is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Bevers, wolven en andere wilde dieren spelen een grote rol in de opslag van koolstof, en dus in het beperken van klimaatverandering. Terwijl de mens ze net (bijna) had uitgeroeid.
Ik was wat laat op het feestje, want pas een half jaar geleden zag ik mijn eerste bever, veertig jaar na de eerste herintroducties in Nederland. Hij kwam geluidloos aangezwommen in een fortgracht bij Werkendam. Dat daar op die maagdelijke zondagmorgen net het Vroege Vogels Festival werd gehouden, was natuurlijk ook niet zonder betekenis – daar moest die bever bij zijn.
Hoe adembenemend het schouwspel ook was van dat aquatische knaagdier dat pas na een halve minuut schrok van zijn toeschouwers en met een klap van zijn staart rechtsomkeert maakte, pas sinds vorige week begrijp ik waar dat beest nou helemaal mee bezig was. Hij was CO2 aan het opslaan, om het klimaat te redden.
Een groep internationale wetenschappers stelde in het tijdschrift Nature Communications Earth & Environment vast dat bevers (in een Zwitserse beekcorridor waar die al meer dan tien jaar actief zijn) door hun graaf- en bouwwerkzaamheden grote hoeveelheden koolstof opslaan, waardoor die niet als CO2 in de lucht komen.
Door het omknagen van bomen ontstaan beverdammen, waardoor omliggende gebieden overstromen, moeras verschijnt en de grondwaterstroom wijzigt. Daarbij worden grote hoeveelheden organisch en anorganisch materiaal opgeslagen, waaronder dus koolstof. Wel tien keer zo snel als in gebieden waar geen bevers leven. De dammen en vijvers van bevers blijken in de loop van een jaar meer koolstof op te nemen dan er wordt uitgestoten. Leve de bever.
In deze rubriek geeft Jean-Pierre Geelen, natuurredacteur van de Volkskrant, zijn persoonlijke commentaar op opmerkelijke confrontaties tussen mens en natuur.
Helemaal nieuw is het niet. In 2023 constateerden wetenschappers in Nature al dat de bever een steentje bijdraagt aan de opslag van koolstof. Net als wolven, vissen en andere wilde dieren.
Hoe weten ze dat? Een voorbeeldje: nadat vorige eeuw in de Serengeti runderpest was uitgebroken, liepen er nog maar 300 duizend gnoes rond. Doordat er dus minder begraasd werd, ontstonden veel meer natuurbranden, die koolstof uitstootten. Nadat de ziekte was uitgeroeid, steeg het aantal gnoes naar 1,2 miljoen en kwamen bosbranden weer veel minder voor.
Nog eentje: wilde dieren verspreiden zaden en vermeerderen zo ook koolstofrijke boomsoorten. In het Amazonewoud zijn die boomsoorten slechts 1 procent van alle bomen, maar die slaan wel 50 procent van alle koolstof op.
De wetenschappers hadden berekend dat het herstellen van populaties van gnoe, zeeotter, wolf, tijgerhaai, muskusos, Afrikaanse olifant, Amerikaanse bizon en baleinwalvissen kan leiden tot een netto-opname van 6,4 gigaton CO2 per jaar in de ecosystemen waarin ze voorkomen. 1 Gigaton is gelijk aan 1 miljard ton. Dat is, kortweg: heul veul.
In ons deel van Europa zijn het vooral de bever, de wolf en vissen die elk op hun eigen wijze bijdragen aan de beperking van CO2-uitstoot. Precies drie soorten die de mens eerder had uitgeroeid (of aan het overbevissen is). De bever wordt alweer bejaagd wegens ‘overlast’; de vingers van ‘beheerders’ en populisten jeuken om de trekker over te halen bij elke wolf die zich vertoont. Laat de mens met z’n plompe poten door de natuur banjeren en hij schiet de boel aan flarden. Waarmee hij dus zijn eigen strop steeds verder aantrekt. Straks stikt-ie nog.
Natuurlijk: die bever en de wolf gaan in hun eentje niet het klimaatprobleem oplossen. Maar een vriendelijk groetje bij een ontmoeting is wel het minste dat de mens kan terugdoen. Een kleine buiging mag ook, als excuusje voor de beestachtige behandeling van afgelopen eeuwen. Gelukkig weten we nu beter.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns