Alexander Skarsgård zou de vleesgeworden manosfeer-fantasie kunnen zijn, maar met zijn rollen laat de Zweedse acteur juist zien dat je al dat masculiene niet zo serieus moet nemen. ‘Ik hou daarvan: met verwachtingen spelen en de boel een beetje ondermijnen.’
is filmrecensent en schrijft een column over hedendaagse beeldcultuur.
Dat Alexander Skarsgård een zwijgzame, dominante, gay motorrijder speelt in Pillion heeft de wereld te danken aan castingdirector Kahleen Crawford. Half serieus had scenarist en regisseur Harry Lighton haar geopperd dat Skarsgård geknipt zou zijn voor de rol.
Hem benaderen leek hem echter tijdsverspilling. Een acteur van zijn kaliber, die de projecten voor het kiezen heeft, zou natuurlijk nooit willen spelen in een film van een onbekende, debuterende regisseur, en zéker niet als dat een expliciet bdsm-liefdesverhaal betreft.
Wat later stuurde Crawford hem een foto uit 2016, van Skarsgård op de rode loper. Keurig in smoking, maar zonder broek. Witte slip, kousophouders, glimmend gepoetste schoenen en kijken alsof er niets aan de hand is.
‘Hij ziet eruit alsof hij wel voor wat in is’, schreef ze. ‘Toch maar proberen.’
Goed ingeschat. In de stapel scripts sprong Pillion er inderdaad uit, vertelt Skarsgård (49) tijdens een interview in Londen. De schuchtere parkeerwacht Colin ontdekt zichzelf tijdens een sadomasochistische relatie met de mysterieuze biker Ray: precies het soort gedurfde originaliteit dat hem prikkelt. En dan ook nog eens heel goed geschreven. ‘Het was verrassend lief, teder én grappig.’
Aarzelingen bij de expliciete seksscènes misschien? Het kinky worstelen, of de orgie met mannen in leren tuigjes?
Integendeel, zegt Skarsgård. ‘Seks in films is vaak enorm saai. Er gebeurt niets, behalve dat twee mensen op en neer gaan. Handen die lakens grijpen, een rug strelen – geen lol aan. In Pillion hebben de seksscènes betekenis. Het zijn transformatieve momenten voor Colin, ze zijn nooit gericht op shockeren.
‘Plus: Harry wilde het er natuurlijk laten uitzien. Niet zo gladjes als doorgaans. Ongemakkelijk, onhandig en daarmee soms vreemd of geestig. Daar werd ik erg enthousiast van.’
Boomlang – zo hoor je Skarsgård (1 meter 96) te omschrijven. Belachelijk knap en blond. Iets met ‘viking’. En toch zie je in het hotel in Londen eerst zijn knalrode rugbytrui met ‘Super Speed’, die keihard contrasteert met zijn kobaltblauwe joggingbroek. Daarna pas de man erin. Alsof hij weet: zich onzichtbaar maken kan hij tóch niet. Dan maar in overdrive.
Dat hij acteur zou worden lag voor de hand, maar niet voor hemzelf. Hij is het oudste kind van de Zweedse acteur Stellan Skarsgård. Dan sta je dus algauw op je 6de op de tv-set van Hamlet als figurant in de sneeuw te spelen en maak je zonder er bewust voor te kiezen carrière als kindacteur. Maar leuk of inspirerend, zo’n artistiek-intellectueel gezin?
‘Mijn grootste droom was dat mijn vader in een kantoor zou werken, in zo’n hokje, in een grijs pak’, vertelde Skarsgård eerder dit jaar aan W Magazine. ‘Dat hij naar zijn werk zou rijden met een Saab en een koffertje had. Maar hij had nooit een koffertje, hij had rare totebags.’
Hoe serieus Skarsgård hier is, dat weet je niet – de lijn tussen onderkoelde humor en ernst is bij hem altijd dun. Maar er zal een kern van waarheid in zitten. Op zijn 13de stopte hij met acteren, omdat hij het irritant vond dat hij op straat werd herkend; zes jaar later ging hij het leger in. ‘Ik wilde mijn eigen pad uitstippelen. En dit was het grootste contrast dat ik kon vinden met mijn linkse, bohemien familie’, vertelde hij daar vorig jaar over in entertainmentvakblad Variety.
Zijn eerste Hollywoodrol ontstond uit een lolletje. Tijdens een bezoek aan zijn vader in Los Angeles vroeg diens agent hem of hij zin had om auditie te doen. Goed verhaal voor de vrienden thuis, redeneerde Skarsgård, en zo werd hij gecast als een van drie oliedomme mannenmodellen in Ben Stillers komedie Zoolander (2001).
Oliedom is in die film ook echt oliedom: in een idiote scène besproeit het trio elkaar lachend met benzine bij het tanken, op de klanken van Wake Me Up before You Go-Go, tot een van hen een sigaret aansteekt.
Pas jaren later, als hij zijn acteerwerk zelf ook serieuzer gaat nemen, krijgt Skarsgård degelijkere rollen. De zelfspot die hij liet zien in Zoolander is iedereen dan al vergeten. Lang, blond, hot: dat is het onironische kaartenbakje waarin hij belandt.
Skarsgård breekt door als broeierige, gevaarlijke vampier in de serie True Blood (2008-2014). In 2016 is hij Tarzan, met een wasbordje dat grenst aan het absurde. Een Scandinavisch lustobject.
Hoe ontworstelen acteurs zich doorgaans aan die typecasting? Door het tegenovergestelde te gaan spelen. Rollen die een lelijke pruik vereisen, of een neusprothese; een uiterlijke verandering die zegt: neem mij serieus.
Skarsgård kiest al snel een andere weg. Onweerstaanbaar aantrekkelijk? Prima. Maar dan extra vet aangezet graag, en in dienst van personages met een duister kantje.
Monroe bijvoorbeeld, die in Diary of a Teenage Girl (2015) de 15-jarige dochter van zijn vriendin groomt. Perry Wright, de ideale minnaar/vader/schoonzoon die in de serie Big Little Lies (2017) zijn vrouw (Nicole Kidman) zo hard in elkaar kan slaan dat je er misselijk van wordt. En die vervolgens zo met zijn puppyogen naar haar kijkt dat je begrijpt dat ze hem vergeeft, of in ieder geval gelooft dat hij kan veranderen.
Zijn op bloed beluste Amleth is in het keiharde The Northman (2022) ook alleen maar een jongetje-met-trauma in een afgetraind Vikinglichaam. Skarsgård speelt monsters van mannen die de kijker verleiden met uiterlijke charme, maar die hij met zijn minimalistische acteerwerk ook altijd iets ongemakkelijk menselijks geeft.
Hoe bewust is dat spel met hoe hij eruitziet? Het blijft lang stil in de Londense hotelbar, alsof Skarsgård er voor het eerst over nadenkt.
‘Interessant’, zegt hij peinzend. ‘Ik ben natuurlijk een grote, sterke man. Ook grote sterke mannen zoals ik zijn kwetsbaar, en onzeker, en ze twijfelen aan zichzelf, ook als ze dat niet laten zien. Iedereen heeft een interne strijd. Als ik dit soort dominante alfamannen speel, vind ik het dus leuk om barstjes te slaan in dat stereotiepe beeld.’
Precies daarom is Skarsgård zo geweldig in Pillion. ‘Een knappe creep’, noemt Colins moeder zijn nieuwe vriend. Ray is een dominante, gesloten man. Hij commandeert en praat niet over gevoelens of zijn verleden.
‘Dat Ray een enigma is en blijft, maakt het script zo goed’, zegt Skarsgård. ‘Bij het lezen was ik steeds bang dat er op pagina 70 een onthulling zou komen, iets over een trauma of een dubbelleven. Dat werkt misschien in conventionele films, maar voor mij zou het het verhaal een stuk minder interessant maken.’
Het betekende wel dat Skarsgård íéts moest. ‘Je kunt natuurlijk niet een uur en veertig minuten lang op dezelfde toonhoogte spelen. Er moeten momenten zijn waarop er iets van kwetsbaarheid zichtbaar wordt, voordat de deur weer dichtslaat.
‘Maar ik had geen idee waar die zouden zitten. Die ontstonden pas in het samenspel met Harry Melling, die Colin speelt. Op de momenten die ik zelf had bedacht, voelde ik die kwetsbaarheid helemaal niet op de set. En juist in andere, vaak alledaagse scènes gebeurde er ineens iets, dan ervoer ik opeens een onzekerheid. Dat bleef me verrassen.’
Maar wat Pillion extra interessant maakt, is dat Skarsgård zichzélf met een korreltje zout lijkt te nemen. In de film wordt zo vaak, in woorden en visueel, benadrukt dat hij ‘onmogelijk knap’ is, dat je dat alleen kunt spelen als je het zelf niet helemaal serieus neemt.
En dat is precies wat hij de laatste jaren steeds vaker laat zien. Tijdens de promotietour van horrorfilm Infinity Pool (2023), waarin hij een arrogante schrijver speelt, liet hij zich door tegenspeler Mia Goth ‘uitlaten’ aan een hondenriem.
Deze week spanden zijn spieren onder een lila glittertop van Dior tijdens de première van Pillion in Berlijn. Alsof hij zegt: ik heb inderdaad alles in huis om de vleesgeworden manosfeerfantasie te zijn, maar hou toch op met dat vereren van het sterke en masculiene.
Hij kiest ook rollen waarin hij deze soort-van-zelfspot kwijt kan. In de zwart-komische serie Murderbot bijvoorbeeld lijkt hij als cynische, zelfbewuste robot een grap te maken van zijn bovenmenselijke uiterlijk en emotionele terughoudendheid. Het is een ironische vorm van typecasting, net als in de serie Succession (2021-2023), waarin hij de Elon Musk-achtige techbro Lukas Matsson speelt. Die bijrol was in het vijfde seizoen zo geliefd bij kijkers dat de schrijvers in het zesde seizoen een verhaallijn om hem heen bedachten.
In de ultieme Alexander Skårsgard-scène vertelt Lukas Matsson aan Shiv Roy dat hij een ex-vriendin een halve liter van zijn ingevroren bloed heeft gestuurd. ‘Als grapje.’ Deed zij ‘raar’ over. Dus stuurde hij haar nog wat liters. Skarsgård speelt de scène met zo’n uitgestreken gezicht dat je als kijker nooit helemaal zeker weet of dit nu grappig is of afschuwelijk. En dat hele bloedgebeuren is natuurlijk ook nog eens een knipoog naar zijn eerdere populariteit als sexy vampier in True Blood.
Het is precies dat onderkoelde ‘is-het-een-grap-of-niet?’ dat Skarsgård onder zijn acteerwerk kan leggen, dat hem uniek maakt. Hij heeft daarmee een verfrissende en eigenzinnige niche gevonden: hij toont ons de ultieme mannenman, maar relativeert die met kwetsbaarheid en zelfspot.
Daar zit voor hem het plezier in. ‘Ik hou daarvan: met de verwachtingen spelen en de boel een beetje ondermijnen.’ Uiterst welkom, in deze humorloze manosfeertijden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant