In haar essay Ik zie wat ik geloof is Roxane van Iperen terecht alarmistisch. Een generatie van fruitvliegen, dat is wat we krijgen als we big tech laten uitrazen. Vliegend van hot naar her, zonder geheugen of doel. Valt het tij nog te keren?
is techredacteur van de Volkskrant, gespecialiseerd in de impact van kunstmatige intelligentie op de maatschappij.
De verlichting dreigt te eindigen in het felle licht van een scherm; niet langer het symbool van rede en vooruitgang, maar van beïnvloeding en degeneratie. Ik zie wat ik geloof, het essay dat Roxane van Iperen schreef ter gelegenheid van de Maand van de Filosofie, is behoorlijk alarmistisch van toon. Terecht.
Het is geen nieuw verhaal dat de schrijver vertelt, maar urgent is het zeker. Ze analyseert vlot en scherp hoe hyperglobalisering en machtige techbedrijven onze gedeelde werkelijkheid, ons kritische denkvermogen en onze sociale cohesie hebben afgebroken. De moderne mens leeft steeds meer als een geïsoleerd atoom in een door big tech gestuurd spiegelpaleis, waarin subjectieve, door algoritmen versterkte emoties de objectieve feiten vervangen.
De boodschap van Van Iperen: we geloven niet langer wat we in de fysieke wereld zien, maar we zien wat we geloven. Startpunt voor haar exercitie is een filmpje dat ze zelf op Instagram plaatste over yogamoeders en andere aanhangers van het maakbaarheidsgeloof, die uitblinken in zelfzorg maar vergeten zich over de wereld te ontfermen.
‘De reacties kwamen met honderden tegelijk’, blikt Van Iperen terug. ‘Niet op de systeemkritiek waarover ik sprak, maar op de yogamoeder in mijn metafoor.’ Reageerders stelden boos dat ze het niet begrepen had en dat de yogabeoefenaar juist positieve bijdragen levert aan de maatschappij.
Het is een gewaagde keuze om met een Instagram-post te beginnen en daarmee in de volgende pagina’s het betoog te stutten dat voor een groot deel draait om de oppervlakkigheid van de aan sociale media verslaafde moderne mens.
We zijn in regressie, schrijft Van Iperen: ‘Terug naar de instinctieve reacties van het reptielenbrein.’ Simpelweg varen op beeld zonder taal of context betekent een ‘revolutie van de onderbuik’. We zijn inmiddels ‘een samenleving bevolkt door kleuters, overgeleverd aan primaire, emotionele reacties, niet langer gecureerd door enige ratio of reflectie’.
In de wereld die Van Iperen beziet hebben volwassenen alle zelfbeheersing en cognitie verloren om nog een pauze te kunnen nemen tussen prikkel en reactie. Hierdoor zijn zowel een gemeenschappelijk gesprek als een gedeelde werkelijkheid onmogelijk geworden. ‘Het is precies die cognitieve infrastructuur die nu razendsnel afbrokkelt en een generatie van fruitvliegen voortbrengt: vliegend van hot naar her zonder geheugen of doel, aangetrokken door de sterkst riekende vuilnisbelt van menselijke emoties.’
Helemaal mee eens, en je kunt je dan ook afvragen of de tekst- en contextverdringende beeldcultuur van het bigtechplatform Instagram de beste plek is om een goed debat over systeemkritiek te entameren. Los daarvan: Van Iperen doet een bewonderenswaardige poging haar punt in een kleine honderd bladzijden te maken.
Jammer is het wel dat er in dit verhaal geen ruimte voor nuance is. We zijn overgeleverd aan een eindeloze stroom beeldflitsen en video’s op TikTok, Instagram en X, die de 21ste-eeuwse mens reduceert tot een sneue prikkelzoeker die uren per dag doorbrengt in een spiegelpaleis waarin hij alleen nog zijn eigen stompzinnigheid ziet. ‘Een grotere vorm van eenzaamheid kan ik me niet voorstellen’, concludeert ze.
Gelukkig wisselt Van Iperen dit soort wel erg stellige passages af met scherpe observaties. Bijvoorbeeld over vrijheid: ‘De moderne mens leeft daardoor in een wonderlijke paradox: we geloven dat we meer vrijheid hebben dan ooit, terwijl tegelijkertijd de drang naar controle alomvattend is.’
Wat we ervaren als autonomie en vrijheid is in feite procesoptimalisatie, stelt ze terecht. Onze online gangen worden immers bijna volledig gestuurd door een digitale infrastructuur in private handen. De vraag is volgens haar allang niet meer of technologie ons leven helpt en vergemakkelijkt, maar ‘wie er heerst over de voorwaarden waaronder wij denken, spreken, voelen en handelen’.
Ze vervolgt met een wel erg lange verhandeling over de (best wel slechte) film Mountainhead (2025), waarin vier nare techmiljardairs centraal staan die geamuseerd en opgewonden op hun schermpjes zien hoe de wereld door hun eigen toedoen in brand staat en regeringen vallen.
Het is een onnodig uitstapje: je hoeft niet naar fictie te grijpen als die al is ingehaald door de werkelijkheid.
Over de echte techmiljardairs (door haar cloudlords genoemd) merkt ze op dat de door hen veroorzaakte digitale en maatschappelijke ontwrichting niet de mensheid dient, maar de markt. Ik vrees dat het beide is: juist het feit dat mensen als Peter Thiel en Elon Musk geloven dat ze met al hun technologie en geld de mensheid redden, maakt ze doodeng. Wás het maar alleen machtswellust.
Van Iperen is ook niet gek; ze wil de arme lezer die nog geen reptiel of fruitvlieg is niet achterlaten in totale misère: ‘Hoe overleven we de destructieve elementen die big tech nastreeft en wat zetten we ertegenover?’ Het leven is meer dan een gladgestreken spiegelpaleis waarin alle rafelranden zijn wegveralgoritmiseerd; ook verdriet en lijden verdienen een plek. Maar maakt dit leven nog een kans in het leven dat draait om kortetermijnprikkels?
Hoe hernemen we onze menselijkheid? Van Iperen hoopt allereerst dat jonge mensen gewoon weer kunst, cultuur, geschiedenis en cultuur gaan studeren: ‘We hoeven onze kinderen niet te bekwamen in technologie.’ Het is een wat onzinnig gedachte-experiment. Bovendien is het ernstig de vraag of de wereld per se beter wordt als iedereen voortaan geesteswetenschappen gaat studeren en informatica links laat liggen.
Verder hoopt de schrijver dat de bronnen van vers menselijk trainingsmateriaal voor AI-modellen opdrogen, waardoor de kwaliteit van de ChatGPT’s van deze wereld zal afnemen. ‘Het is technologische incest, die steeds minder kennis en steeds meer onzin en ernstige misvormingen oplevert.’
Wat wij verwaarlozen verdwijnt, stelt Van Iperen op de laatste bladzijde. ‘Eerst in het licht van het scherm en vervolgens in onszelf.’ Het is een sterk staaltje wensdenken. Vooralsnog is de kans even groot dat de mens zich doomscrollend onderdompelt in steeds verslavender en steeds onzinniger AI-filmpjes.
Misschien gewoon eerst maar eens een boek uitlezen. Mij is het nog gelukt, in één ruk zelfs. Ook dat is hoopvol.
Roxane van Iperen: Ik zie wat ik geloof. Uitgeverij Pluim in opdracht van Stichting Maand van de Filosofie; 96 pagina’s; € 8.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant