is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Precies tien jaar geleden was Johan Cruijff alweer vier dagen dood en waren Cruijffs discipelen nog aan het verwerken dat de mensenzoon toch sterfelijk was gebleken en hen verweesd had achtergelaten. De afgelopen week bleek hun rouw onterecht: Johan Cruijff is niet dood, hij leeft. Meer nog dan toen hij zijn evangelie van de bal verspreidde: wie in mij gelooft zal overwinnen, ook al zal hij heus weleens een enkele keer onverdiend verliezen, bijvoorbeeld met 2-1 van Duitsland.
In de vierdelige documentaire Cruijff van de Britse regisseur Sam Blair kwam Cruijff dichterbij dan hij in levenden lijve ooit aan ons is verschenen. De beelden, de woorden, degenen die Cruijff van dichtbij hadden meegemaakt: ze dwarrelden in razende adoratie door elkaar – het was een dappere en misschien zelfs wel geslaagde poging ook deze JC uit de dood te laten herrijzen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Alle emoties werden 192 minuten lang bespeeld, op één na: ontroering. Terwijl daar toch alle aanleiding voor was en heimwee en nostalgie ruim baan kregen, wilde het sentiment maar niet komen. Misschien kwam dat doordat Cruijff zo nadrukkelijk niet dood was en er dus geen reden was voor tranen.
Zoals Jezus Christus zich na zijn wederopstanding en ontmoeting met Maria Magdalena verbaasde over haar huilen en zich na zijn kunststukje van de domme hield (‘Waarom huilt u?’), zo sprak de herrezen Cruijff vanaf het scherm tot zijn discipelen.
Wat mij het meest raakte, was Cruijffs absolute geloof in zijn eigen onfeilbaarheid. Vermoedelijk is zelfs Donald Trump vergeleken met Cruijff een twijfelaartje. In een schitterende scène zagen we hoe Johan zich verbaasd afvroeg waarom er überhaupt mensen waren die met hem in discussie gingen: dat vond hij zinloos, aangezien zijn gelijk immers onwrikbaar vaststond. (We zagen ook een korte scène in de cockpit van een vliegtuig, waarin Cruijff de piloot enkele aanwijzingen gaf.)
Cruijff had Jezus’ woorden ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ tot de zijne gemaakt. Hij had, vond hij, niet zomaar gelijk; hij was de gelukkige eigenaar van de waarheid. In zijn knappe rol van exegeet van Cruijffs leer legde Ruud Gullit uit dat die overtuiging uiteindelijk onvermijdelijk en overal en altijd tot conflicten moest leiden.
In zijn opzienbarende boek Waarschijnlijk onsterfelijk: Hoe de leer van Cruijff zich als een religie over de wereld verspreidde legt de Britse voetbalschrijver David Winner uit dat Cruijffs oneindig grote ego nodig was voor de verspreiding van zijn voetbaltheorieën.
Winner beperkt zich niet tot Cruijffs invloed op jongere trainers die zijn ideeën zijn gaan toepassen. Hij pakt het groter aan en legt Cruijffs verovering van de wereld naast de manier waarop de leer van Jezus Christus destijds naam maakte. Hij haalt Paulus, Augustinus, Karel de Grote, Johannes Calvijn en tientallen andere geloofsvaders erbij (en José Mourinho als de antichrist) en laat intussen geen mogelijkheid onbenut om de heiligheid van het getal 14 te benadrukken.
Winner is niet voor niets de voice-over in de documentaire Cruijff. Net als Blair zoekt hij in zijn boek naar het goddelijke in Johan Cruijff en naar de religie van het cruijffdom die daaruit voortvloeide. Waarschijnlijk onsterfelijk is een zeer vermakelijke proeve van doorgedraaide Cruijff-waanzin; maar wel zo meeslepend en speels opgeschreven dat je opeens ziet dat Johan Cruijff behalve voetbalfilosoof ook een geniale humorist was die in zijn liefde voor de bal en nadruk op vermaak het spelletje juist relativeerde.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns