan het thema ‘mannelijkheid’. Wat levert dat op? Een gesprek met een curator, een kunstenaar en een groep mannelijke bezoekers over wat dat precies is, een man.

schrijft voor de Volkskrant over theater en populaire cultuur

Op het terras tegenover Het Noordbrabants Museum in Den Bosch schenken vier vrienden van middelbare leeftijd – colbert, zonnebril, haren naar achteren – hun tripel van La Trappe in. Om die vervolgens in twee minuten achterover te gooien en richting het museum te lopen.

Daar zitten twee Brabantse twintigers al op het stoepje te wachten. Wanneer het gezelschap binnen is, sluiten zich nog een vader en zoon bij hen aan. Dit achttal mannen krijgt deze zondag 8 maart – het is Internationale Vrouwendag – een rondleiding door de tentoonstelling Ben ik mannelijk?.

Op weg naar het begin van de tentoonstelling heeft Rick Herdingh (52) een duidelijk antwoord op die vraag: ‘Ik vind van wel.’ Maar waaróm hij dan mannelijk is, is moeilijker onder woorden te brengen. ‘Het is meer een gevoel’, zegt hij na een lange stilte. ‘Misschien moet je het me na de tentoonstelling nog eens vragen.’

Het Noordbrabants Museum is niet het enige museum dat dit voorjaar aandacht besteedt aan de man. Ook het Stedelijk Museum in Amsterdam neemt met Beyond the Manosphere – Masculinities Today, te zien vanaf 17 april, de man en zijn vermeende mannelijkheid onder de loep – en dat is nodig.

Man staat op een kruispunt

De man, zo mogen we toch concluderen, is recentelijk van zijn ooit zo vanzelfsprekende voetstuk gevallen. Opgekrabbeld, met wat schaafwonden, staat hij nu op een kruispunt. Linksaf voor een vrijer idee over wat een man kan zijn, rechtsaf voor de manosfeer met haar rigide, traditionele genderrollen.

Dat precaire kruispunt maakt ‘de man’ tot een dankbaar onderwerp voor kunstenaars en kunstinstellingen, die de tijd rijp achten om dat vastgelopen idee over mannelijkheid te ontleden, bevragen en van nieuwe betekenis te voorzien. Maar hoe doe je dat? Wat is de rol van kunst in het onderzoeken van het begrip en het fenomeen ‘mannelijkheid’? En waar moet het dan eigenlijk heen met de man?

In dit drieluik spreken we met de curator van het Noordbrabants Museum, die zijn eigen worsteling met mannelijkheid door de tentoonstelling heen weefde, een kunstenaar, die met twee zeer persoonlijke kunstwerken te zien is op de aanstaande expositie in het Stedelijk Museum, en lopen we met een groep mannen door de tentoonstelling van het Noordbrabants Museum om te zien hoe al deze ideeën over mannelijkheid landen bij een mannelijk publiek.

De curator

De tentoonstelling Ben ik mannelijk? begint met een persoonlijk voorwoord van curator Roberto Luis Martins: ‘Ik groeide op in een samenleving waar mannelijkheid betekent: stoer, hard en krachtig. Ik leerde om wijdbeens te zitten, vrienden een boks te geven en m’n zinnen te eindigen met ‘ja man bro’ – anders telde ik niet helemaal mee.’ Nadat hij als kind door zijn oma op de vingers was getikt over zijn vrouwelijke loopje, wist Luis Martins: ‘Als ik mannelijk gevonden wil worden, moet ik me aanpassen.’

Tussen alle schilderijen, foto’s, tekeningen, mode en videokunst door zijn er meer van dit soort persoonlijke anekdotes en thematische bespiegelingen van de curator te lezen. ‘Normaal gesproken maak je jezelf als curator onzichtbaar, maar ik denk dat het tijd is dat mannen persoonlijk en kwetsbaar durven zijn als het gaat om hun mannelijkheid en zo anderen te inspireren hetzelfde te doen’, licht Luis Martins zijn keuze toe.

De tentoonstelling vliegt door de tijd. We zien een schilderij uit de 18de eeuw met daarop de ontblote sixpack van Jezus Christus, uit de late middeleeuwen een klein houten beeldje van een uitgemergelde man en we leren over de Gucci-petten die sinds 2010 het straatbeeld kleuren als statussymbool voor jonge mannen.

Hiermee wil Luis Martins laten zien dat mannelijkheid door de tijd heen telkens iets anders betekent: ‘Er zit geen rechte lijn in ons denken over mannelijkheid, er waren juist allemaal verschillende golven in wat de samenleving zag als mannelijk.’

Van harnas naar zijde

Dit wordt goed duidelijk in de zaal die volledig in het teken staat van mannelijke mode vanaf de 17de eeuw. Het harnas, zo leren we, werd lange tijd louter gebruikt ter bescherming op het slagveld, maar met de opkomst van vuurwapens in de 17de eeuw werd het pantser alleen nog gedragen om wat het symboliseert: onaantastbaarheid, bescherming, kracht en moed.

Later, in de 18de eeuw, droeg de Franse elite kleurrijke kleding, zoals sierlijke zijden vesten en jassen met geborduurde bloemen. Kanten mouwen, hoge kousen, overdadige pruiken en de kleur roze werden gezien als mannelijk.

Na de Franse Revolutie, eind 18de eeuw, moest de man er juist weer verstandig en correct uitzien, en vooral niet de indruk wekken bezig te zijn met zijn uiterlijk. De gangbare kleding voor mannen versoberde tot het vrij saaie mannelijke kleurenpalet van vandaag.

Door in de tentoonstelling ons denken over mannelijkheid steeds in historisch perspectief te plaatsen, en uiteenlopende culturele opvattingen over mannelijkheid aan bod te laten komen, wil Luis Martins de bezoeker meegeven dat mannelijkheid geen vaste vorm heeft, en eigenlijk niet bestaat: ‘Het is iets wat we hebben bedacht, en daarmee dus ook iets wat we kunnen veranderen of doorbreken.’

Luis Martins mijdt in de tentoonstelling nadrukkelijk de begrippen queer of gay. ‘Veel mannen vinden het moeilijk buiten de mannelijke norm te denken, omdat ze bang zijn dat ze dan worden gezien als gay. Dat is zonde, want daarmee blijft de ruimte voor een man om zijn eigen idee van mannelijkheid te vormen heel beperkt.’

Tegen het einde van de tentoonstelling kiest Luis Martins voor hedendaagse kunst en kunstenaars die een radicaal andere kijk op mannelijkheid presenteren. Zo zien we een speels erotische video-installatie van Bart Hess waarin worstelende mannen snoepjes van elkaars lichaam eten. En Khareem Wielingen, een fenomeen uit de queer subcultuur Ballroom, maakt met zijn extravagante outfits korte metten met de kleurloze mannelijke kledingkast.

Luis Martins vindt dat de samenleving met het oog op emancipatie veel meer naar de ideeën van kunstenaars zou moeten kijken: ‘Zij openen nieuwe werelden. Khareem Wielingen is een schoolvoorbeeld van iemand die laat zien: zo kan het ook, zo mag het ook.’

Uit de verte klinkt het opgewonden gekakel van jongensstemmen. Een schoolklas gaat zo de tentoonstelling betreden. Luis Martins: ‘Ik ben gelukkig als straks één jongen uit die klas iets van zichzelf herkent, en wellicht geïnspireerd raakt om zich te uiten op de manier die voor hem prettig voelt.’

De kunstenaar

In het met papier bezaaide atelier van kunstenaar Sands Murray-Wassink (52) hangt aan de muur een tekening van een paard met als bovenschrift: ‘I’m right here.’ Het is een van de drieduizend paardentekeningen die de geboren Amerikaan de afgelopen twaalf jaar maakte. ‘Op mijn 40ste begon ik intuïtief met het tekenen van paarden. Ik begreep eerst niet waarom, maar later snapte ik dat die tekeningen gaan over gender.’

Op zijn 3de vertelde hij zijn ouders dat hij een meisje wilde zijn. Zijn grootvader, ‘een patriarchale man’, leek het een goed idee om hem naar conversietherapie te sturen, om daar te leren hoe hij een jongen moest zijn – daar hoorde paarden tekenen niet bij. Nu is het tekenen van paarden voor Murray-Wassink een vorm van therapie en een daad van verzet geworden, en het paard een symbool van troost en vrijheid.

Het werk van Murray-Wassink is hyperpersoonlijk. In het Stedelijk Museum stelt hij vier werken tentoon: drie grote paardentekeningen op stoffen doeken en I’m Proud of Myself! (1996), een verzameling zelfportretten in Hema-lijstjes op een houten salontafeltje.

Tijdens zijn jeugd kreeg hij op school te horen dat hij ‘niet knap genoeg’ was. ‘Ik was altijd wat dikkig, maar toen ik 21 werd, vond ik mezelf prachtig, en voelde ik: nu wil ik mezelf op de foto zetten. Het voelde als een statement van onafhankelijkheid.'

Wat het werk met mannelijkheid te maken heeft, weet Murray-Wassink eigenlijk niet goed. ‘Het gaat over mannelijkheid, in zoverre dat ík een man ben. Maar eigenlijk geloof ik dat elk mens een hen is. En dat bedoel ik niet provocerend. Iedereen heeft mannelijke en vrouwelijke kanten.’

Dat meer gevoelsmatige verband met het thema mannelijkheid past bij de benadering van het Stedelijk Museum, dat met werk van 36 hedendaagse kunstenaars (x/v/m) ‘de alledaagse beleving van mannelijkheid’ wil vangen, aldus curator Melanie Bühler. Ze haalde ironisch genoeg inspiratie uit het woord manosfeer. ‘Ik vroeg me af: als masculiniteit inderdaad een ‘sfeer’ zou zijn, hoe voelt die dan? Hoe komt die sfeer tot uiting? Maar ook: hoe wordt die ontvangen?’

Murray-Wassink ziet in feministische kunst het antwoord op het patriarchale systeem dat ons ‘met de paplepel wordt ingegoten’. ‘De wereld heeft het feminisme nodig. Mannen moeten als sponsjes meer vrouwelijkheid opzuigen.’ Zelf zoog hij zich sinds zijn tienerjaren vol met feministische kunst en liet hij zich inspireren door feministische kunstenaars als Carolee Schneemann, Hannah Wilke en Adrian Piper.

Toch is hij ook onderdeel van dat patriarchale systeem, erkent hij. ‘Ik maak ook denkfouten. Toen ik I’m Proud of Myself! maakte, dacht ik: ik hoop dat mannen op termijn net zo met hun uiterlijk bezig gaan zijn als vrouwen. Nu lijden mannen net zo hard onder onderdrukkende schoonheidsidealen als vrouwen, dat is alleen maar problematisch.’

Of zijn werk, waarvoor hij alleen zo perfect mogelijke foto’s selecteerde, die schoonheidsidealen juist bevraagt of bevestigt, doet er voor Murray-Wassink nu niet meer toe. ‘Kunst mag ambigu zijn. Het moet een gesprek opleveren en daarvoor is het grijze gebied juist bevorderlijk.’

Het publiek

Terug in het Noordbrabants Museum. Aan het begin van de tentoonstelling Ben ik mannelijk? stelt rondleider Thel van Dijk – op zijn coltrui een speldje van de regenboogvlag – de vraag: ‘Wat zijn jullie eerste ideeën over mannelijkheid?’ De acht mannen sputteren wat tegen, begrijpen de vraag niet helemaal, en dus versimpelt Van Dijk: ‘Wat is voor jullie een man?’

‘Dat je een penis hebt’, opent Alexander de Goederen (49). ‘Het Y-chromosoom’, vult Robbert de Rooij (49) aan. De mannen komen er nog niet helemaal uit. Mannelijkheid, ‘is dat stoer zijn? Hetero zijn?’, vraagt Herdingh zich hardop af. ‘Assertiviteit’, noemt Casper Roos (25), om daaraan toe te voegen: ‘Maar ik vind het ingewikkeld om individuele eigenschappen te generaliseren als mannelijk.’

De vragen leveren meteen dialoog en discussie op. ‘Interessant’, vindt De Goederen. ‘Er was altijd meer aandacht voor de emancipatie van de vrouw, maar ik heb nog nooit de vraag gekregen wat het betekent om man te zijn.’ De Rooij laat de woorden Mars en Venus vallen, wat voor Van Dijk de cue is om te beginnen aan de tentoonstelling.

In de eerste ruimte staat ‘het lichaam’ centraal. Klassieke sculpturen uit de oudheid staan naast TikTokfilmpjes van afgetrainde fitnessgoeroes. ‘Van oudsher wordt mannelijkheid geassocieerd met een gespierd lichaam’, zegt Van Dijk. ‘Herkennen jullie dat?’

Herdingh zelf vindt een breed lichaam niet zo belangrijk, maar dat is voor zijn zoons van 15 en 17 jaar wel anders. Op een van de filmpjes verschijnt Andrew Tate. ‘Ik vind hem zorgelijk, en ik probeer wel met ze te praten daarover’, zegt Herdingh.

We houden halt bij twee beelden die schouder aan schouder in een boksring staan. Rechts zien we de Griekse halfgod Hercules van achteren, afgebeeld met opgepompte rugspieren. Links een sculptuur van een naakte man, slanker, met een arm boven zijn hoofd, de ander op zijn borst.

Van Dijk vertelt dat mannelijk naakt verder teruggaat dan vrouwelijk naakt, en dat mannen in de oudheid vaak worden afgebeeld met een kleine penis, een teken dat ze zich kunnen beheersen. Penislengte, is dat belangrijk voor mannelijkheid? ‘Heel raar om mannelijkheid te koppelen aan iets waar je niets aan kunt doen’, zegt Mees van den Broek (26). ‘Wat een wijs antwoord’, complimenteert Herdingh hem, ‘maar dat is niet altijd hoe erover wordt gesproken.’

In de zaal over de geschiedenis van de mannelijke mode vertelt Van Dijk dat hij overwoog zijn rode hakken aan te doen, maar dat hij vandaag ‘even geen zin had in de reacties’. ‘Welke reacties?’, vraagt De Goederen. ‘Het is meer het bewustzijn dat je buiten de norm valt, dat mensen twee keer naar je kijken’, antwoordt Van Dijk. ‘Draag je de hakken als statement?’, vraagt De Goederen. Nee, omdat het bij hem past, antwoordt Van Dijk.

De Goederen komt tot een inzicht: ‘Eigenlijk hebben vrouwen veel meer keuze wat betreft kleding dan mannen. Vrouwen zijn broeken gaan dragen, mannen zouden ook hakken aan moeten kunnen doen, zonder dat dat een statement is.’

Over tien minuten sluit het museum. Door het trage tempo – er is veel om te bespreken – moeten we een gedeelte van de tentoonstelling overslaan, maar bij een kunstwerk van Reza Merabi blijven we staan. Op en rond een aantal plastic stoelen liggen grote, ronde stenen. Een werk over (het gebrek aan) kwetsbaarheid tussen mannelijke familieleden.

‘Hoe groter de groep, hoe meer gorilla het wordt’

‘Is er bij jullie ruimte voor kwetsbaarheid in relatie tot mannen?’, vraagt Van Dijk. ‘Hoe kleiner de groep, hoe makkelijker’, zegt De Goederen, ‘hoe groter de groep, hoe meer gorilla het wordt.’ Roos herkent iets van zichzelf in de stenen: ‘Een soort koppigheid. Iets eerst helemaal zelf willen doorgronden, voordat ik andere meningen toelaat.’ En, later: ‘Soms kan ik prima een hele avond een steen zijn bij mijn vrienden.’

We lopen door naar de video-installatie van Bart Hess, met de met snoepjes beplakte worstelaars. Het levert een gesprek op over evenwicht tussen intimiteit en intimidatie. ‘Waarom durven we elkaars hand niet vast te houden boven op die apenrots?’, vraagt Van Dijk.

Dat gaat al beter dan vroeger, vindt De Goederen, die zijn drie kompanen al kent sinds hun studententijd: ‘Ik heb die kerels een tijdje niet gezien, en vandaag krijgen ze dan gewoon een knuffel van me. Dat was twintig jaar geleden wel anders.’

Als we bij het einde zijn gekomen rondt Van Dijk af met een laatste vraag: ‘De tentoonstelling heet natuurlijk Ben ik mannelijk?, maar misschien is een makkelijkere vraag om te beantwoorden: ‘Wat voor man wil ik zijn?’’

Als we teruglopen vertelt Herdingh dat hij zich toch meer herkent in ‘de klassieke man’ dan in de fluïde vormen van mannelijkheid die in de tentoonstelling te zien waren. ‘Dat komt ook omdat mijn leven op deze manier heel comfortabel is. Maar mensen die anders durven te zijn, zich anders durven te kleden, vind ik eigenlijk veel stoerder. Als je me vraagt wat voor man ik wil zijn, dan is dat een man die tolerant is naar andere mannen. Zodat iedereen zichzelf kan zijn.’

De vier vrienden nemen weer plaats op het terras, waar het gesprek over wat mannelijkheid nu eigenlijk betekent, nog een poosje doorgaat. ‘Goed dat we een rondleiding hadden’, concludeert Herdingh, ‘anders sta je toch na twee minuten weer buiten.’
‘Dat is nou echt mannelijk’, grapt De Goederen. Een lachsalvo rolt over het terras.

Ben ik mannelijk?, t/m 14/6 in het Noordbrabants Museum.
Beyond the Manosphere – Masculinities Today, 17/4 t/m 2/8 in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next