Home

‘Het is in Iran nu te gevaarlijk om in opstand te komen’

De genocide in Rwanda en de rol van radio daarbij zetten Rieneke van Santen op het spoor van het belang van persvrijheid. Al jaren zet zij zich in voor onafhankelijke journalistiek in Iran: ‘Niet eerder was de censuur zo heftig.’

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

‘Dit is veruit de zwartste periode in de zestien jaar dat ik me met Iran bezighoud. In januari zijn er duizenden mensen vermoord, doelbewust door hun hoofd geschoten alleen maar omdat ze op straat tegen de regering wilden demonstreren. Ik ben niet Iraans en heb er ook geen familie, maar wat er aan schendingen van mensenrechten is gebeurd en nog altijd gebeurt, is zo extreem dat praten erover me emotioneel maakt. Dit regime is sadistisch en barbaars. Helaas zie ik het niet snel ten val komen, ook al wordt het wel door de oorlog verzwakt.’

Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Netwerk in gevaar

Als directeur van Zamaneh Media, een in Amsterdam gevestigde journalistieke organisatie die onafhankelijke berichtgeving over Iran voor ogen staat, staat de 42-jarige Rieneke van Santen op de bres voor persvrijheid in een land dat zich al decennia onderaan de wereldwijde ranglijst op dat vlak bevindt.

In 2025 stond Iran op plek 176 van een ranglijst met 180 landen – en dat was nog vóór de volledige black-out van internet dit jaar. Niet alleen journalisten lopen het risico op marteling en executie, ook gewone burgers die informatie delen met nieuwsorganisaties als Zamaneh moeten daarvoor vrezen: ‘Ons hele netwerk loopt gevaar, ook al omdat wij door het regime sinds 2022 als een terroristische organisatie worden aangemerkt. Voor onze informatie moeten onze journalisten het hebben van de durf en de moed van burgers. Gelukkig zijn er nog altijd mensen die tot delen bereid zijn, zelfs onder deze omstandigheden.’

Dat persvrijheid haar onderwerp is geworden, voert ze terug op haar eigen ‘vrijheidsdrang’, die ze van jongs af heeft gevoeld. Als enige dochter van een gezin met vier kinderen was ze de oogappel van haar Amerikaanse vader, die als ingenieur in de olie-industrie werkzaam was: ‘Hij leerde me dat ik groot moest durven dromen, dat ik tot een lijn van sterke vrouwen behoorde en dat ik kon zijn wie ik maar wilde’.

Moreel kompas

Wat dat laatste kon inhouden, was haar als puber onduidelijk. Van die jaren herinnert ze zich vooral boosheid – haar kosmopolitische opvoeding, gepaard gaand met vele reizen, botste met haar leven in Gouda, met zijn kleinstedelijke mentaliteit: ‘Op mijn 13de zei ik tegen mijn ouders dat ik in de Verenigde Staten wilde studeren, op mijn 17de ben ik dat ook gaan doen.’

Als kind al speelde haar ‘moreel kompas’ op: ‘Als 9-jarige was ik in Los Angeles geschokt toen ik kinderen in de regen zag douchen en een vrouw met hongerige kinderen om zich heen op straat zag bedelen. Toen realiseerde ik me dat er in deze wereld van alles niet klopt.’

Haar rol in het leven kreeg vorm toen persvrijheid bij haar in beeld kwam. Aanleiding vormde een verblijf in Ethiopië en Rwanda, waar ze als twintiger belandde, samen met een docent van haar hbo-opleiding communicatie. Ze gaven trainingen aan overheidspersoneel, onder meer aan ambtenaren van de Rwandese belastingdienst.

Waardoor werd die tijd zo bepalend voor u?

‘Toen ik er in 2008 kwam, had de genocide veertien jaar eerder plaatsgevonden; de sporen waren er in de samenleving nog volop. Wij gaven les aan ambtenaren, zowel Hutu’s als Tutsi’s (tijdens de genocide werden tussen 500 duizend en 1 miljoen mensen, hoofdzakelijk Tutsi’s, vermoord door met name Hutu-milities, red.).

‘De sfeer die heerste in die groep was: wij gaan het land samen opbouwen. Er zaten Tutsi’s bij die naar Burundi waren gevlucht, maar voor de wederopbouw waren teruggekeerd. Er overheerste in die groep de overtuiging dat het mogelijk was, ook al was iedereen zwaar getraumatiseerd.

‘Veel indruk op me maakte een bezoek aan het herdenkingsmuseum, het Kigali Genocide Memorial. Dat vertelde het verhaal ingetogen – je zag er beelden zoals de iconische foto’s van honderden bij elkaar gelegde schedels uit massagraven, en beelden van mensen die levend waren begraven. Aan het einde is een indrukwekkende ruimte met om je heen de foto’s van slachtoffers.

‘Ik kwam eruit als een ander mens, er gebeurde iets met me. Ik heb altijd gezocht naar betekenisvol in de wereld kunnen zijn; hier werd me iets duidelijk daarover, voelde ik. Het museum leerde me hoe media, in dit geval radio, kunnen aanzetten tot genocide. Er was een radiozender geweest die over de Tutsi’s riep: ‘Jullie zijn kakkerlakken! We gaan jullie vermoorden!’ Ik bedacht: als media in staat zijn om tot het allerergste aan te zetten, moet het omgekeerde ook mogelijk zijn.’

U ging een Master Internationale Ontwikkeling in Manchester doen, gericht op ontwikkelingswerk, maar belandde bij Zamaneh. Hoe kwam dat zo?

‘Ik wilde graag bijdragen aan verzoening, vrede en gelijkheid in de wereld, zo naïef was ik wel, daarom koos ik die opleiding. Maar die bleek een desillusie, omdat je vooral leerde over ontwikkelingsprojecten die meer schade toebrachten dan goed deden. Een bijdrage leveren aan persvrijheid, aan onafhankelijke journalistiek, leek me wel haalbaar – ik zag me op dat vlak wel iets concreets bereiken. Dus koos ik in 2010 voor Zamaneh. Dat bestond toen vijf jaar – het was opgericht omdat de Tweede Kamer steun wilde geven aan onafhankelijke media die zich op Iran richten.’

Waarom kwam het belang van persvrijheid u zo na aan het hart te liggen?

‘Dat heeft toch wel met de Rwandese genocide te maken. Die leert hoe belangrijk kritisch denken op basis van goede, zo objectief mogelijke informatie voor een samenleving is – en hoe vreselijk het mis kan gaan wanneer die informatievoorziening ontbreekt.

‘Goede, onafhankelijke journalistiek vind ik ook belangrijk, omdat je daarmee een stem kunt geven aan mensen die worden achtergesteld, zoals minderheden. In Iran gaat het dan om de Koerden, de Beloetsjen, Azeri’s, Afghanen en Arabieren, maar ook religieuze minderheden. Zij worden als tweederangsburgers behandeld, krijgen geen paspoort, hebben soms zelfs geen toegang tot scholing.

‘Bij Zamaneh proberen we alle kanten te belichten. Wanneer we een opiniestuk voor de oorlog plaatsen, komen we de volgende dag met een opiniestuk dat tegen is. Als directeur help ik de hoofdredacteur en de redactie om die journalistieke onafhankelijkheid te bewaken.

‘Mijn eigen hart ligt vooral bij een stem geven aan verdrukten, zoals minderheden of Iraanse vrouwen. Vandaar dat ik in de afgelopen jaren ook bezig ben geweest met het produceren van documentaires waarmee je zoveel meer kunt vertellen dan met nieuwsberichten. Documentaires zetten aan tot debat en verbinding, zo bleek me bij vertoningen met nabespreking van de door mij geproduceerde film Sānsūr (een documentaire uit 2023 waarin zes Iraanse vrouwen vertellen over de impact van censuur op hun leven, red.).’

Tegen welke weerstanden moet u met uw missie opboksen?

‘De totale black-out van het internet die begin januari door het regime werd ingesteld, is op dit moment de grootste hindernis. Onze redactie zet tien nieuwe artikelen per dag online, maar daarmee kunnen we nu alleen nog maar mensen buiten Iran bereiken. Onze bezoekersaantallen zijn daardoor enorm omlaaggegaan. We zijn veel tegenwerking gewend, we staan al lang op de terroristenlijst van de Revolutionaire Garde, maar met deze volledige black-out heeft de censuur een heftigheid aangenomen die we niet eerder zo hebben meegemaakt.

‘Dat geldt ook voor het verkrijgen van informatie over wat er zich in het land afspeelt; dat is enorm moeilijk geworden. Via sms’jes worden mensen in Iran momenteel door de staat bedreigd met strafvervolging bij contacten met buitenlandse media. Het is voor burgers ook veel lastiger geworden op het nationale internet iets met elkaar te delen; video’s mogen bijvoorbeeld via de lokale WhatsApp-varianten helemaal niet meer worden verspreid. Ook is de toegang tot het wereldwijde internet via de Starlink-satellieten van Musk veel gevaarlijker geworden – het regime speurt actief naar gebruikers ervan. Wie wordt ontdekt, riskeert de beschuldiging van spionage waar de doodstraf op staat.

‘Het aantal doodstraffen neemt alleen maar toe, dit regime is moorddadig en sadistisch. In 2023 gingen ze er al toe over om het drinkwater op meisjesscholen te vergiftigen om maar te voorkomen dat meisjes aan demonstraties van destijds meedoen. Ook bedreigen ze al langer familieleden van journalisten die buiten Iran werken. Dat is ook de reden dat ik veel interviews voor Zamaneh doe, ook al is dat op zich raar, omdat ik niet Iraans ben.

‘Een lichtpuntje voor ons is dat de kortegolfradio waarmee we tijdens de black-out zijn begonnen, niet door de autoriteiten wordt verstoord – de uitzendmast waarmee ze dat doen is mogelijk door de bombardementen vernield. Hoe dan ook hebben we in Iran en ver daarbuiten een goede ontvangst. Met radio bereiken we een heel ander publiek, dat vind ik er ook mooi aan.’

Ondervindt u ook steun?

‘Voor de radio krijgen we gelukkig wat donaties van particulieren, wat heel fijn is want we zijn met onze uitzendingen zonder uitgewerkt plan begonnen, we zijn in het diepe gesprongen. Het probleem voor donoren is dat we geen statistieken kunnen overleggen over hoeveel mensen we ermee bereiken. Dat valt met geen mogelijkheid vast te stellen, helaas vinden sommigen dat een reden ons niet te financieren.

‘Een probleem is ook dat er niet of nauwelijks geld bij officiële instanties te vinden is voor onze missie om aan onafhankelijke journalistiek en persvrijheid in Iran bij te dragen. We botsen tegen politieke belangen. Canada heeft ons een tijd lang gefinancierd toen er nog een conservatieve regering zat, maar onder de liberaal Trudeau hield dat op, onder meer vanwege de gevangenschap van een Canadees in Iran.

‘Meer algemeen is het probleem dat journalistiek er wereldwijd niet goed op staat, nu er een rechtsere wind waait en de haat tegen journalisten op sociale media vrij extreme vormen kan aannemen. Dat helpt ook niet. Onze redactie is vorig jaar met 60 procent gekrompen – we hadden een volle newsroom, nu zijn we nog met zes man op kantoor in Amsterdam en vijftien mensen internationaal. Het is een negatieve trend die ik bij meer media in ballingschap zie.’

Wat is uw hoop?

‘Uiteraard de val van dit regime, maar ik vrees dat dat niet snel gebeurt, de Revolutionaire Garde zit tot in de haarvaten van de samenleving, het is nu te gevaarlijk om in opstand te komen. Al zijn er nog steeds filmpjes van mensen die op daken om vrijheid roepen. De oorlog verzwakt het regime wel verder. Op den duur zie ik wel ruimte ontstaan voor een opstand. Je moet niet vergeten dat Iran ook een modern land is met een hoogopgeleide en jeugdige bevolking. Ik ben onder de indruk van hoe dapper de jongeren durven te zijn, ook de meisjes en vrouwen.

‘Mijn hoop geldt vooral hen. Het duurt niet lang voordat al die oude mannen die nu de dienst uitmaken in de wereld dood zijn. Jongeren van nu zijn zich veel bewuster van wat we de planeet aandoen en zijn ook nog eens veel handiger dan wij met technologie. Ik wil vooral een bijdrage aan hun ontwikkeling leveren met goede journalistiek en documentaires. Daarmee kunnen we de zaadjes planten die ze voor hun toekomst nodig hebben.’

Boektip: Lolita Lezen in Teheran van Azar Nafisi

‘Door dit boek begreep ik hoe groot de impact van censuur op mensen is. Jonge vrouwen, die een geheime boekenclub over westerse literatuur beginnen, zien zich gedwongen hun eigen identiteit te verhullen. Nafisi laat hun verlangen naar vrijheid zien en de moed die deze vrouwen daardoor weten op te brengen.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next