Home

Heimwee naar het verloren jongensleven of spullensnobisme: wat beweegt de audiofiel?

Een zoektocht naar goede en vooral dure geluidsapparatuur brengt schrijver Thijs Hoekstra (van de lovend ontvangen debuutroman Kuren) naar de wondere wereld der audiofielen. En die is best bijzonder.

Niet lang nadat mijn relatie is uitgegaan, besluit ik het hele voorschot van mijn debuutroman uit te geven aan een geluidsinstallatie. Het lijkt me het juiste moment. Ik ben al dronken geworden met de vrienden die zij minder leuk vond, ik heb een meditatie-app gedownload, ik heb een kortstondige affaire met eiwitshakes gehad. Maar uiteindelijk kom je toch uit bij de betrouwbaarste methode uit het mannelijke arsenaal: in één keer heel veel geld uitgeven. Het liefst aan iets doms.

Zo komt het dat ik mijn eerste maand als vrijgezel voornamelijk doorbreng bij vreemde mannen op zolder, die mij maar al te graag willen inlijven in hun wegkwijnende religie. Mannen die mij dingen uitleggen over frequenties en de ideale speakeropstelling. Mannen die het uitsluitend kunnen hebben over spullen. Mannen zoals Andrej.

Hij is mijn eerste adres. Via een internetforum ben ik door hem uitgenodigd om een versterker te bekijken. Zijn appartement is één grote platenkast, waarbij de albums zijn gesorteerd volgens een onnavolgbaar systeem. Er hangen posters van bands waarvan ik nog nooit heb gehoord. Op de koffietafel ligt de reden dat ik hier ben: een versterker van Micromega. Volgens Andrej ‘een van de beste Franse high-endmerken’.

Na vier hoornvliesoperaties is Andrej grotendeels blind, dus hij moet de afstandsbediening van de versterker vlak voor zijn gezicht houden om de knopjes te vinden. ‘De meeste mensen luisteren tegenwoordig audio via het internet’, vertelt hij. ‘Dat is verschrikkelijk. Dat zijn slechte bestanden, waar je speakers van kunnen ontploffen.’

Net als ik wil zeggen dat dit me een beetje overdreven lijkt, vindt Andrej de juiste knop. Hij pakt een album dat al een tijdje klaarligt: Paul Simon in Concert: Live Rhymin’, uitgebracht in 1974 – een tijd dat popartiesten nog lelijk mochten zijn, aldus Andrej – en er volgt een moeizaam ritueel van voorzichtige handelingen met apparaten die in een bepaalde volgorde aangezet moeten worden, met hoezen en borsteltjes en een naald die zorgvuldig op de plaat wordt gelegd. Dan duwt hij me plechtig zijn leunstoel in.

‘Goed luisteren’, zegt hij streng. ‘Dit is goed.’

Liefdesliedjes en hartzeersongs

Ik heb altijd al een fascinatie gehad voor audiofielen vanwege dat vreemde contrast in hun toewijding. Enerzijds is er de sentimentaliteit van de kunstvorm waar het allemaal om te doen is, muziek die je nog het best kunt omschrijven als een collectie liefdesliedjes en break-upanthems, en anderzijds is er de haast cijfermatige manier waarop ze die kunstvorm vervolgens benaderen. Dit soort mannen – want het zijn bijna altijd mannen – weten de meest emotionele kunstvorm ter wereld om te vormen tot een louter technologisch vraagstuk: het streven naar de perfecte geluidskwaliteit.

Toen ik rond mijn 14de naar muziek begon te luisteren, artiesten als Mac DeMarco en Arctic Monkeys, kwam ik soms bij mijn oom over de vloer. Iemand die zelfs voor een audiofiel een extreme variant was. Hij had een houten constructie bedacht waarmee hij alle bedrading door zijn huis boven de vloer liet zweven om het laatste beetje kabelruis, iets wat voor een normaal mens niet te horen is, te elimineren.

Ook zijn het vaak enorme snobs, die met enig dedain praten over alles wat niet in hun straatje van ‘goede muziek’ past. Zo vond mijn oom dat ik een soort cognitieve achterstand had omdat ik op mijn 14de nog naar dit soort lofi-onzin luisterde.

Ik heb dit snobisme altijd wel charmant gevonden. Het is irritant, maar je wordt er ook door gedwongen om te beargumenteren waarom iets dan wél mooi is. Als kunst helemaal subjectief zou zijn, kun je ook nergens meer over praten. Dan valt elk meningsverschil te beslechten met ‘smaken verschillen’ en dat is vermoedelijk een saaie wereld om in te leven.

Nog voordat het album is afgelopen, vraagt Andrej wat voor kabels ik eigenlijk heb. Het is de eerste vraag die hij mij stelt. Ik zeg dat ik dat niet weet, dat ik sowieso geen idee heb wat goede of slechte spullen zijn, dat dit de eerste keer is dat ik geluidsapparatuur koop en dan vertel ik hem – misschien onder invloed van Paul Simon – dat mijn relatie net is uitgegaan.

Andrej knikt ongeduldig bij dit hele verhaal. ‘Vervelend... maar geen kabels dus?’
‘Nee.’
‘Dan krijg je deze van mij. Ze hebben gouden knoppen, heel duur, maar anders klinkt het niet goed.’

Ik begin met protesteren. Andrej kijkt me vreemd aan. ‘Anders klinkt het niet goed’, herhaalt hij.

Een album van The Eagles

Nergens is het archetype van de neurotische muziekliefhebber zo uitvoerig geportretteerd als in High Fidelity, de roman van Nick Hornby uit 1995. Een boek dat ik tot voor kort niet had gelezen, net zoals ik de film nooit had gezien. Toch wist ik intuïtief waar het over ging. Het is een belangrijk tijdsdocument, alleen al door de vele memes die er online over te vinden zijn. Het beeld van John Cusack die treurig over een balie hangt, is synoniem geworden met een bepaald type man.

Het verhaal gaat als volgt: Rob, een man met een slechtlopende platenzaak, wordt verlaten door zijn vriendin. Wat volgt is een lange tirade over de liefde, popmuziek en de wreedheid van het bestaan. Een bestaan dat is gespeend van enige politieke kwestie; het blijven de jaren negentig, natuurlijk. De geschiedenis is morsdood. De liberale democratie heeft gewonnen, de Verenigde Staten zijn nog een baken van progressieve waarden en het is slechts een kwestie van tijd voor we de wereldvrede bereiken. Toch is iedereen ongelukkig. Als je dit boek mag geloven, tenminste.

Wat Rob staande houdt in de ravage van zijn leven is zijn muzieksmaak. ‘It’s what you like that’s important’, stelt hij. ‘Not what you are like.’ Dit motto wordt rigoureus nageleefd. Rob jaagt mensen de platenzaak uit als ze iets willen hebben wat niet goed is. Rob heeft een hekel aan de collega van zijn vriendin omdat die een album van The Eagles in de kast heeft staan. Je gaat twijfelen of ‘muziekliefhebber’ wel een goed woord is voor deze groep mensen, aangezien het er bij een verfijnde smaak vooral om lijkt te gaan wat níét goed is.

De roman geeft subtiel commentaar op de psychologie van dit type man. Het wordt al snel duidelijk dat smaak het enige is waarmee Rob daadwerkelijk overwicht heeft op andere mensen, die veelal betere banen en relaties hebben dan hij. Muziek is het enige domein waar Rob wel status heeft. De relatie met zijn platencollectie is daarmee de belangrijkste relatie in zijn leven, omdat de emoties die Rob daar vindt wél voorspelbaar zijn. De enige liefde die zeker is, is de liefde voor spullen.

En dat valt nog wel het meest op, vooral voor iemand van mijn generatie: hoe fysiek de liefde voor muziek in die tijd nog beleden werd. Er zijn tijdschriften die gelezen moeten worden, lp’s die op chronologische volgorde worden gesorteerd, mixtapes die met zorg in elkaar worden gezet. Het kost een moeite die mij volledig vreemd is. De jaren negentig lijken wel een andere wereld.

Misplaatste nostalgie

Ik mag platen uitzoeken bij het conservatorium van Amsterdam. De bibliotheek is jaren geleden al gedigitaliseerd, maar de langspeelplaten liggen in het archief te verstoffen. Nu gaan ze eindelijk weg. Het is vooral klassieke muziek: 20ste-eeuwse componisten die vroeger schandalen veroorzaakten met hun atonale symfonieën, maar nu nog twintig maandelijkse luisteraars op Spotify hebben. Op alle hoezen is een blauwe stempel gezet: ‘afgeschreven’.

Met terugwerkende kracht is het gek hoe snel die ontwikkeling is gegaan, van platen naar cd’s naar mp3-spelers, steeds kleiner, tot onze muziekcollecties uiteindelijk oplosten in het luchtledige. Inmiddels luisteren de meeste mensen met oortjes of een handzaam bluetooth-boxje, waar platenspeler, versterker en speaker in één apparaat zijn verpakt, aangezien de efficiëntie eist dat er juist zo min mogelijk spullen aan te pas komen.

Er is geen kracht zo destructief als een marktbeweging. Het is een vernietiging zonder kwade intenties. Soms wordt er gewoon iets bedacht dat al het voorgaande irrelevant maakt, iets dat we slechts gedwee kunnen volgen omdat het de richting is waarheen de wereld zich beweegt. Soms wordt er een auto uitgevonden en verdwijnen alle paarden binnen tien jaar uit het straatbeeld. Maar in dit geval is het de vraag of het stroomlijnen van de muziekervaring wel zo’n verbetering is.

Ik lift sinds mijn 14de gratis mee met het Spotify-account van mijn ouders, waarop ik luister via mijn draadloze oortjes terwijl ik dit stuk aan het typen ben. Ik kan ieder nummer doorspoelen als het me niet meer bevalt, met één druk op de knop. Ik hoef niet te bladeren door tijdschriften of langs te gaan bij platenwinkels, aangezien het algoritme grotendeels kan voorspellen wat ik leuk vind.

Er moet een prijs zijn die ik voor dit gemak betaal, vergelijkbaar met hoe ik door Google Maps geen straatnamen meer uit mijn hoofd weet. Vergelijkbaar met hoe ik voor mijn nieuwsvoorziening ben overgeleverd aan de neurochemische hivemind van het internet, terwijl mijn vader iedere dag op zijn gemak de papieren krant doorbladert.

Het doorspitten van de platenbakken, het gepriegel met de geluidsapparatuur, in tijdschriften lezen welke tamboerijn op welke take is gebruikt. De moeite die je stopt in de handeling, in het ritueel, vergroot de betekenis van het kunstwerk zelf, lijkt mij.

Misschien is dit wel de reden dat mijn generatie nu massaal teruggrijpt naar de langspeelplaat, die ruimte inneemt en stof vergaart; om een stukje fysieke werkelijkheid terug te veroveren op de vooruitgang. Of is het allemaal misplaatste nostalgie, een hang naar een tijd waarin we niet eens hebben geleefd?

Ode aan een verloren jongensleven

Het laatste adres voor mijn inwijding tot audiofiel is in Amsterdam-Zuid. Het gaat om KEF-speakers uit 1976, die volgens de Marktplaats-advertentie ‘jarenlang lekker hebben staan snorren op dubplaten’.

Als ik de auto in zijn straat parkeer, komt mijn zakenpartner meteen naar buiten lopen. Het is een veertiger dit keer, in een iets te hip trainingspak. Hij gooit zijn handen in de lucht. ‘Ik ga hier zo veel spijt van krijgen!’, roept hij.

We lopen zijn garage door, ingericht als een ode aan zijn verloren jongensleven, inclusief motorfiets en onafgemaakte klusprojecten. Helemaal achteraan, zorgvuldig bedekt met een deken, staan twee grote kisten.

‘Mijn kinderen zitten aan de tweeters’, zegt hij, ‘het onderdeel dat de hoge frequenties produceert. Ze maken ze stuk. Originele T27-tweeters, begrijp je? Dat ik ze voor dit bedrag weggeef, is eigenlijk gestoord.’

Liefdevol trekt hij de deken weg. Zonder de beschermende frontdoeken zien de boxen er vreemd uit. Kwetsbaar, als een ontspannen gezicht.

‘Beloof me dat je de komende tijd geen kinderen neemt.’ Ik vertel hem dat het net uit is met mijn vriendin. ‘O’, zegt hij laconiek. ‘Met deze jongens heb je zo weer een nieuwe, hoor!’
Ik heb geen idee of hij een grapje maakt.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next