Home

Het Westen is in de ban van verheerlijking van geweld

Oorlog Van Gaza tot Iran, van detentiecentra tot privévliegtuigen, van online ‘shitstorms’ tot pay-per-view-kooigevechten: heeft een beschaving met macht en geweld als voornaamste ethische leidraad nog zelfcorrigerend vermogen?

Pete Hegseth geeft een update over operatie Epic Fury tijdens een persconferentie eerder deze maand in Tampa, Florida.

In de winter van 1940, enkele maanden nadat de Wehrmacht de inname van Frankrijk had afgerond, publiceerde de eenendertigjarige filosoof Simone Weil in het tijdschrift Cahiers du Sud een opstel over de Ilias van Homerus. In L’Iliade ou le poème de la force interpreteerde ze het oude epos als een panorama van wreedheden dat lessen bood voor het heden. Ze noemt het gedicht een „portret van uitersten en van onredelijk geweld„, een compromisloze schets van wat geweld doet met zowel de slachtoffers als de plegers. Want geweld „maakt een mens tot een steen” en „in het uiterste geval”, schrijft ze, „maakt het een mens tot een lijk”.

Dit artikel verscheen eerder in Equator en werd geselecteerd en vertaald in samenwerking met 360 Magazine. Equator vermeldt geen auteursnamen bij een deel van zijn stukken.

De hedendaagse relevantie van Weils boodschap heeft niet alleen betrekking op wat geweld doet met individuele mensen, maar op wat het doet met samenlevingen en beschavingen die ervan in de ban raken. Veel van de morele en politieke crises waar wij tegenwoordig mee kampen, vinden hun oorsprong in wat Weil met betrekking tot het Europese fascisme omschrijft als de „verheerlijking van macht in zijn meest brute gedaante”.

Het ordinaire geweld van de Israëlische en Amerikaanse oorlog tegen Iran is weer een nieuwe blijk van Weils profetische gaven. Sinds het begin van de bombardementen doen de oorlogvoerende partijen amper moeite om met een ethische of juridische rechtvaardiging te komen voor de slachtoffers die ze maken. Ze beschouwen hun overmacht platweg als een vrijbrief om mensen te doden. Door geen enkele coherente rechtvaardiging te bieden voor wat inmiddels een regionaal conflict met onafzienbare gevolgen is, geven Trump en Netanyahu een duidelijk signaal af: ze doen dit simpelweg omdat ze het kunnen.

De Amerikaanse minister van Oorlog Pete Hegseth pocht dat de Iraniërs „dag en nacht dood en verderf vanuit de lucht” te wachten staat, en hij zegt: „We slaan ze nu ze op de grond liggen, en zo hoort het”. Dwight Macdonald (de eerste die Engelstalige lezers met Weils essay kennis liet maken door het in 1945 in zijn maandblad Politics te publiceren) zou dit recept ooit omschreven hebben als „maximale fysieke verwoesting met minimale menselijkheid”.

Dominantie als lotsbestemming

Net als in de Ilias is geweldsverheerlijking ‘de ware held, het ware thema’ van onze tijd geworden. Al onze huidige nachtmerries zijn ermee verweven: genocide en oligarchie, vacuümbommen en door AI samengestelde dodenlijsten, een fascistische mannelijkheidscultus en onversneden machismo, gemaskerde mannen die in Amerika kinderen van de straat plukken en narco-executies in de Caraïben, gevangeniseilanden en immigranten in kooien, defensieministeries die tot ministerie van Oorlog worden omgedoopt en nieuwe wapenwedlopen, gewapende conflicten van Soedan tot Oekraïne en nu ook luchtbombardementen en drone-aanvallen in het Midden-Oosten.

In de loop van deze eeuw zien we steeds meer bot machtsvertoon zonder enige rechtvaardiging of morele verantwoording. Met de val van het Oostblok ontstond er een wereld met één grote mogendheid die dominant was en niet langer door een tegenmacht tot terughoudendheid werd gedwongen. Voor het eerst in de moderne tijd kon de VS zijn gang gaan zonder dat een andere mogendheid tegenwicht bood of tot zelfbeheersing noopte. De aard van die nieuwe wereldorde werd in de jaren negentig grotendeels verdoezeld door de taal van de globalisering, die een beeld schetste van vrij verkeer en onderlinge afhankelijkheid, in plaats van een wereld die draait om één enkel militair en economisch machtscentrum. De Amerikaanse dominantie kreeg het mildere etiket ‘hegemonie’ opgeplakt, dat instemming en vrijwillige ondergeschiktheid suggereert. Het was ook een onheroïsche tijd, waarin de geopolitiek zich beperkte tot ‘chirurgische’ opruimoperaties en vanuit de lucht gepleegde ‘interventies’ onder de inhoudsloze banier van ‘menselijkheid’.

Maar de aanslagen van 11 september leidden tot de heropleving van hardere begrippen als ‘imperium’ en ‘imperialisme’, nu vaak gebruikt voor de eenzijdige wijze waarop Amerika de wereld zijn wil probeert op te leggen. De neoconservatieven die vanuit hun denktank Project for the New American Century zo konden instromen in de regering van George W. Bush, erkenden openlijk dat ze de Amerikaanse werelddominantie niet beschouwden als een kruis dat het land te dragen had, maar als een lotsbestemming die het actief moest nastreven. Zoals een adviseur van Bush het in 2004 verwoordde: „We zijn nu een wereldrijk en met alles wat wij doen, scheppen we onze eigen werkelijkheid.” Resultaat: de oorlogen in Afghanistan en Irak, geheime gevangenissen, memo’s over martelingen, elektronische surveillancesystemen, binnenlandse politiediensten die met militair materieel worden uitgerust.

Pogingen de Amerikaanse suprematie met militaire middelen af te dwingen verliepen in Helmand en Fallujah rampzalig en in eigen land ging Wall Street onderuit. Die fiasco’s hebben geresulteerd in iets wat nog gevaarlijker is dan de Koude Oorlog of de periode van eenzijdige dominantie. De VS heeft misschien nog een hegemonisch overwicht in Europa, waar gewillige satrapen als Merz en Von der Leyen voor Washington buigen, maar in de rest van de wereld is Amerika geen baken of gidsland meer. „Het uiteenvallen van het neoconservatieve project,” schreef Giovanni Arrighi in 2009, „leidt in de praktijk tot een terminale crisis van de Amerikaanse hegemonie, oftewel van de verandering daarvan in louter overheersing.”

Met zijn huidige regime heeft Amerika de wereld niet veel meer te bieden dan schaamteloze dwang en verwoesting. Trump en zijn handlangers lijken te handelen in een roes van straffeloosheid. Zonder enig oog voor het internationaal recht of het creëren van draagvlak voeren ze een gangsterachtig intimidatiebeleid waarin vijandige staatshoofden simpelweg worden ontvoerd of geliquideerd. „Even onverbiddelijk als het slachtoffer door de macht wordt verpletterd, laat degene die macht heeft of denkt te hebben zich daardoor het hoofd op hol brengen,” schrijft Weil. Die bedwelmende overwinningsroes van mensen die ontdekken dat ze straffeloos tekeer kunnen gaan was in haar ogen de ergste en meest ingrijpende ramp. Wie geweld pleegt, ervaart de eigen macht als de natuurlijke orde en kan zich niet voorstellen dat de dingen anders zouden gaan, of dat de mensen tegen wie het geweld is gericht – vrouwen, immigranten, moslims, linkse en progressieve mensen – überhaupt mensen zijn.

Deze verheerlijking van brute kracht is het evangelie van lieden die graag spotten met alles wat zij als minderwaardig beschouwen. „De rest van onze cultuur mag dan soft, verwijfd en beschaamd geworden zijn,” schrijft Hegseth in zijn boek The War on Warriors (2024), „maar ons leger kan zich dat niet veroorloven. Stoer, mannelijk en ongegeneerd dodelijk, dat is ziel en wezen van de strijder.” In weinig beelden is dit zo sterk symbolisch uitgedrukt als in een recente foto van Andrew Tate op sociale media. De van mensenhandel verdachte kickbokser heeft een grote schare volgers vergaard met tirades dat de wereld uiteenvalt in overheersers en onderworpenen en echte mannelijkheid berust op het uitbannen van tederheid. Op de tweede dag van de oorlog zette Tate een filmpje van zichzelf online met de tekst „Ik in Dubai terwijl de bommen vallen”. (Naar verluidt zat hij op dat moment helemaal niet in het land.) Het is de uiting van een man die gevangen zit in het vertoon van zijn eigen mannelijke onkwetsbaarheid, de verheerlijking van kracht in zijn zuiverste vorm.

Verheven boven het menselijk lot

In Weils lezing van de geschiedenis was het oude Rome de eerste beschaving waarin deze verheerlijking van kracht een complete cultuur werd. De Romeinen waanden zich volgens haar „verheven boven het leed dat het algemeen menselijk lot is”. Ze meenden dat hun volk was uitverkoren om „heer en meester van de wereld” te zijn. En die overtuiging van de eigen uitzonderlijkheid resulteerde in minachting voor vreemden en vijanden, voor al wie zwak en kwetsbaar was: die mochten de Romeinen naar hun eigen idee zonder wroeging geweld aandoen.

In Amerika is het exceptionalisme, het geloof in de eigen uitzonderingspositie, aan beide zijden van het politieke spectrum een rotsvast geloofsartikel geworden. Deze overtuiging dat de VS niet gehouden is aan de regels die het land anderen oplegt, dat het andere landen mag binnenvallen, bombarderen, destabiliseren of met sancties treffen zonder zich iets van het internationaal recht aan te trekken, getuigt van een Romeins-imperialistisch zelfbeeld. Datzelfde geldt voor de Israëlische doctrine van absolute militaire superioriteit die resulteert in apartheid en de systematische vernietiging van een heel volk.

Binnen het frame van Weil is Israël in de wereld van vandaag het theologisch meest uitgewerkte voorbeeld van dit antieke Romeinse denken. Politiek rechts heeft in Israël een complete intellectuele, juridische en religieuze onderbouwing opgetuigd voor deze roes van onbeteugelde geweldsuitoefening. Die begint bij de Hebreeuwse Bijbel, omvat ook de stichtingsmythen van de nieuwe staat en culmineert onder Netanyahu en zijn coalitie van kolonisten en ultranationalisten nu in oorlogen waarin ze zelf handenwrijvend over totale vernietiging praten.

In haar opstel over de Ilias brengt Weil een begrip naar voren dat in het Westen volgens haar letterlijk onbespreekbaar is geworden: het begrip ‘Nemesis’, dat in haar ogen kenmerkend is voor het Griekse denken over mens en natuur. Ze oppert dat het onder de naam karma in de boeddhistische traditie van het Oosten terecht is gekomen. Maar het Westen, schrijft Weil, „is dit begrip kwijtgeraakt, heeft er zelfs in geen van zijn talen nog een woord voor”. De begrippen beperking, maatvoering en evenwicht die ons volgens haar in het leven tot leidraad zouden moeten dienen, bestaan in het Westen alleen nog, zo stelt ze haarscherp en vernietigend vast, „in de vaktaal der techniek”.

Nemesis is meer dan simpelweg wraak, het is de vergelding die onontkoombaar volgt op verheerlijking en misbruik van macht. Zij die zich gedragen alsof ze boven het lot van de mens verheven zijn, zullen uit de aard der zaak met verdubbelde kracht door dat lot worden getroffen. Dat is geen ethisch gebod dat van buitenaf wordt opgelegd, maar een kenmerk van de werkelijkheid: de onvermijdelijke wijze waarop ongebreideld geweld uiteindelijk de pleger zelf fataal wordt. Dit was voor de Grieken ‘de ziel van het epos’ en het kernmotief van hun treurspelen, omdat zij heel helder inzagen wat het Westen is vergeten: dat ongebreideld geweld geen oplossing is voor, maar juist een vernietigende uiting van het menselijk tekort.

Van Gaza tot Iran, van detentiecentra tot privévliegtuigen, van online ‘shitstorms’ tot pay-per-view-kooigevechten: het Westen is volledig in de ban geraakt van de verheerlijking van geweld. Voor Weil was de hamvraag of een beschaving waarin geweld de voornaamste ethische leidraad is nog over een zelfcorrigerend mechanisme beschikt, of dat die beschaving net als eerdere beschavingen alleen nog kan wachten op de komst van Nemesis.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief Wereldzaken

Terugblikken, extra analyses en leestips bij de laatste uitzending van de podcast Wereldzaken.

Geopolitiek

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next