Home

Het Parijse dagboek van Hugo Claus is roddel, erotiek en genadeloos vertoon van onmacht ineen

In 1975 begon Hugo Claus aan een (nu integraal uitgegeven) dagboek, waarin hij de neergang van zijn obsessieve liefde voor de veel jongere actrice Sylvia Kristel optekende.

‘Een demonische engel’, werd Hugo Claus wel genoemd door zijn mentor, de Vlaamse schrijver Herman Teirlinck. Claus was charmant, teder en poëtisch, maar kon ook ijskoud, messcherp en keihard zijn. Het werkelijke genot van zijn schrijven, bekende hij, was dat hij zelf een duivel kon worden. ‘Mensen weten niet dat ik als een roofvogel tussen hen loop en stukken uit hen hap om daarmee boeken te schrijven.’

Op de grens van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werd de virtuoze alleskunner Hugo Claus beschouwd als de grootste toneelschrijver van de Lage Landen. In Amsterdam lag het vermolmde theaterbestel onder vuur. Leden van Aktie Tomaat smeten rotte eieren, roomsoezen en tomaten naar de ouderwetse, keurig articulerende acteurs van de Nederlandse Comedie.

Claus wilde het klassieke repertoire vernieuwen, maar weigerde ‘de tomatengooiers-bende’ zijn eigen superieure stukken te laten verstoren. Bij de première van Vrijdag, op 15 november 1969 in de Amsterdamse Stadsschouwburg, had hij zijn potige broers op strategische plaatsen in de zaal neergezet. De revolutionairen zaten te rillen van angst en durfden niets, lachte Claus. Vrijdag kreeg een staande ovatie.

In de zomer van 1970 verhuisde Hugo Claus, 41 jaren jong, van een boerenhoeve in het Vlaamse plattelandsdorpje Nukerke naar de Amsterdamse grachtengordel. Hij wilde leven in het brandpunt van de literatuur, maar had ook een hoogstpersoonlijke reden. Tijdens de repetities voor Vrijdag was hij ‘strontverliefd’ geworden op de actrice Kitty Courbois. Bij zijn vertrek uit Nukerke liet hij zijn eerste liefde, Elly Overzier, en zijn 7-jarige zoon Thomas achter. ‘Ik was bereid mijn leven om te buigen, een gok te wagen.’ Officieel bleven ze overigens getrouwd.

Vonken

Claus stortte zich met Kitty Courbois, die ook was getrouwd en een dochtertje had, in een heftige liefdesaffaire waar al snel ook de vonken van onmin van afspatten. Kitty leverde zich niet zo gewillig over aan de grote schrijver als hij verlangde. Zij vond hem ‘een dwingeland’. Hij vond dat zij het acteren niet serieus nam en slordig leefde. ‘De klad zit erin, in haar en mij.’

Tijdens een vakantie in de Périgord, in de zomer van 1971, legde Claus de teloorgang van hun affaire vast in een ‘klachtenboek’, een cahier waarin hij tot in detail beschreef hoe Kitty ladderzat werd, handenvol pillen slikte, de vuile luiers van haar dochter Gijsje liet slingeren en, vooral, veel te weinig aandacht aan hem besteedde. ‘Zit toch niet zo de hele dag aan mijn kont’, zei K tegen hem. ‘Moet het elke dag dan?’

In zijn ‘boekhouding van ressentiment’ heet hij ‘de minnaar’, de geliefde ‘K’. Over zichzelf schreef Claus in de derde persoon. ‘Hij vindt in het registreren van haar bijna onbegrijpelijke afstandelijkheid tegenover hem een koude wellust.’ Toen K was opgestapt, ruilde Claus haar in voor een nieuwe vriendin, scriptgirl Ellen Jens.

Al in 1972 verscheen zijn roman van wraak, Het jaar van de kreeft. Hoofdpersonage Toni is, zo onthulde Claus zelf in een paginagroot interview met Henk van der Meijden in De Telegraaf, herkenbaar op Kitty Courbois gebaseerd, al is Toni slordiger en lelijker. Ze heeft ‘sombere geitenogen’. In het slothoofdstuk laat Claus haar gruwelijk aan kanker sterven, de ziekte waaraan Kitty’s moeder was gestorven en waarvoor zij doodsbang was.

Noodlottige liefde

Met zijn roman over een noodlottige liefde paste Claus precies in de succesvolste literatuur van zijn tijd. De Bezige Bij adverteerde met ‘Een Nederlandse Love Story’, naar de bestseller van Erich Segal. En passant zette Claus het slot van Turks fruit van Jan Wolkers op zijn kop; daarin sterft de hevig begeerde heldin aan een hersentumor. Het jaar van de kreeft werd slecht ontvangen – een ‘keukenmeidenroman’ volgens Gerrit Komrij – maar verkocht.

Intussen diende zich de volgende amour fou in het leven van Claus alweer aan. Ironisch genoeg werd zij op zijn pad gezet door zijn vrouw, Elly Overzier, die niet kon verkroppen dat Claus het na Kitty met Ellen Jens had aangelegd en niet bij háár was teruggekeerd. Elly had bij een filmcasting het piepjonge schoonheidsprinsesje Sylvia Kristel ontmoet, en haar geadviseerd een appartementje te huren in Claus’ Amsterdamse grachtenpand. Elly wilde stoken. Dat lukte beter dan gehoopt, gaf zij achteraf toe aan Mark Schaevers, de onvolprezen auteur van de biografie De levens van Claus.

In januari 1973, nadat Sylvia Kristel had meegedaan aan de Miss TV Europe-verkiezing, vertelde zij aan Het Parool dat ze, hoewel ze vierentwintig jaar scheelden, verliefd op Claus was: ‘Heel erg, zelfs.’ Ze voegde daaraan toe: ‘Hugo Claus is niet verliefd op mij. Voor geen cent.’ Het jaar van de kreeft had ze ‘wel vijf keer’ gelezen.

Het bloed kroop waar het niet gaan kon. Exit Ellen Jens. En Hugo Claus pronkte in het openbaar met zijn jonge Miss. ‘Een man van mijn leeftijd komt meestal in Strindberg-achtige toestanden terecht wat de liefde betreft, maar bij Sylvia is dat niet zo. Ze is een tevreden meisje dat met spontane vrolijkheid door het leven gaat. Daar heeft ze mij in meegenomen. En ik onderga het met verbijstering.’

Hugo nam het heft in handen van Sylvia’s carrière. Hij adviseerde haar om de hoofdrol in de Franse erotische film Emmanuelle te nemen, hielp haar bij het instuderen van de tekst en vloog met haar in december 1973 naar de set in Thailand, voor nuttig advies: ‘Als je een liefdesscène doet, kan je je handen dan niet wat bewegen? Lig er niet bij als een dooie vis.’

Glamourkoppel

Hoewel Claus Emmanuelle gênant vond, ‘familiepornografie in gesuikerde kleuren’, en de hoofdrolspeelster in slaap viel tijdens haar eigen première, werd de film een belachelijk succes. Er stond een wachtrij van anderhalve kilometer voor de bioscoop op de Champs Elysées. Het glamourkoppel verhuisde naar Parijs en Sylvia beviel op 2 februari 1975 van een zoon, Arthur, die haar achternaam kreeg. Claus had beloofd om met Elly getrouwd te blijven. Hij zag zichzelf niet achter de kinderwagen lopen.

Na de première van Emmanuelle II verhuisden ze naar een majestueus 19de-eeuws appartement aan de Rue Dante, op steenworp afstand van de Notre-Dame en de cafés en boekhandels van Saint-Germain-des-Prés. Het nieuwe huis bood meer dan genoeg ruimte voor de moeder van Sylvia en het kindermeisje. Claus slenterde overdag door de lichtstad, ze dineerden copieus, ‘zij spaghetti en ik tripes en te veel Côtes du Rhône’, en hij speelde ’s nachts de gigolo voor zijn eigen filmster.

So far, so good. Tot la Kristel hem opbiechtte dat zij tijdens het draaien van Emmanuelle II een affaire had gehad met haar Italiaanse tegenspeler, Umberto Orsini. Ze liet hem zelfs zien waar het overspel plaatsvond: in een kamer op de tweede verdieping van het chique Hôtel San Régis. Het jaloerse beest in Claus werd ruw wakker geschud. Toch vertrok hij niet. Hij bleef ‘om de verpietering gade te slaan’.

Op 13 oktober 1975 begon hij aan een nieuw ‘jaloezieboekje’ vol pijnlijk scherpe scènes, waarin zijn volgende roman al begonnen lijkt. ‘Sedert ik dit notaboek aanleg, zie ik meer, kijk ik beter. Dit is geen dagboek, waarde lezer na mijn dood, alleen een pense-bête, uitsluitend als voedingsbodem bedoeld.’ Doelbewust verkende de voyeur zijn male gaze, noteerde obsessief alle details, ‘het ware voedsel van de story’.

Dit dagboek, waarvan een deel in 2011 al door Mark Schaevers werd gepubliceerd in De wolken – Uit de geheime laden van Hugo Claus, is nu integraal verschenen bij uitgeverij Prometheus onder de titel Minnaar tegen elke prijs, ingeleid door Robbert Ammerlaan en uitgeluid door Erwin Mortier. Het is een giftige cocktail van superieure roddel, bronstige erotiek, woede, verbittering en genadeloos vertoon van menselijke onmacht.

Puist

Geestig is het ook. Toen Claus op zijn ochtendwandeling in de kiosk Sylvia met Umberto samen in bikini en zwembroek op de cover van Ciné Revue zag staan, noteerde hij daarna vilein: ‘U. heeft puist op zijn borst.’ Claus werd geteisterd door wraakdromen. ‘De fantasieën gaan over in het visioen op de première van Emmanuelle II. Umberto in smoking. Ik ga naar hem toe, duw zijn neus plat tussen twee vingers, dwing hem te knielen, hij is half bewusteloos, tranen van pijn. Ik zeg: ‘Laat ik je niet meer zien vanavond.’

De ‘weke’ jaloezie woekerde voort als een gezwel, en maakte alles stuk – ook de seks. 7 januari 1976: ‘In bed. Niets. ‘Ik wil genaaid worden’, zegt zij. ‘Jij ook. Ik wil verkracht worden. Jij ook.’ Ik zeg: ‘In het begin, toen wij vrijden, de eerste weken, was je anders. Elke dag naaien en zo.’ ‘Nee’, zegt ze, ‘om de twee dagen, vanaf het begin.’ Ik: ‘Je hebt me mooi voor ’t lapje gehouden.’ ‘En jij’, snauwt ze, ‘jij hebt beloofd dat je me klaar zou maken. Nu, na vier jaar is er nog niets van te merken.’ Knap meteen af, walgend, voor zoveel kwade trouw.’

Meer en meer speelde Claus, ‘Mr. Stupid’, de rol van de verongelijkte. ‘Zonder enige charme is dit. Ik zou mij moeten installeren in een andere rol, de minnaar à tout prix, niettegenstaande alles, vriend-lover. Vanmorgen bijvoorbeeld begint de dag met gevit. Ik zei: ‘Wij maken ’t ons steeds meer moeilijk.’ ‘Ja, waarom is dat’, zei zij. Ik wendde mij af omdat ik het maximum wil, de overgave. En dat zit er niet in. Maar hoe kan er overgave zijn, als je niet eens wil beginnen, geduldig, kleintjes, tactisch. De doem van l’amour fou.’

Zelfbeklag

Het heeft er alle schijn van dat Claus, met zijn theatrale talent voor zelfbeklag, bouwstenen sprokkelend voor zijn roman, zichzelf ook werkelijk ten gronde richtte. Cees Nooteboom en Harry Mulisch (die in Nederland bovenaan de bestsellerlijst stond met Twee vrouwen, ook al zo’n verzengende liefdesroman die eindigt in de dood) gingen met hun vrouwen, Liesbeth en Sjoerdje, in december 1975 in Parijs bij Hugo en Sylvia langs. Opgewekte taferelen. Maar Nooteboom noteerde in zijn dagboek dat Mulisch over hun vriend opmerkte: ‘Volgens mij is hij niet gelukkig.’ Later gaf Claus aan Nooteboom toe, en verbood hem daarover te spreken, dat hij aan zelfmoord dacht.

‘God, wat wegen die laatste loodjes zwaar!’, kermde Claus. Sylvia begon nieuwe affaires, Hugo stelde zijn vertrek uit tot het niet meer kon. ‘Zelfs al weet ik dat zij alleen de rol speelde die ik haar toebedeelde, namelijk voorwerp van liefde – nee, overdreven, voorwerp van projectie van samenzijn, wat erotiek en jeugd – dan nog is het moeilijk of lastig om afstand te doen van het cadeau gedane rolletje. Er is meer, door de tijd is het rolletje identiek geworden aan gewoonten en soms gevoelens.’

Het dagboek eindigt op maandag 30 augustus 1976 met een salomonsoordeel. Ze besluiten om al hun spullen te verdelen, ‘zij wou van alles de helft’, maar met hun zoon, Arthur, om wie Claus zich nauwelijks leek te bekommeren, was dat onmogelijk. Slotregel: ‘Hij nam het kind. Zei: ‘Welke helft, snel’ en hakte het in tweeën.’

De roman over de gedoemde liefde voor Sylvia Kristel is nooit verschenen. Het beeld is in het blok marmer blijven zitten, dus met het marmer, waarde lezer, moeten wij het doen. Misschien wilde Claus zich niet herhalen. Misschien wilde hij Sylvia Kristel niet aandoen wat hij Kitty Courbois had aangedaan in Het jaar van de kreeft. Misschien had zijn jaloezie de lust om te schrijven geblust. ‘Voilà. Fin.’

Hugo Claus: Minnaar tegen elke prijs – Parijs’ dagboek. Prometheus; 248 pagina’s; € 24,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next